GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling civiel recht en belastingrecht, team 1 zaaknummer : 200.269.011/01 SKG zaaknummer rechtbank Noord-Holland, locatie Zaanstad : 7925109 / VV EXPL 19-74 arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 1 april 2020 inzake 1 [appellant] , wonende te [woonplaats 1] , 2. de vennootschap onder firma [G] Bewindvoering, in haar hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen, die (zullen) toebehoren aan [appellant] , gevestigd te Wormerveer, appellanten, advocaat: mr. F.R.G. Keijzer te Amsterdam, tegen [geïntimeerde] , gevestigd te Wormerveer , geïntimeerde, advocaat: mr. A.M. Langeloo te Amsterdam. 1Het geding in hoger beroep De vennootschap onder firma [G] Bewindvoering is in hoger beroep vertegenwoordigd door [M] . Partijen worden hierna [appellant] , de bewindvoerder en [geïntimeerde] genoemd. [appellant] en de bewindvoerder zijn bij dagvaarding van 1 november 2019, hersteld bij exploot van diezelfde dag, in hoger beroep gekomen van een vonnis van de kantonrechter van de rechtbank Noord-Holland, locatie Zaanstad (hierna: de kantonrechter) van 3 oktober 2019, in kort geding gewezen tussen [geïntimeerde] als eiseres en [appellant] en de bewindvoerder als gedaagden. De appeldagvaarding bevat de grieven. Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend: - memorie van antwoord, met producties zijdens [geïntimeerde] ; - akte houdende overlegging producties zijdens [geïntimeerde] ; - antwoordakte zijdens [appellant] en de bewindvoerder. [appellant] en de bewindvoerder hebben geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en alsnog de vorderingen van [geïntimeerde] zal afwijzen en [geïntimeerde] zal veroordelen om al hetgeen [appellant] en de bewindvoerder ter uitvoering van het bestreden vonnis aan [geïntimeerde] hebben voldaan aan [appellant] en de bewindvoerder terug te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het geding in beide instanties. [geïntimeerde] heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met veroordeling van [appellant] en de bewindvoerder in de kosten van het geding, inclusief de nakosten. Partijen hebben de zaak ter zitting van 17 maart 2020 doen bepleiten, [appellant] en de bewindvoerder door mrs. Keijzer voornoemd en door mr. B. Blanckenburg, advocaat te Amsterdam, en [geïntimeerde] door mr. Langeloo voornoemd, ieder aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd. Beide partijen hebben nog producties in het geding gebracht. Ter zitting hebben [appellant] en de bewindvoerder hun eis gewijzigd, in die zin dat zij hebben geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en primair de vordering tot ontruiming zal afwijzen, subsidiair de vordering tot ontruiming zal toewijzen onder de opschortende voorwaarde dat [geïntimeerde] alternatieve passende woonruimte aan [appellant] ter beschikking stelt althans [appellant] alternatieve passende woonruimte heeft gevonden, meer subsidiair de vordering tot ontruiming zal toewijzen met inachtneming van een termijn van twaalf maanden en meest subsidiair een beslissing te nemen die het hof geraden acht. Ten slotte is arrest gevraagd. 2Feiten 2.1. De kantonrechter heeft in het vonnis onder 2.1 tot en met 2.14 de feiten opgesomd die zij bij de beoordeling van de zaak tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten die volgen uit niet weersproken stellingen van partijen dan wel de niet (voldoende) bestreden inhoud van producties waarnaar zij ter staving van hun stellingen verwijzen, komen de feiten neer op het volgende. 2.2. Tussen [geïntimeerde] en [appellant] is met ingang van 29 februari 2012 een huurovereenkomst tot stand gekomen met betrekking tot de woning [woonplaats 1] (hierna: de woning). Op de huurovereenkomst zijn van toepassing de Algemene Huurvoorwaarden (zelfstandige woonruimte) van [geïntimeerde] . De huurprijs bedraagt bruto € 480,86 per maand. 2.3. In artikel 6 van de Algemene Huurvoorwaarden zijn de algemene verplichtingen van de huurder opgenomen. Hiervan luiden de artikelen 6.2 en 6.11: ‘6.2. Huurder zal het gehuurde gebruiken en onderhouden zoals het een goed huurder betaamt en zich in al zijn contacten met verhuurder op correcte wijze gedragen. ‘6.11. Het is huurder niet toegestaan in het gehuurde hennep te kweken, dan wel andere activiteiten te verrichten die op grond van de wet strafbaar zijn gesteld. (…)’ 2.4. Bij beschikking van 25 februari 2015 heeft de kantonrechter vanaf 26 februari 2015 een bewind ingesteld over de (toekomstige) goederen van [appellant] , met benoeming van [A] en [B] , h.o.d.n. [G] Bewindvoering , tot bewindvoerders. 2.5. Op 22 januari 2017 heeft de politie een inval gedaan in de woning, waarbij verdovende middelen in de woning zijn aangetroffen. 2.6. Op 26 juli 2018 heeft de politie wederom een inval in de woning van [appellant] gedaan, waarbij [C] (hierna: [C] ) door de politie is meegenomen, hetgeen door twee medewerkers van [geïntimeerde] is waargenomen. Aan een door [geïntimeerde] op dezelfde dag aan [appellant] gestuurde uitnodiging voor een gesprek op 31 juli 2018 heeft [appellant] geen gevolg gegeven. 2.7. Bij brief van 29 augustus 2018 heeft [geïntimeerde] aan [appellant] onder meer meegedeeld: ‘ [geïntimeerde] is van mening dat u zonder toestemming van [geïntimeerde] andere personen op uw adres heeft laten inschrijven en uw woning als bewoner te gebruiken. U heeft hiermee een wanprestatie heeft gepleegd. Dit kan en wenst [geïntimeerde] niet te accepteren. Dit is in strijd met artikel 6.14 van de Algemene Huurvoorwaarden. (…) Op basis van de wanprestatie die door u gepleegd is ten aanzien van de bewoning van uw woning willen wij eenmalig aanvullende voorwaarden met u afspreken voor het kunnen vervolgen van uw huurcontract. Deze voorwaarden worden door ons vast gelegd in een zogenaamde ‘gele kaart’. Deze willen wij met u tekenen bij ons op kantoor. (…) Wij nodigen u uit op maandag 03 september 2018 om 14:00 uur op het kantoor van [geïntimeerde] (…)’. 2.8. Op 3 september 2018 hebben [geïntimeerde] en [appellant] aanvullende afspraken gemaakt, die zijn neergelegd in een ‘Gele kaart’. In deze gele kaart is onder meer het volgende opgenomen: ‘Het is huurder niet toegestaan het gehuurde te (laten) gebruiken als postadres. Huurder spant zich ervoor in te voorkomen dat niet tot zijn huishouding behorende derden zich als bewoner van het gehuurde registreren in het daartoe door de plaatselijke overheid bijgehouden register; (…) Huurder heeft, zonder [geïntimeerde] daarvan in kennis te stellen, de woning in gebruik willen gegeven aan derden. Is in tegenspraak met de Algemene Huurvoorwaarden van [geïntimeerde] . Partijen komen aanvullend overeen dat: * Huurder en leden van haar huishouding zich als een goed huurder zullen gedragen; * Huurder, leden van haar huishouding -dan wel derden die zich met goedvinden van huurder in of rond het gehuurde bevinden- op geen enkele manier gevaar, hinder of overlast zullen veroorzaken tegenover omwonenden; * Huurder en leden van haar huishouding zich op een gepaste en respectvolle wijze zullen gedragen jegens omwonenden en verhuurder; * Huurder haar betalingsverplichtingen na blijft komen zoals overeengekomen in de Algemene Huurvoorwaarden; * Elke vorm van kamerverhuur of inwoning door derden verboden is; * Huurder de woning dient te gebruiken als hoofdverblijf; * Het is huurder verboden in het gehuurde of een gedeelte van het gehuurde een bedrijf te exploiteren; * huurder niet toegestaan het gehuurde te (laten) gebruiken als postadres. Huurder spant zich ervoor in te voorkomen dat niet tot zijn huishouding behorende derden zich als bewoner van het gehuurde registreren in het daartoe door de plaatselijke overheid bijgehouden register; * Huurder meewerkt aan onderzoek van [geïntimeerde] met betrekking tot de bewoning van de woning; * Huurder [geïntimeerde] toe laat in de woning gedurende onaangekondigde huisbezoeken; * De verantwoordelijkheid van de bewijslast voor het bewonen van de woning bij de huurder ligt; * Huurder draagt zorg voor een goede communicatie met [geïntimeerde] . Deze bijlage dient als aanvulling op de huurovereenkomst, de algemene huurvoorwaarden en de wettelijke verplichtingen die al op huurder rusten. Overtreding van bovengenoemde bepalingen levert een ontbinding rechtvaardigende tekortkoming op. (…)’. 2.9. Op woensdag 12 juni 2019 heeft de politie de woning doorzocht omdat volgens haar informatie wapens in de woning aanwezig zouden zijn. Tijdens de doorzoeking zijn geen vuurwapens aangetroffen, maar wel softdrugs (hennep en hasj) in verschillende zakjes met een totaal netto gewicht van 100,35 gram. 2.10. Bij brief van 13 juni 2019 heeft de politie aan de burgemeester van Zaanstad een ‘Bestuurlijke Rapportage [woonplaats 1] ’ aangeboden, waarin de onderzoeksbevindingen zijn beschreven en aanbevelingen worden gedaan. Bij de ‘bevindingen’ is onder meer opgenomen: ‘Uit de verklaring van mevrouw [appellant] (…) is gebleken dat de aangetroffen drugs eigendom is van beide bewoners’. Bij de ‘conclusie’ is vermeld: ‘Op grond van de bevindingen uit het onderzoek kan worden geconcludeerd dat binnen het pand op het adres [woonplaats 1] te [woonplaats 1] , middelen lijst 2 van de Opiumwet aanwezig waren. De hoeveelheid aangetroffen middelen is dermate groot dat er sprake is van het kennelijke oogmerk te verstrekken/verkopen als aangeduid in artikel 13b lid 1 Opiumwet.’ De rapportage sluit af met het advies aan de gemeente Zaanstad ‘om het bestuurlijk instrumentarium te gebruiken met betrekking tot hetgeen is geconstateerd’. 2.11. Bij brief van 18 juni 2019 heeft ir. [E] namens de burgemeester van de gemeente Zaanstad partijen in kennis gesteld van het voornemen om, naar aanleiding van de bestuurlijke rapportage van de politie, handhavend op te treden en de woning op 19 juli 2019 tijdelijk te sluiten voor de duur van drie maanden op grond van artikel 13b van de Opiumwet. In het kader daarvan zijn partijen in de gelegenheid gesteld een zienswijze op grond van artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht aangaande dit voornemen kenbaar te maken. [geïntimeerde] heeft hiervan geen gebruik gemaakt. Namens [appellant] is op 27 juni 2019 een zienswijze ingediend. 2.12 Per e-mail van 8 juli 2019 heeft [D] van de gemeente Zaanstad aan de gemachtigde van [appellant] bericht: ‘Op 27 juni jl. heeft de burgemeester uw zienswijze namens mevrouw [appellant] ontvangen inzake het voornemen tot sluiting van [woonplaats 1] op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet. De aangevoerde gronden worden momenteel nog nader onderzocht en vergt meer tijd. De geplande sluiting van 19 juli 2019 zal komen te vervallen. Zodra de burgemeester een besluit heeft genomen wordt u daar zo spoedig mogelijk over in kennis gesteld (…)’. 2.13. Op 18 juli 2019 heeft de burgemeester van Zaanstad vervolgens een last onder bestuursdwang opgelegd en heeft hij de sluiting van de woning gelast met ingang van 26 juli 2019 om 13.00 uur voor de duur van drie maanden en meegedeeld dat op die datum het pand zou worden gesloten en verzegeld. 2.14. Door [appellant] is bezwaar gemaakt tegen voormeld besluit en is de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Bij beslissing van 25 juli 2019 heeft de voorzieningenrechter, kort gezegd, het besluit van 18 juli 2019 geschorst tot na de bekendmaking van de beslissing op het ingediende bezwaarschrift. 2.15. Bij besluit van 13 september 2019 is het bezwaar van [appellant] ongegrond verklaard en is besloten om het besluit van 18 juli 2019 in stand te laten, met dien verstande dat het besluit één maand na de bevalling van [appellant] , die is uitgerekend op 10 oktober 2019, in werking zal treden. Tegen deze beslissing is door [appellant] op 18 september 2019 beroep ingesteld. Op diezelfde datum heeft [appellant] de bestuursrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende dat het bevel van de burgemeester van de gemeente Zaanstad tot het sluiten van de woning voor een periode van drie maanden geen doorgang zal vinden, omdat zij door een sluiting van de woning in een acute noodsituatie zal komen te verkeren en dakloos zal raken, nu zij nergens anders terecht kan. 2.16. Op 2 oktober 219 is [appellant] bevallen van een dochter. De baby is bij beschikking van de kinderrechter van de rechtbank Noord-Holland van 3 oktober 2019 direct voor drie maanden onder toezicht gesteld en voor vier weken uit huis geplaatst bij een pleeggezin. Over haar twee oudste kinderen oefent zij geen ouderlijk gezag uit. Er loopt een procedure om dat gezag terug te krijgen. 2.17. Nadat het bestreden vonnis is gewezen, heeft de bestuursrechter bij vonnis van 6 november 2019 het ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak hebben [appellant] en de bewindvoerder hoger beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. 2.18. Bij dagvaarding van 19 november 2019 hebben [appellant] en de bewindvoerder schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis gevorderd. 2.19. Op 29 november 2019 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State de uitspraak van 6 november 2019 (zie hierboven onder 2.15.) bevestigd. Daarmee is komen vast te staan dat de burgemeester de woning op grond van artikel 13b van de Opiumwet mag sluiten, dit op voorwaarde dat gedurende de sluiting passende opvang aan [appellant] wordt geboden. 2.20. Bij vonnis van 3 december 2019 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem, de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis geschorst voor de duur van het hoger beroep, voor zover het de veroordeling tot ontruiming van de woning betreft. 2.21. Op 6 januari 2020 heeft de burgemeester de woning voor een periode van drie maanden gesloten. Aan [appellant] is voor deze periode passende opvang geboden. 2.22. Bij brief van 20 januari 2020 heeft [geïntimeerde] de huurovereenkomst buitengerechtelijk ontbonden op grond van artikel 7:231 lid 2 BW. 3Beoordeling 3.1. [geïntimeerde] heeft in eerste aanleg, samengevat, bij wijze van voorlopige voorziening gevorderd - voor zover in hoger beroep van belang - dat [appellant] en de bewindvoerder worden veroordeeld om de woning binnen drie dagen na betekening van het vonnis te ontruimen en voorts tot betaling van de huur ten bedrage van € 480,96 per maand tot aan de dag van ontruiming, en tot betaling van de proces- en nakosten. Aan haar vorderingen heeft [geïntimeerde] ten grondslag gelegd dat er een zodanige tekortkoming zijdens [appellant] in de nakoming van de verplichtingen uit de huurovereenkomst bestaat, dat ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming in rechte gerechtvaardigd zijn. Zij heeft daarnaast ontruiming gevorderd wegens buitengerechtelijke ontbinding van de huurovereenkomst op grond van 7:231 lid 2 BW. 3.2. De kantonrechter heeft, kort gezegd, in het bestreden vonnis [geïntimeerde] niet-ontvankelijk verklaard in haar tegen [appellant] gerichte vorderingen nu een vordering jegens een huurder wiens goederen onder bewind zijn gesteld moet worden ingesteld tegen de bewindvoerder. 3.3. De kantonrechter heeft de bewindvoerder veroordeeld tot ontruiming van de woning binnen een maand na betekening van het vonnis, alsmede tot betaling van € 480,96 per maand tot aan de dag van ontruiming en tot betaling van de proces- en nakosten. De daaraan door de kantonrechter ten grondslag gelegde overwegingen komen op het volgende neer. 3.3.1. Ten aanzien van de door [geïntimeerde] gevorderde ontruiming wegens buitengerechtelijke ontbinding van de huurovereenkomst op grond van artikel 7:231 lid 2 BW overwoog de kantonrechter dat [geïntimeerde] niet het recht had om de huurovereenkomst op basis van genoemd artikel te ontbinden en te ontruimen, nu van een feitelijke sluiting van het gehuurde op grond van artikel 13b van de Opiumwet op dat moment nog geen sprake was. Ten aanzien van de tekortkoming in de nakoming van de verplichtingen uit de huurovereenkomst heeft de kantonrechter het volgende overwogen. In de woning is een grote hoeveelheid softdrugs, 72,44 gram hennep en 27,91 gram hasj, aangetroffen. Deze hoeveelheid overschrijdt het maximum dat volgens de door het Openbaar Ministerie gehanteerde richtlijnen wordt aangemerkt als bestemd voor eigen gebruik ruimschoots en is daarmee in strijd met de Opiumwet en artikel 6.11 van de Algemene Huurvoorwaarden. De aanwezigheid van deze hoeveelheid softdrugs levert een tekortkoming op in de nakoming van de verplichtingen voortvloeiend uit de huurovereenkomst. Dat [appellant] mogelijk niet bekend was met de aanwezigheid van de softdrugs in de woning die zijn aangetroffen in de rugzak van haar partner ( [C] ) maakt dit niet anders, nu [appellant] ingevolge artikel 7:219 BW als huurder op gelijke wijze als voor haar eigen gedragingen aansprakelijk is voor de gedragingen van hen die met haar goedvinden het gehuurde gebruiken of zich met haar goedvinden daarop bevinden. Gelet op de betrokkenheid van [C] bij twee eerdere politie-invallen (op 22 januari 2017 en op 26 juli 2018) in de woning, waarbij (soft)drugs en (nep)wapens zijn aangetroffen, had het op de weg van [appellant] gelegen te waarborgen dat niet opnieuw (soft)drugs haar woning binnen zouden komen. Gelet op de hoeveelheid softdrugs die in de woning is aangetroffen doet de uitzondering vervat in artikel 6:265 lid 1 BW – te weten dat de tekortkoming gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis de ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt – zich niet voor. 3.3.2. [geïntimeerde] heeft, zo overwoog de kantonrechter voorts, een gerechtvaardigd belang bij ontruiming om een (mogelijke) aanzuigende werking op allerlei vormen van criminaliteit, verloedering van de leefomgeving en eventuele overlast voor andere huurders en omwonenden tegen te gaan, alsmede om naar andere huurders een signaal af te geven dat in het kader van het door haar gevoerde zero-tolerancebeleid tekortkomingen zoals in het onderhavige geval niet worden getolereerd. De kantonrechter heeft de stelling dat een veroordeling tot ontruiming, gelet op de zware consequenties die de ontruiming zal hebben voor [appellant] , haar ongeboren kind en voor de mogelijkheid van [appellant] om het gezag terug te krijgen over haar twee negen jaar oude kinderen die thans niet bij haar wonen, niet proportioneel is, verworpen omdat [appellant] het risico op de te verwachten ontbinding van de huurovereenkomst en de nadelige gevolgen daarvan zelf heeft geschapen. In beginsel behoort het niet tot de taak van [geïntimeerde] om voor onderdak te zorgen voor (een) minderjarige(n), van wie de ouder(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.