GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling civiel recht en belastingrecht, team III (familie- en jeugdrecht) zaaknummer : 200.175.393/01 zaaknummer rechtbank Amsterdam : C/13/560417/HA ZA 14-231 arrest van de meervoudige familiekamer van 26 mei 2020 inzake BEAUFIN B.V., gevestigd te Amsterdam, in de hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen van [X] , wonend te [woonplaats] , gemeente [gemeente] , appellant, advocaat: mr. R.A. Korver te Amsterdam, tegen de stichting WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING & JEUGDRECLASSERING, gevestigd te Amsterdam, geïntimeerde, advocaat: mr. J.J. van Dort te Naarden. 1Het geding in hoger beroep Partijen worden hierna opnieuw [X] en WSSjbjr genoemd. Het hof heeft in deze zaak op 19 april 2016, 6 september 2016, 6 juni 2017, 5 december 2017 en 1 mei 2018 een tussenarrest uitgesproken. Voor het verloop van het geding in hoger beroep tot laatstgenoemde datum verwijst het hof naar die arresten. Het hof heeft in het tussenarrest van 1 mei 2018 de inmiddels benoemde deskundigen gelast om met hun onderzoek te starten en de behandeling van de zaak in afwachting van afronding van het onderzoek aangehouden. Bij brief van 14 februari 2019 hebben de deskundigen hun rapport met bijlagen aan het hof gezonden. Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend: - memorie na deskundigenbericht, tevens houdende akte overlegging producties, van [X] ; - brief van 10 april 2019 van de zijde van [X] aangaande de declaratie van de deskundigen; - memorie van antwoord na deskundigenbericht van WSSjbjr; - akte nadere producties van [X] . Partijen hebben de zaak ter zitting van 27 januari 2020 doen bepleiten, [X] door mr. Korver, en WSSjbjr door mr. T.I. Visser, advocaat te Amsterdam, ieder aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd. Bij die gelegenheid heeft [X] in persoon een verklaring afgelegd, waarvan eveneens een notitie is overgelegd. Ten slotte is arrest gevraagd. 2Beoordeling 2.1 Het gaat in deze zaak om de vraag of WSSjbjr bij de uitvoering van de ondertoezichtstelling van [X] (geboren [in] 1993), in de periode van haar betrokkenheid bij [X] als gezinsvoogdij-instelling onrechtmatig heeft gehandeld jegens hem. Die periode ving aan op 17 februari 1998 en eindigde, anders dan het hof in r.o. 3.1.
(2009)alle betrokken hulpverlenende instanties het er wel over eens waren dat thuisplaatsing onwenselijk was, omdat ouders niet konden bieden wat [X] nodig had aan specialistische zorg.[…]” en: “Er is zeker discussie mogelijk of de WSSjbjr zich bij hun beleid primair hadden moeten laten leiden door het actuele cognitieve en sociaal-emotionele functioneren van [X] en hun angst voor overvraging. Men vond hem kwetsbaar vanwege zijn beïnvloedbaarheid, instellingen noemden dat het gunstig was als [X] zich niet hoefde te bewijzen en [X] was eerder op een groep geweest (PI in Duivendrecht), waarbij de instelling had aangegeven dat dit niet gunstig voor hem was, omdat het niveau daar te hoog was (brief d.d. 06-11-2003: “Voorop staan oppositionele gedragsproblemen die waarschijnlijk het best verklaard kunnen worden vanuit een ontwikkelingsachterstand door pedagogische verwaarlozing in combinatie met voortdurende overvraging, voornamelijk op verbaal niveau”). Maar als deskundigen kunnen wij de argumenten en overwegingen wel begrijpen en het is nog maar de vraag of het in een pleeggezin, mede vanwege de grote kans op voortijdige beëindiging van een dergelijke plaatsing door de gedragsproblemen van [X] , of een reguliere instelling goed was gegaan. Ook binnen een reguliere instelling zou hij groepsgenoten hebben gehad met forse ontwikkelings- en gedragsproblemen.” en: “ [X] viel tussen wal en schip. In AWBZ cognitief ondergestimuleerd, voor de jeugdzorg zou hij sociaal-emotioneel teveel achterlopen en zich mogelijk niet staande kunnen houden. Mogelijk had men zich meer moeten richten op een omgeving waarbij [X] zich had kunnen optrekken aan groepsgenoten, waardoor hij zich wellicht sneller en gunstiger ontwikkeld had op verschillende gebieden. Los van welke keuze passend was geweest, is dit beleid destijds naar onze mening weloverwogen en in overleg met de instellingen waar [X] verbleef bepaald, waarin soms ook voor minder wenselijke oplossingen gekozen moest worden omdat er geen alternatieven waren (thuisplaatsing, onnodig lang op een VB-groep blijven nadat in 2005 pas helder was dat zijn IQ gemiddeld was).” en: “Een kind dat op een verstandelijk beperkter niveau functioneert (los van of dit aangeboren is of een gevolg van omstandigheden en onderstimulatie), wordt in de praktijk doorgaans geplaatst in een setting die bij dat niveau aansluit. Dat kan in individuele gevallen nadelig zijn, maar is wel de praktijk. Het lastige is dat een dergelijke setting doorgaans onderstimulerend is voor iemand met meer mogelijkheden, waardoor het kind minder kansen krijgt om zich te ontwikkelen binnen zijn eigen mogelijkheden.” en: “Complicerend was mogelijk ook geweest dat men [X] met dit lage IQ mogelijk, als de WSSjbjr dit eerder zou hebben gewild dan vanaf de gemiddelde testprestatie, niet elders geplaatst had kunnen krijgen, omdat instellingen toen soms/vaak (dit is voor ons met terugwerkende kracht over die periode niet goed na te gaan) harde IQ-grenzen hanteerden voor toelating (‘slagboomdiagnostiek’). Wellicht was er ‘onderhandelingsmarge’ geweest als de testprestatie laag was maar alles in de praktijk wees op gemiddeld functioneren, maar dat was niet zo. In het dossier zien we bijvoorbeeld geen rapportages van scholen in zijn basisschoolleeftijd die zeggen dat het een gemiddelde leerling is zonder leerproblemen.” en: “[…] Tegelijkertijd was er sprake van zeer complexe problematiek, waarbij nieuwe diagnostische bevindingen/hypothesen ook leidden tot aangepast beleid (er kwamen bijvoorbeeld na eerdere uitsluiting van deze diagnose opnieuw vermoedens van autisme, en toen er geen sprake van autisme bleek te zijn bij de PI-opname, kon hij niet op de groep voor autisten blijven). Dit is een consequentie van hoe de zorg in Nederland soms is georganiseerd op problematiek. Sommige plekken waren ook bij gebrek aan beter en op andere plekken bleek [X] niet hanteerbaar. Het dossier lezende klinkt het als een lange en lastige zoektocht voor alle betrokken professionals om te bepalen waar [X] het beste op zijn plek was. Men had ook te maken met veel praktische problemen, zoals het niet beschikbaar zijn van geschikte plekken op woon- en onderwijsgebied, instellingen die hem niet wilden hebben of wachtlijsten kenden. [X] ontwikkelde zich ook, waardoor enkele wisselingen wenselijk waren (niet langer in VB-circuit). Een pleeggezin had ons zeker gezonder geleken, maar die kon niet gevonden worden en het is ook maar de vraag of zijn gedrag daar hanteerbaar was gebleken en het gezin de middelen had gehad om hiermee om te gaan. Als je leest wat voor incidenten er waren met andere kinderen, vernielen van materialen, agressie, destructief gedrag, noodzaak van intensieve 1-op-1 begeleiding, kwetsbaarheid e.d., dan is dit in een thuissituatie mogelijk noch hanteerbaar noch haalbaar. Samenvattend lijken de keuzes iedere keer weloverwogen te zijn gemaakt, waarbij het destijds actuele functioneren en het risico van overvragen leidend zijn geweest.” en: “Niet alle groepen waar [X] vóór de eerste gemiddelde IQ-meting in 2005 verbleef, kenden een verstandelijk beperkte doelgroep. In 2003 was hij bijvoorbeeld opgenomen op een groep opgenomen buiten de VB-sector. In de ontslagbrief van het PI d.d. 06-11-2003 ( [X] was toen 10 jaar) staat bij het advies: “De opname is door ons beëindigd per 29-11-2003 aangezien er bij [X] geen sprake is van een aan autisme verwante ontwikkelingsstoornis en hij daarnaast ook niet goed kon profiteren van hetgeen onze afdeling hem te bieden had, daar zijn niveau van functioneren hiervoor te laag bleek te zijn.” In de praktijk had men dus ervaren dat [X] het niet redde op een reguliere groep, omdat zijn niveau (nog) te laag bleek om van het stimulerende aanbod in een strak gestructureerde omgeving te kunnen profiteren.” en: “Zorgelijk is vooral dat toen eenmaal voor iedereen helder was dat hij niet zwakbegaafd was (IQ=108 in 2005), dat het toen nog lang (anderhalf jaar) geduurd heeft voordat hij het VB-circuit kon verlaten. Dit was meer dan onwenselijk voor zijn ontwikkeling. In het dossier lezen we dat iedereen het hier wel over eens was, maar dat het de WSSjbjr, ondanks inspanningen, niet lukte om een geschikte plek te vinden. [X] lijkt daardoor langduriger dan nodig/wenselijk verbleven te hebben tussen mensen met een verstandelijke beperking. Hoewel er al eerder signalen waren die duiden op een gunstige ontwikkeling, had ons inziens vanaf de IQ-meting in 2005 z.s.m. moeten worden toegewerkt naar een plaatsing in een omgeving zonder verstandelijk beperkten (of dit nu een orthopedagogische setting, een pleeggezin of de thuissituatie was geweest). Dit vond pas in 2007 plaats (De Pijler).” en: “Een belangrijke vraag is of [X] geplaatst had moeten worden op de plek die paste bij zijn toenmalige functioneren of op een plek die paste bij wat verondersteld werd dat hij in zijn mars had en waartoe hij zich kon ontwikkelen? Achteraf kan met de kennis van nu verondersteld worden dat zijn cognitieve ontwikkeling mogelijk meer gestimuleerd was geweest wanneer hij eerder in een instelling of nog liever een pleeggezin zou zijn geplaatst waar hij niet omringd was door verstandelijk beperkte groepsgenoten. Kadijkerkoog raadde een pleeggezin aan, de Hondsberg raadde dit juist af en er is gezocht, maar het bleek onmogelijk. Eenmaal was er bijna een pleeggezin gevonden, maar deze pleegouders haakten af op basis van [X] leeftijd (de potentiële pleegouders wilden een kind tot 8 jaar opnemen). Het is ook maar de vraag of een pleeggezinplaatsing succesvol was geweest, nu de problematiek zo fors bleek te zijn.” en: “Uit het dossier ontstaat het functioneringsbeeld tegenover zwakke testprestaties. [X] ontwikkelde zich op sommige vlakken goed en achterstanden verkleinden. Sommige mensen geven aan dat hij ‘normaal’ functioneerde in het voetbalteam (ex-trainer, [A] , enz.) Het algehele beeld dat in het dossier naar voren komt over de periode voor de eerste gemiddelde intelligentiemeting, is over het algemeen geen beeld dat past bij een gemiddeld intelligentieniveau. DKJ-thuisbegeleiders protesteerden toen [X] terug naar een VB-groep ging, maar de intramurale DKJ-tak niet. En er waren daar juist argumenten om hem daar te houden. Deze tegenstrijdige signalen van deskundigen zijn voor de besluitvorming binnen de gezinsvoogdij zeer lastig!” 2.10.6 Vraag e. van het hof luidde: ”Passen de plaatsen waar WSSjbjr [X] heeft doen scholen bij zijn beperkingen en mogelijkheden?” De deskundigen hebben deze vraag als volgt beantwoord: “Om [X] toenmalige niveau te kunnen beoordelen (ouders hadden aangegeven graag VMBOTL of HAVO te willen), hebben we per school onvoldoende zicht op schoolresultaten. […] en: “Bij het kiezen van een passende school diende vooral ook rekening gehouden te worden met de gedragsproblemen. Scholen selecteren daarop. In de praktijk blijken de meeste kinderen met gedragsproblemen op een lager niveau onderwijs te volgen, waardoor het opklaren van gedragsproblemen vaak een voorwaarde is om op een hoger niveau onderwijs te kunnen krijgen. In de betreffende periode waren reguliere scholen niet snel geneigd leerlingen met forse gedragsproblematiek aan te nemen. Wanneer voor alle betrokkenen helder was geweest dat gedragsproblemen voortkwamen uit onderstimulatie, dan was dit wellicht makkelijker geweest, zoals dit ook wel eens het geval is bij hoogbegaafden. […]” en: “Net als bij het kiezen van een woonplek lijkt ook bij het kiezen van een school het uitgangspunt geweest te zijn hoe [X] op dat moment functioneerde, zowel op cognitief als ook gedragsmatig en sociaal-emotioneel niveau. Het kiezen van een school zal vermoedelijk in samenspraak tussen de instelling waar [X] woonde en de gezinsvoogd gegaan zijn, omdat het in de praktijk de instelling is die de kinderen dagelijks naar school moet brengen. Het dossier geeft niet per school een motivering van de keuze voor deze school, waardoor het voor ons lastig is om achteraf hierop te reflecteren. We vermoeden dat er in sommige gevallen geen echte keuze gemaakt is, omdat alle opgenomen kinderen in de betreffende instelling dan naar de school op het terrein of een vaste school in de buurt gingen.” en: “In de periode 13-11-2000 tot 15-08-2001 heeft [X] 9 maanden thuisgezeten van school. Dat is natuurlijk erg onwenselijk. Vanwege zijn gedrag lukte het de WSSjbjr niet hem ergens geplaatst te krijgen. Hierbij merken we op dat in de ons ter beschikking staande stukken nergens vermeld wordt dat een beroep is gedaan op de leerplichtambtenaar (met oog op de leerplicht!) om hierin iets te kunnen betekenen.” 2.10.7 Op vraag f. van het hof (“Valt de afweging die WSSjbjr ertoe heeft gebracht om [X] te laten opgroeien tussen kinderen met beperkter verstandelijke vermogens naar uw deskundig inzicht te billijken met het oog op zijn (gedrags-)problematiek? Zo ja, waarom? Zo neen, waarom niet?”) luidt het antwoord van de deskundigen: “Deze kwestie blijft, populair gezegd, een ‘kip-ei’-discussie. De sociaal-emotionele ontwikkeling kan gezien worden als een randvoorwaarde voor een goede cognitieve ontwikkeling. Iemand die zich niet veilig voelt en angstig is, komt moeilijker tot leren. Maar omgekeerd kan ook betoogd worden dat onvoldoende cognitieve stimulering gevolgen heeft voor de sociaal-emotionele ontwikkeling (zelfvertrouwen, stemming e.d.). We kunnen ons goed voorstellen dat het destijds lastig voor de WSSjbjr geweest moet zijn om te bepalen waaraan men goed deed. Elke keuze kende nadelen en wijsheid hierin komt vaak pas achteraf. En zelfs dan weten we niet hoe het gelopen zou zijn als [X] al jaren eerder het VB-circuit had verlaten. Misschien was het dan wel ontzettend misgegaan in een pleeggezin of leefgroep buiten het VB-circuit. Men had het wellicht kunnen proberen, omdat er aanwijzingen waren dat [X] het in een groep met ‘normale’ kinderen goed leek te doen. In dit kader wordt door [X] zijn voetbaltrainer opgevoerd. De WSSjbjr noemt dat dit geen deskundige is en het is nog maar de vraag is of dit echt altijd goed ging. Maar er moet ook gesteld worden dat de gezinsvoogd nooit een training of wedstrijd lijkt te hebben meegekeken (dit is althans wat [X] zegt en wat de WSSjbjr, voor zover men dat nu nog zou kunnen nagaan, volgens ons niet heeft betwist). Echter, men moet niet vergeten dat in de jeugdzorg weliswaar kinderen zaten zonder verstandelijke beperking, maar dat ook deze groepsgenoten allerlei problematiek zouden hebben gehad, wat van invloed had kunnen zijn geweest op [X] .” 2.10.8 Het antwoord op vraag g. van het hof (“Ingeval van een ontkennende beantwoording van de onder d., e. en f. geformuleerde vragen: was of waren er toentertijd redelijke alternatieven waarvoor WSSjbjr had kunnen kiezen? Kunt u aangeven wat de gevolgen zijn geweest voor [X] van het niet-toepassen van dat alternatief of die alternatieven?”) luidt: Indien WSSjbjr ervoor gekozen had om [X] binnen de reguliere jeugdzorg i.p.v. het AWBZ-circuit te laten wonen, dan was het nog maar de vraag geweest of dit was gelukt. Ook in deze sector was er toen sprake van wachtlijsten en werd er regelmatig gebruik gemaakt van ‘slagboomdiagnostiek’, waarbij harde IQ-grenzen konden worden gehanteerd door instellingen en indicatieorganen om te bepalen of een kind in een bepaalde sector of instelling kon worden opgenomen. Het is nog maar de vraag of de WSSjbjr [X] met het IQ zoals bij hem gemeten daar binnen had gekregen. De kans lijkt ons niet gering dat [X] daar geweigerd zou zijn, met het argument dat zijn IQ te laag was en dat zijn sociaal-emotionele ontwikkeling evenmin paste binnen de jeugdzorg. De vraag hoe andere keuzes voor [X] zouden hebben uitgepakt, is lastig te beantwoorden (zie eerder). Mogelijk had hij geprofiteerd van andere keuzes, mogelijk was het ook mis gegaan en had het zijn ontwikkeling geschaad. 2.10.9 Op de laatste vraag h. van het hof (“Heeft u overigens nog opmerkingen die voor de beoordeling van deze zaak van belang kunnen zijn?”) hebben de deskundigen als volgt geantwoord: “Omwille van de leesbaarheid van dit deskundigenrapport is ervoor gekozen om opmerkingen die wij van belang achten en een antwoord zijn op deze vraagstelling deels ook reeds bij de antwoorden op de eerdere vragen te noemen. Voor zover wij daar naar de mening van de lezer bij eerdere vragen buiten de reikwijdte van die specifieke vraagstellingen zouden hebben geantwoord, kunnen de daar gegeven antwoorden beschouwd worden als antwoord op deze laatste vraagstelling (h.). Vervolgens hebben de deskundigen nog een toelichting gegeven en achtergrondinformatie verstrekt over het begrip ‘intelligentie’, de tests waarmee deze bij [X] gemeten is en wat hun is opgevallen in het beschikbaar gestelde dossier. Onder meer: “Intelligentie wordt verondersteld te worden bepaald door aanleg en omgevingsfactoren (‘nature’ en ‘nurture’)[…]Het feit dat het [X] gelukt is een MBO-diploma te halen, is wat ons betreft, gezien de ‘valse start’ in zijn jonge levensjaren en zijn jeugd met veel verschillende instellingen en onderwijsvoorzieningen, in dit licht een bijzondere prestatie.” en: “In het dossier komen uitgebreide teksten voor van de heer Vervaet . We kenden deze collega niet en ook zijn uitspraak dat er sprake zou zijn van drie ‘kampen’ m.b.t. de testpsychologie en dat IQ-tests ook in eigen kring omstreden zouden zijn, is nieuw voor ons. Deze weergave van zaken binnen ons vakgebied wordt door ons niet herkend. Intelligentietests zijn algemeen geaccepteerd in het veld van de (kinder)psychologie en uiteraard moeten de uitkomsten altijd geïnterpreteerd worden in het licht van de context, en moet men zich niet blindstaren op een enkel getal. Een IQ heeft absoluut waarde, maar geen absolute waarde. De uitkomsten van intelligentietests geven actuele en geen potentiële prestaties weer. Er kunnen allerlei factoren zijn die invloed hebben op iemands intelligentie en prestatie op een IQ-test. De wisselende IQ-scores die [X] in de loop van zijn jeugd heeft laten zien, zijn wat ons betreft geen aanwijzing voor de onbetrouwbaarheid of invaliditeit van de instrumenten, maar laten getalsmatig zien dat [X] een gunstige cognitieve ontwikkeling heeft doorgemaakt (of dit nu ondanks of dankzij het beleid van de WSSjbjr is geweest), ook al is het waarschijnlijk dat de zwakke testprestaties in zijn jonge jaren deels ook gedrukt zullen zijn geweest door allerlei andere factoren. Er is een aantal punten waarop we vakinhoudelijk van mening verschillen met de heer Vervaet . Het past niet bij de vraagstelling om hier nader op in te gaan en draagt ook niet bij aan deze zaak.” en: “[…] In het dossier van [X] zijn factoren zoals hier genoemd aanwijsbaar die, indien ook aan de orde tijdens de intelligentieonderzoeken, een negatieve invloed gehad kunnen hebben op de IQ-metingen. Omdat dit deels ook factoren waren die ook buiten de testsituatie speelden, kan een meting daarmee evenwel ‘ecologisch valide’ zijn en nog steeds een beeld geven van wat hij ook buiten de testsituatie, gegeven deze beperkingen, cognitief in die periode kon presteren. Er was in de jeugd van [X] veel ‘sociaal-emotionele en psychiatrische ruis’ aanwezig die tot onderpresteren/ onderfunctioneren kan hebben geleid, zowel binnen als buiten testsituaties. Er speelde veel in zijn leven wat niet in overeenstemming was met de randvoorwaarden voor een positieve leerontwikkeling. In het onderzoeksrapport van J.R. Noorloos (1997: SON-R 2½-7 IQ van 50) lezen we enige aanwijzingen voor mogelijk onderpresteren (o.a. matige werkhouding, wisselende motivatie, emotionele factoren), hoewel uit de algemene indruk van het rapport overwegend een beeld naar voren komt dat geen duidelijke aanleiding geeft tot het twijfelen aan de betrouwbaarheid van de meting (o.a. opgewekte stemming, voldoende contact met de onderzoeker, een veilige groepsleiding is erbij, geen aanwijzingen voor gespannenheid, redelijke concentratie en impulsregulatie).” en: “In [X] geval lijkt heel veel belang te zijn gehecht aan de testresultaten en zijn sociaal-emotionele ontwikkeling, hoewel ook andere signalen kwamen dat hij zich ontwikkelde, dat hij een leergierigheid had die niet typerend was voor verstandelijk beperkten, dat hij dingen snel oppikte, enz. En tegelijkertijd lijken de scores te reflecteren op welk niveau hij destijds functioneerde, wat ook wel verklaarbaar is, maar niet voldoende zijn leerpotentieel aangaf. De stijging van de IQ-resultaten suggereren dat het cognitieve functioneren van [X] in de loop der jaren een stijgende ontwikkeling heeft doorgemaakt en hij in cognitieve zin is gaan ‘bloeien’. De discussie en niet goed te beantwoorden vraag is dan of dit dankzij of ondanks de (onderwijs)instellingen is geweest, waar [X] werd geplaatst of naar school ging.” en: “Er worden meerdere IQ-metingen beschreven in het dossier, waarbinnen [X] een disharmonisch intelligentieprofiel liet zien. Er wordt over een disharmonisch profiel gesproken wanneer er sprake is van een statistisch significant (d.w.z. zeer waarschijnlijk niet op toeval berustend) verschil tussen verschillende ‘deel-IQ’s’, waaruit veel IQ-tests bestaan. In 2003 (WISC-R) werd bij het Paedologisch Instituut een Totaal IQ (TIQ) gemeten van 79, met een verbaal IQ (VIQ) van 66 en een performaal IQ (PIQ) van
- Op 25-09-2005 vond men ook bij DKJ (WISC-III) een disharmonisch profiel waarbij wederom het performale IQ significant hoger was dan het verbale IQ (TIQ=108, VIQ=98< PIQ=118). Bij een disharmonisch profiel wordt het Totaal IQ een globalere maat om iets te zeggen over het algehele cognitieve functioneren, omdat dit samenvattende getal dan minder representatief is voor het algehele cognitieve functioneren. Het TIQ doet dan minder recht aan de aanwezige verschillen binnen het cognitieve functioneren. Verbale IQ-scores hebben een hogere correlatie met schoolprestaties dan performale. Overigens geldt voor TIQ’s dat ze zelfs bij disharmonische profielen nog aardig correleren met schoolprestaties. Disharmonische intelligentieprofielen komen vaak voor en zijn niet per definitie reden tot zorg. Het is heel gangbaar om niet overal even goed in te zijn en de meeste kinderen hebben sterkere en minder sterke kanten, en functioneren daar zonder (noemenswaardige) problemen mee. Verschillen van 20 punten (of meer), zoals bij [X] in 2005 gemeten (VIQ=98< PIQ=118) komen bijvoorbeeld bij ongeveer 1 op de 5 Nederlandse kinderen in de ‘normale’ populatie voor bij deze test. Het verschil in 2003 (VIQ=66<PIQ=100) was uitzonderlijker; dergelijk grote discrepanties komen slechts bij een paar procent van de kinderen voor. Hoe groter het verschil, des te groter de kans dat een kind op deelcapaciteiten kan worden onderschat of overschat. Disharmonische intelligentieprofielen kunnen het lastiger maken voor een omgeving om goed af te stemmen op iemands niveau, omdat dit niveau dus wisselt per deelgebied. De moeite met afstemmen en het risico van onder- of overvraging kunnen zowel in een leefsituatie als onderwijssituatie aan de orde zijn. Op het moment dat een leerling per vak een ander niveau heeft, is het lastig om onderwijs op één niveau te volgen en is een afgestemd aanbod binnen het speciaal onderwijs al snel een serieus te overwegen optie.” 2.10.10 De deskundigen hebben [X] in de gelegenheid gesteld een reactie te geven op het (concept) rapport. De bij brief van 14 november 2018 gegeven reactie van [X] (mede inhoudende dat geen beroep op het blokkeringsrecht wordt gedaan) heeft voor de deskundigen geen aanleiding gevormd om de rapportage aan te passen of aan te vullen, zo hebben zij in een brief van 20 november 2018 aan [X] meegedeeld. In deze brief hebben de deskundigen in reactie op het door [X] geleverde commentaar onder meer vermeld dat verwaarlozing en traumatisering van invloed kunnen zijn op de betrouwbaarheid van een intelligentiemeting, maar ook dat deze factoren van invloed zijn op het alledaagse functioneren en de intelligentie zelf. Volgens de deskundigen kan een meting dus nog steeds voor die periode een betrouwbaar en valide beeld geven, ook al betreft het mogelijk een prestatie op een lager niveau dan wat een kind onder betere omstandigheden had aangekund. Daarbij achten zij de gevalideerde intelligentietest en rapportages van de professionals die belast waren met de diagnostiek en zorg voor [X] van meer waarde dan de overgelegde verklaring van [X] voetbaltrainer. Verder verklaren de deskundigen in deze brief (zoals zij dat ook in het rapport hebben gedaan) dat op basis van de stukken in het dossier niet vaststaat dat er in de eerste 18 maanden bij [X] sprake was van een normale ontwikkeling. Ten aanzien van de door [X] ingebrachte video opname van [X] vijfde verjaardag verklaren zij dat zij op basis hiervan geen verantwoorde (objectieve en wetenschappelijk onderbouwde) conclusies kunnen trekken over de verstandelijke vermogens van [X] . Voor het horen van een of meer gezinsvoogden, zoals [X] heeft voorgesteld, hebben de deskundigen geen aanleiding gezien. Zij menen dat dit niet behoorde tot hun opdracht en zij hebben, met het oog op de inmiddels verstreken tijd, twijfels over de betrouwbaarheid van verklaringen van mensen over (toenmalige) situaties en beslissingen die destijds zijn genomen. 2.10.11 De deskundigen hebben naar aanleiding van de bij brief van 19 december 2018 gemaakte opmerkingen van WSSjbjr een onvolledigheid en een feitelijke onjuistheid in het conceptrapport aangepast. 2.11 In zijn memorie na deskundigenrapport heeft [X] de grieven in hoger beroep gehandhaafd, bewijs door getuigen aangeboden en betoogd dat de deskundigen ten onrechte voorbij zijn gegaan aan een aantal belangrijke punten. [X] bestrijdt daarom de conclusie van de deskundigen dat WSSjbjr onophoudelijk zocht naar een passende plek of school passend bij het laatst ingewonnen advies. [X] handhaaft zijn standpunten dat WSSjbjr geen deugdelijk onderzoek naar zijn eerste jeugdjaren heeft gedaan, waaruit zou zijn gebleken dat hij toen een normale ontwikkeling doormaakte, dat WSSjbjr ten onrechte is afgegaan op lage uitslagen van IQ-tests zonder acht te slaan op zijn voorgeschiedenis en hem ten onrechte herhaaldelijk tussen zwaar (verstandelijk) gehandicapte kinderen, met vaak gestoord gedrag, heeft geplaatst. 2.12 In de antwoordmemorie na deskundigenbericht heeft WSSjbjr verklaard zich in de overwegingen en conclusies van de deskundigen te kunnen vinden. De WSSjbr heeft voorts de stellingen van [X] in de memorie na deskundigenbericht betwist; in het bijzonder dat zij geen oog zou hebben gehad voor de periode voorafgaand aan de uithuisplaatsing en dat hij alleen bij ernstig/zwaar gehandicapte kinderen heeft gewoond. Verder wijst WSSjbjr op het feit dat zij in de tijd van het onderzoek door het AMC in 1997/1998 nog niet de uitvoerder van de ondertoezichtstelling was. WSSjbjr ziet geen reden om [X] toe te laten tot nadere bewijslevering. 2.13 [X] heeft met zijn akte nadere producties van 30 december 2019 verklaringen overgelegd van een vijftal door hem benaderde deskundigen en een ‘legal opinion’ van Defence for Children. Met een beroep op deze verklaringen heeft [X] gesteld dat het deskundigenrapport niet juist, onvolledig en op onderdelen ondeskundig is. 2.14 Het hof volgt [X] niet in zijn standpunt over het deskundigenrapport. De deskundigen hebben in overeenstemming met de hun gegeven opdracht het hele dossier in collegiale afstemming én vanuit ieders specialistische kennis bestudeerd en op basis van deze studie hun antwoorden gegeven op alle door het hof gestelde vragen. Voor het hof is niet kenbaar op basis van welke informatie de door [X] overgelegde verklaringen (productie 33 tot en met 38) zijn opgesteld. De verklaringen geven bovendien geen antwoord op (alle) door het hof aan de deskundigen gestelde vragen, maar op vragen die [X] hun gesteld heeft en waarvan de aard en strekking ofwel niet uit de verklaring blijken, ofwel van geheel andere aard en strekking zijn dan de vragen van het hof. De door [X] geraadpleegde deskundigen geven een eigen analyse van wat met hem tijdens zijn jeugdjaren gebeurd is en had moeten gebeuren. Zij komen daarmee (deels) tot andere conclusies en inzichten dan de door het hof ingeschakelde deskundigen. Uit geen van deze verklaringen volgt echter dat de werkwijze van Van der Gaag, Stams en Kaldenbach niet juist zou zijn geweest. Evenmin vermelden deze verklaringen dat, waarom en op welke onderdelen het deskundigenrapport als zodanig niet juist, onvolledig of ondeskundig zou zijn. Het hof ziet dan ook in de door [X] overgelegde verklaringen (productie 33 tot en met 38) geen aanleiding om het deskundigenrapport van Van der Gaag, Stams en Kaldenbach buiten beschouwing te laten of een geringere bewijskracht toe te kennen. 2.15 Gelet hierop zal het hof, met inachtneming van de antwoorden in het deskundigenrapport, hierna eerst zijn oordeel geven over de door [X] in hoger beroep aangevoerde grieven om daarna zijn samengevat oordeel omtrent naleving van de op WSSjbjr rustende bijzondere zorgplicht te geven. 2.15.1 Met de grieven 1 tot en met 3 heeft [X] zich gekeerd tegen de wijze waarop de rechtbank de feiten heeft vastgesteld. [X] meent dat de rechtbank eenzijdig feiten (waaronder onderzoeksverslagen) heeft geselecteerd die in zijn nadeel zijn en feiten die zijn standpunten onderbouwen niet heeft genoemd of genegeerd. Deze grieven behoeven geen verdere bespreking aangezien bij de totstandbrenging van het deskundigenrapport alle overgelegde (waaronder de in grieven 1 tot en met 3 genoemde) verslagen en verklaringen integraal zijn bestudeerd en meegewogen. Het hof heeft in dit hoger beroep alle door partijen naar voren gebrachte feiten, omstandigheden en ter onderbouwing daarvan overgelegde stukken opnieuw in de beoordeling betrokken. De grieven slagen niet. 2.15.2 Voor zover grief 4 is gericht tegen een verkeerde verslaglegging van de zitting bij de rechtbank kan deze niet slagen, omdat dit hoger beroep er mede toe dient eventuele fouten en omissies uit eerst aanleg te herstellen. Ten aanzien van de in deze grief aangevoerde schending van artikel 39 IVRK verwijst het hof naar overweging 2.
- 2.15.3.1 De grieven 5 tot en met 23 en grief 25 zal het hof in hun onderlinge samenhang beoordelen. De grieven van [X] met hun daarop gegeven toelichting in de gedingstukken, tijdens de comparitie op 4 februari 2016 en het pleidooi op 27 januari 2020, behandelen namelijk in wezen drie thema’s: - de inschatting van de vermogens van [X] en de interpretatie die de WSSjbjr daarbij heeft gegeven aan de bij [X] verrichte onderzoeken en IQ-metingen; - de keuzes die WSSjbjr heeft gemaakt om [X] , op basis van onderzoeken en IQ-metingen te laten opgroeien en scholen in een omgeving waar hij volgens [X] niet paste, in het bijzonder in instellingen en scholen voor (zwaar) verstandelijk gehandicapte kinderen; - de vele wisselingen van verblijfplaats en scholen die het gevolg waren van deze keuzes. De inschatting van [X] vermogens en de daarbij gegeven interpretatie van onderzoeken en IQ-metingen door WSSjbjr 2.15.3.2 [X] stelt zich op het standpunt dat uit de bekende gegevens voorafgaand aan de uithuisplaatsing in augustus 1997 volgt dat hij een normaal begaafd kind was en dat de resultaten van bij hem afgenomen intelligentieonderzoeken in de periode kort na de uithuisplaatsing geen waarde hadden, gelet op de waarschijnlijk traumatiserende thuissituatie vlak daarvoor en het gegeven dat hij de Nederlandse taal waarschijnlijk niet machtig was. Hij meent ten onrechte het predicaat zwakzinnig, zwakbegaafd, verstandelijk gehandicapt en verstandelijk beperkt te hebben gekregen en WSSjbjr heeft zich vanaf de aanvang van de uitvoering van de ondertoezichtstelling ten onrechte laten leiden door deze predicaten en daar haar beleid op gebaseerd totdat in 2005 een gemiddeld IQ werd gemeten. WSSjbjr heeft volgens [X] bij de uitvoering van de ondertoezichtstelling te weinig oog gehad voor aanwijzingen dat hij over normale/gemiddelde verstandelijke vermogens beschikte. Deze aanwijzingen betreffen nader genoemde onderzoeksverslagen en daarnaast waarnemingen van zijn grootvader, zijn begeleidster mevrouw [A] , zijn voetbaltrainer en een video opname van zijn vijfde verjaardag. De rechtbank heeft dit volgens [X] miskend. WSSjbjr heeft de stellingen van [X] betwist. 2.15.3.3 Het hof volgt [X] niet in zijn betoog. De deskundigen hebben bij beantwoording van vraag a. bij randnummer
- nader verklaard geen aanwijzingen in het dossier te zijn tegengekomen voor incorrecte classificaties van IQ-scores door de betrokken IQ-onderzoekers of WSSjbjr. Voor het vaststellen van de verstandelijke beperking zelf is men aangewezen op het beoordelen van het functioneren in combinatie met een meting (IQ-test). De deskundigen concluderen dat de classificaties van ‘Zwakbegaafdheid’ en een ‘Lichte/matige zwakzinnigheid’ die op verschillende momenten tijdens [X] jeugd zijn gesteld destijds op basis van de testprestaties en criteria voor het functioneren in de praktijk wat hen betreft gerechtvaardigd waren. Daarbij heeft volgens hen de gemiddelde prestatie op een IQ-test in 2005 terecht ertoe geleid dat niet langer gesproken werd over zwakbegaafdheid om [X] niveau van actueel cognitief functioneren te beschrijven. De classificatie ‘Zwakzinnigheid’ is bij [X] niet louter op basis van IQ-tests of cognitief functioneren gesteld; hierin is zijn gehele functioneren, inclusief de zorgelijke sociaal-emotionele ontwikkeling meegewogen. De IQ-scores van [X] hebben zich in de loop der jaren ontwikkeld van lichte/matige zwakzinnigheid (Totaal IQ= 50) via zwakbegaafdheid (TIQ’s van 77 en 79) naar gemiddelde (TIQ= 108) en zelfs bovengemiddelde scores (TIQ=118/120) (deskundigenrapport paragraaf 6.3, randnummers 1., 3.,
- en 13.). De deskundigen hebben in WSSjbjr rapportages niet kunnen lezen dat men alles eenzijdig zou verklaren vanuit een (aangeboren) verstandelijke beperking. Men heeft oog gehad voor de zeer ongunstige omstandigheden die in de thuissituatie aan de orde waren en de gevolgen die dit heeft gehad voor [X] functioneren. WSSjbjr beschrijft in haar rapportages de ontwikkeling die [X] doormaakt, naast de zorgen die er zijn (deskundigenrapport paragraaf 6.3, randnummer 17.). De deskundigen hebben op basis van de bestudeerde stukken onvoldoende zicht kunnen krijgen op [X] eerste levensjaren om over zijn ontwikkeling in die periode stellige uitspraken te kunnen doen (deskundigenrapport paragraaf 6.3, randnummers 18 en 20). Zoals reeds is aangehaald bij overweging 2.10.3 concluderen de deskundigen dat WSSjbjr niet uitgegaan is van een aangeboren ontwikkelingsachterstand of aangeboren verstandelijke beperking en hebben zij geen uitspraken gelezen die consequent een overtuiging bij WSSjbjr weergeven of suggereren dat het duidelijk zou zijn dat [X] zwakzinnige/zwakbegaafde niveau van functioneren levenslang zou blijven bestaan. Daarbij hebben de deskundigen gemotiveerd weergegeven (als antwoord op vraag h.) dat IQ-metingen absoluut waarde hebben, maar geen absolute waarde. Zij hebben gemotiveerd toegelicht in het rapport en aanvullend in de brief van 20 november 2018 hoe enerzijds resultaten van IQ-metingen beïnvloed kunnen zijn door verwaarlozing en trauma, maar anderzijds dat verwaarlozing en trauma invloed hebben op het alledaagse functioneren en de intelligentie zelf. Dit alles maakt dat IQ-tests voor de periode waarin deze worden afgenomen waarde hebben, maar dat deze waarde niet absoluut is. Naar deze inzichten heeft WSSjbjr gehandeld, zo volgt uit het deskundigenrapport. Dat WSSjbjr, naar [X] met deze grieven heeft gesteld, van een verkeerde inschatting van [X] vermogens is uitgegaan en hem, gedurende de periode in geding, vanuit verkeerde uitgangspunten omtrent zijn vermogens heeft begeleid, is dan ook niet vast komen te staan. De verwijzing door [X] naar het verzoek tot vervanging van de gezinsvoogdij-instelling en de beslissing daarop (producties 41 en 42 bij akte nadere producties), in welk verzoek kort gezegd is aangegeven dat “ [X] geestelijk gehandicapt is”, doet – naast het door WSSjbjr voorgedragen gegeven dat het gaat om een verzoek van SiJA namens BJA en het niet een uitlating van WSSjbjr betreft – niet af aan de waardering van het feitelijk handelen van WSSjbjr als beschreven in het voorgaande. Gelet op en onder verwijzing naar het deskundigenrapport is het hof verder van oordeel dat de rechtbank terecht de visie van de door [X] ingeschakelde dr. E. Vervaet over IQ-metingen terzijde heeft gelegd (deskundigenrapport paragraaf 6.3, randnummer 53). Evenmin kan aan de verklaringen van [X] grootvader, zijn voetbaltrainer en mevrouw [A] en een video opname van de viering van [X] verjaardag in dit verband de waarde worden gehecht die [X] daaraan toekent. De keuzes voor de verblijfplaatsen en scholen van [X] 2.15.3.4 Kort samengevat is het standpunt van [X] dat hij ten onrechte lange tijd in instellingen voor (zwaar) verstandelijk gehandicapten heeft gewoond en (mede als gevolg van die plaatsingen) op scholen voor verstandelijk gehandicapten heeft gezeten. Hierdoor is hij ondergestimuleerd en is zijn ontwikkeling geschaad. Bovendien is hij ten onrechte tweemaal een periode thuis geplaatst terwijl daarvoor contra-indicaties waren, is hij ten onrechte een periode in een groep met kinderen met een stoornis binnen het autistisch spectrum geplaatst (De Piramide) en was ook de plaatsing bij De Pijler in Purmerend niet passend. De WSSjbr heeft de stellingen van [X] betwist en -kort samengevat- aangevoerd dat zij tijdens de uitvoering van de ondertoezichtstelling heeft gedaan wat in haar vermogen lag om hem in een passende omgeving op te laten groeien en te laten scholen. 2.15.3.5 Het hof stelt voorop dat SiJA/BJA [X] in januari 1998 vanuit de kinderpsychiatrische groep van het AMC naar een instelling voor kinderen met een verstandelijke beperking (Prinsenstichting, locatie Kadijkerkoog te Purmerend) heeft overgeplaatst. Hiervoor kan WSSjbjr niet verantwoordelijk worden gehouden. De bijzondere zorgplicht van WSSjbjr voor [X] gold vanaf 17 februari 1998, toen zij de uitvoering van de ondertoezichtstelling kreeg opgedragen. Deze plaatsing valt daarmee buiten de beoordeling in deze procedure. De beoordeling in deze procedure betreft de plaatsingen en periodes zoals genoemd bij overweging 2.
- 2.15.3.6 Onder verwijzing naar de uit het deskundigenbericht aangehaalde passages bij overweging 2.10.5 overweegt het hof dat [X] tussen wal en schip viel: in AWBZ-instellingen, waartoe instellingen voor verstandelijk gehandicapten behoorden, werd hij cognitief ondergestimuleerd, in de reguliere jeugdzorg bestond het risico van overvraging. Alhoewel de deskundigen met [X] van mening zijn dat discussie mogelijk was over de door WSSjbjr gemaakte keuzes voor de onderscheiden plaatsingen, concluderen zij samenvattend dat deze keuzes iedere keer weloverwogen lijken te zijn gemaakt waarbij het destijds actuele functioneren en het risico van overvragen leidend zijn geweest. Daarbij achten zij het algehele beeld dat uit het dossier naar voren komt over de periode voorafgaand aan de eerste gemiddelde intelligentiemeting in 2005 geen beeld dat past bij een gemiddeld intelligentieniveau. Ook hebben zij geconstateerd dat soms voor minder wenselijke oplossingen gekozen moest worden, omdat er geen alternatieven voorhanden waren en waren de tegenstrijdige signalen van de destijds bij [X] betrokken deskundigen voor de besluitvorming binnen de gezinsvoogdij zeer lastig. Deze conclusies van de deskundigen volgend, is het hof van oordeel dat het standpunt van [X] , dat WSSjbjr onzorgvuldig heeft gehandeld door hem telkens in een niet passende omgeving te laten opgroeien, niet houdbaar is. Het hof komt ook niet tot de vaststelling dat WSSjbjr zich onvoldoende heeft ingespannen om tot de geadviseerde plaatsingen te komen. Het hof overweegt daartoe voorts nog het volgende. 2.15.3.7 Aangezien de keuzes die WSSjbjr heeft gemaakt voor de onderscheiden plaatsingen de toets der kritiek doorstaan, geldt dit ook voor het laten voortduren van de plaatsing in Kadijkerkoog (tot 21 september 1998) en de keuze voor plaatsing in de Hondsberg (21 september 1998 tot 13 november 2000). Daarbij neemt het hof bovendien in aanmerking dat, waar [X] heeft gesteld dat de adviezen van orthopedagoog A.F. Assema hadden moeten leiden tot het zoeken naar een pleeggezin, hij eraan voorbij gaat dat in die periode thuisplaatsing volgens het hulpverleningsplan juli 1998 nog mogelijk leek en dat Assema, in zijn rapport van 3 juni 1998, voorafgaand aan het advies een gespecialiseerd pleeggezin te zoeken, heeft geadviseerd binnen een gespecialiseerd observatiecentrum onderzoek te doen naar het eventueel bestaan van psychiatrische stoornissen en behandelmogelijkheden. Met de plaatsing in de Hondsberg is gevolg gegeven aan dit advies. Van november 2000 tot november 2002 heeft [X] bij zijn ouders gewoond. Uit het verslag van de Hondsberg (Soudijn, 3 mei 2001) en de evaluatie van de gezinsvoogd van juli 2000, leidt het hof af dat de voorziening voor Pleegzorg en de Hondsberg plaatsing in een pleeggezin van de hand wezen. Het hof ziet geen reden om hetgeen WSSjbjr in haar hulpverleningsplannen en evaluaties heeft genoteerd buiten beschouwing te laten. De enkele stelling van [X] (zonder onderbouwing, die ontbreekt) dat WSSjbjr de adviezen van de Hondsberg en Pleegzorg onjuist zou hebben weergegeven, is daarvoor onvoldoende. In de plannen en evaluaties heeft WSSjbjr onder meer de historische en actuele situatie weergegeven, alsmede relevante informatie van bij [X] betrokken personen en instanties. De Hondsberg achtte een kleinschalige residentiële voorziening geschikt en [X] is om die reden geplaatst op de (lange) wachtlijst voor DKJ. Bij de Hondsberg kon [X] niet langer blijven; dat heeft hij ook niet bepleit. Ondanks de bestaande contra-indicaties voor een thuisplaatsing, is [X] in november 2000 bij zijn ouders geplaatst. Het hof volgt de analyse van de deskundigen, die de thuisplaatsingen acceptabel achten ‘bij gebrek aan beter’. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat de ouders zelf [X] graag thuis wilden hebben en de thuissituatie in mei 2000 aanzienlijk gewijzigd was na de terugkeer van [X] vader. Uit de evaluaties van de gezinsvoogd van juli 2000 en juli 2001 volgt dat [X] al voor vertrek uit de Hondsberg met de hoogste urgentie op de wachtlijst van DKJ stond en dat DKJ in december 2000, in afwachting van residentiële plaatsing, intensieve dagelijkse ambulante (thuis)hulp zou bieden. Door personele problemen bij DKJ is de thuisbegeleiding pas in november 2001 gestart. Van november 2000 tot augustus 2001 heeft [X] geen school bezocht. De evaluatie van de gezinsvoogd van juli 2001vemeldt dat [X] destijds is afgewezen in het circuit voor zeer moeilijk lerende kinderen (Z.M.L.K.), dat hij daarom is aangemeld bij de E.J. van Detschool (voor kinderen met complexe problematiek) en ook daar na een intake en observatie is afgewezen. Dit volgt ook uit het gemeenschappelijk rapport uit januari 2001 van de E.J. van Detschool. In dit rapport is geadviseerd [X] onderwijs voor zeer moeilijk opvoedbare kinderen (Z.M.O.K.) te laten volgen. [X] is toen met ingang van de start van het eerstvolgende schooljaar in augustus 2001 op de Z.M.O.K. school de Kleine Prins geplaatst; eerder was daar geen plek. WSSjbjr heeft in verband met deze omstandigheden [X] vader toestemming gegeven om [X] met zijn moeder van mei tot augustus 2001 bij familie in Turkije te laten verblijven. [X] heeft niet concreet en onderbouwd gesteld welke alternatieven WSSjbjr onder de toen gegeven omstandigheden ter beschikking hebben gestaan en ook de deskundigen hebben geen destijds aanwezige reële alternatieven voor deze periode van thuisplaatsing genoemd. Vanaf november 2001 is de ambulante begeleiding van DKJ bij [X] thuis gestart. Omdat de thuissituatie was verslechterd (onder meer door de verergering van de psychische klachten van [X] moeder) is hij op 21 november 2002 geplaatst in de eerder door de Hondsberg geadviseerde kleinschalige residentiële setting, te weten DKJ, locatie Gooioord. Mevrouw [A] was inmiddels betrokken bij het gezin als ambulant begeleider van DKJ. Omdat zij twijfels erover had of [X] behoorde tot de doelgroep van DKJ (verstandelijk gehandicapte kinderen) heeft zij hem volgens haar eigen verklaring laten testen door mevrouw J. Aalbers, orthopedagoge van DKJ (productie 12 bij de dagvaarding in eerste aanleg). Mevrouw Aalbers kon op grond van de resultaten van de afgenomen test en observatie geen gedegen school- en begeleidingsadvies geven. Zij heeft daarom geadviseerd om verder diagnostisch onderzoek en advisering in te zetten, zo volgt uit haar rapport van een op 14 mei 2002 verricht onderzoek. In de evaluatie bij het hulpverleningsplan van 22 augustus 2003 heeft de gezinsvoogd vermeld dat een groot probleem is dat [X] ontwikkeling niet valt te categoriseren binnen vastomlijnde en door instellingen vastgestelde doelgroepcriteria. Het rapport meldt voorts dat het daardoor veel tijd en overlegmomenten vergde om instellingen van het belang van plaatsing te overtuigen. Anders dan [X] heeft betoogd heeft WSSjbjr destijds het advies van mevrouw Aalbers kennelijk wel serieus genomen, en de plaatsing in DKJ Gooioord niet als eindstation willen zien, want [X] is op 10 april 2003 voor observatie, begeleiding en behandeling doorgeplaatst naar pedologisch instituut De Piramide. Daarnaast is getracht een pleeggezin te vinden dat betrokken kon worden bij de hulpverlening vanuit De Piramide, zo blijkt uit de evaluatie van 22 augustus
- Uit hetgeen [X] heeft gesteld noch uit het deskundigenrapport komen concrete en reële alternatieven naar voren voor de door WSSjbjr gemaakte keuzes voor plaatsing in DKJ Gooioord en De Piramide. Naar het hof de specifiek op de plaatsing bij De Piramide gerichte grieven (12 en 13) begrijpt, verwijt [X] WSSjbjr dat zij hem in een klinische groep voor kinderen met een stoornis binnen het autistisch spectrum heeft doen plaatsen, terwijl eerdere onderzoeken autisme al hadden uitgesloten. Het hof concludeert met de deskundigen en op grond van de stukken in het dossier dat met name de zoektocht naar wat met [X] nou precies aan de hand was, en welk opvoedperspectief daarbij passend zou zijn, tot deze (observatie)plaatsing heeft geleid. Ook deze plaatsing kan daarmee naar het oordeel van het hof de toets der kritiek doorstaan. In hun briefrapport van 6 november 2003 verklaren P. Erkelens, kinder- en jeugdpsychiater, en S.M. Meijer, kinder- en jeugdpsychiater i.o., verbonden aan De Piramide, dat de opname in De Piramide per 29 november 2003 is beëindigd daar bij [X] geen sprake is van een aan autisme verwante ontwikkelingsstoornis en hij daarnaast niet goed kon profiteren van hetgeen hun afdeling te bieden had, omdat zijn niveau van functioneren daarvoor te laag bleek te zijn. Geadviseerd is plaatsing in een orthopedagogische setting passend bij het niveau van functioneren, in combinatie met plaatsing op een cluster 4 school. Het evaluatierapport van WSSjbjr over de periode augustus 2003 tot juli 2004 vermeldt dat de aanmelding bij pleegzorg wordt ingetrokken omdat er geen passend pleeggezin te vinden valt. Dat WSSjbjr zich destijds onvoldoende zou hebben ingespannen om een pleeggezin te vinden kan niet worden afgeleid uit [X] enkele, niet nader onderbouwde, stelling. Uit laatstgenoemd evaluatierapport komt verder naar voren dat [X] in november 2003 opnieuw wordt thuisgeplaatst bij gebrek aan plaatsen in passende instellingen (het rapport noemt een aantal concrete aanmeldingen die tot niets hebben geleid). Vanaf 1 november 2004 woonde [X] bij DKJ, locatie Akerwateringstraat. Op 25 september 2005 heeft drs. W. Jacobs een niveauonderzoek (WISC-III) bij [X] gedaan, waaruit is gebleken dat hij inmiddels beschikte over een gemiddelde intelligentie bij een disharmonisch intelligentieprofiel. Het rapport van 5 oktober 2005 van DKJ van de hand van drs. W. Jacobs en dr. G.J. Nijhof vermeldt dat [X] gedrag sinds de plaatsing in deze instelling positief is veranderd. Dezelfde rapporteurs schrijven op 30 november 2005, na onderzoek naar [X] sociaal-emotionele ontwikkeling dat, gelet op de vorderingen in cognitieve vaardigheden, een andere woonsituatie wenselijk is. Dat moest wel een woonomgeving zijn waar hij niet ondergesneeuwd zou worden door andere kinderen en niet op zijn tenen zou hoeven te lopen, aldus deze rapportage. Uit het hulpverleningsplan van 8 september 2006 van WSSjbjr en de evaluatie over de periode augustus 2005 tot september 2006 komt naar voren dat de gezinsvoogd in december 2005 tevergeefs heeft gevraagd naar een plek bij OCK Spalier en Parlan en verder een aantal keer met BJAA heeft overlegd over doorplaatsingsmogelijkheden. Opnieuw waren er wachtlijsten. Uit het mailbericht van BJAA van 27 november 2006 blijkt dat WSSjbjr met BJAA en Spirit op 21 november 2006 hebben overlegd over een passende doorplaatsing. Uit dit bericht volgt dat diverse plaatsingsmogelijkheden onderzocht zijn (toch pleeggezin, buitenregionale plaatsing en gezinsgroepen) maar dat deze ofwel ongeschikt ofwel niet beschikbaar zijn bevonden. Als meest passende mogelijkheid wordt een longstaygroep (met normaal begaafde kinderen) van De Pijler genoemd. Hier was in december 2006 nog geen plaats, maar op 17 februari 2007 kon [X] hier gaan wonen. De stelling van [X] (in grief 19), dat de plaatsing in deze groep niet passend is geweest, kan het hof niet volgen. Dat dit zou volgen uit eerder aangehaald mailbericht van 27 november 2006 is onjuist: hij is niet geplaatst in de in dat bericht genoemde ongeschikte groep. De randnummers 33-41 van de dagvaarding in eerste aanleg waarnaar deze grief verwijst bieden evenmin enig aanknopingspunt voor de conclusie dat de plaatsing in De Pijler niet passend was. Samenvattend concludeert het hof ook over de periode november 2003 tot 17 februari 2007 op basis van het deskundigenrapport en de overige stukken in het dossier dat de keuzes van WSSjbjr te billijken waren, ook al werden daarbij keuzes gemaakt “bij gebrek aan beter”, temeer nu met betrekking tot deze periode door de deskundigen noch [X] concrete en reële alternatieven worden genoemd die WSSjbjr had kunnen inzetten. De vele wisselingen van verblijfplaats en school 2.15.3.8 [X] stelt door de vele wisselingen van verblijfplaats en school in zijn ontwikkeling geschaad te zijn. WSSjbjr had volgens hem van meet af aan niet alleen voor een meer passende, maar ook voor een meer bestendige opvoedomgeving moeten kiezen en heeft zich onvoldoende ingespannen hiervoor. WSSjbjr betwist de stellingen van [X] en meent zich voldoende te hebben ingespannen. 2.15.3.9 [X] is tijdens de uitvoering van de ondertoezichtstelling door WSSjbjr zeven keer van verblijfplaats gewisseld en heeft in die periode op zes verschillende scholen gezeten. Dit heeft bij het hof vragen opgeroepen over de bestendigheid van het door WSSjbjr gevoerde hulpverleningsbeleid. De deskundigen hebben die vragen beantwoord als weergegeven bij overweging 2.10.
- Het hof verwijst bovendien naar de bij overweging 2.10.5 aangehaalde passages uit het deskundigenrapport. Het hof komt op basis van het deskundigenonderzoek en de overige stukken in het dossier tot de constatering dat bij [X] sprake is geweest van een zeer complex beeld waarbij aanvankelijk sprake was van een taalachterstand, cognitieve beperkingen en forse gedragsproblemen. De cognitieve beperkingen en taalachterstand heeft [X] weten te overwinnen. Van gedragsproblemen is na augustus 1997 steeds sprake gebleven en ook nu nog heeft [X] moeite zich staande te houden in de maatschappij, zo heeft hij ook op 27 januari 2020 ter zitting bij het hof verklaard. WSSjbjr heeft in de jaren dat [X] bij haar onder toezicht stond bij nieuwe diagnostische bevindingen/ hypothesen telkens haar beleid aangepast. Het is een uiterst moeizame zoektocht geweest om [X] in te passen in een (jeugd)zorgsysteem dat criteria en grenzen hanteert om te bepalen wat een bij bepaalde problematiek passende omgeving is om op te groeien. WSSjbjr heeft binnen dit systeem volgens de deskundigen onophoudelijk gezocht naar een passende plek of school passend bij het laatst ingewonnen advies. Daarbij is de deskundigen opgevallen dat WSSjbjr niet kenbaar heeft afgewogen dat deze discontinuïteit een ernstige bedreiging voor [X] sociaal-emotionele, en daarmee voor zijn cognitieve, ontwikkeling betekende. Waarbij zij opmerken dat veelvuldige overplaatsingen in de Nederlandse jeugdzorg vaak voorkomen in weerwil van de wetenschap dat dit in principe schadelijk is voor de ontwikkeling van kinderen en jongeren, a fortiori met een verleden van verwaarlozing en traumatisering. Het is dan ook de vraag of WSSjbjr gelet op de op haar rustende bijzondere zorgplicht anders had moeten handelen dan zij heeft gedaan. [X] meent dat dit het geval is. Hij heeft onder meer verwezen naar de door hem bij akte nadere productie van 31 december 2019 ingediende verklaringen (in het bijzonder de verklaringen van prof. dr. J.M.A. Hermanns, Dr. M.F. Delfos en mevrouw [S] ) en betoogd dat een goed alternatief zou zijn geweest om hem in een netwerk- of ander (gespecialiseerd) pleeggezin te plaatsen. Hij heeft ook gewezen op een notarieel vastgelegde verklaring van zijn grootvader van moederskant van 22 februari
- De grootvader heeft verklaard dat hij en zijn echtgenote herhaaldelijk hebben aangeboden om [X] op te vangen. Naar het hof begrijpt beoogt [X] hiermee te stellen dat een netwerkpleeggezin beschikbaar was en dat WSSjbjr onderzoek had moeten doen naar de mogelijkheden hem daar te plaatsen. WSSjbjr heeft betwist dat een netwerk pleeggezin beschikbaar was en heeft bovendien aangevoerd dat plaatsing in een gezin door de Hondsberg en Pleegzorg werd afgeraden. 2.15.3.10 Het hof is van oordeel dat de beschikbaarheid noch de geschiktheid van het netwerk voor opvang van [X] met de enkele verklaring van [X] grootvader voldoende is onderbouwd en neemt daarbij het volgende in aanmerking. In de door [X] overgelegde productie 39, (kennelijk een verslag van de gezinsvoogd van SiJA uit 1997) is vermeld dat gesproken is met een broer en zus van [X] vader, dat de familie graag betrokken wil blijven en dat zij begrijpen dat [X] niet bij hen thuis zal kunnen wonen. In het eerste hulpverleningsplan van WSSjbjr van juli 1998 is beschreven dat [X] moeder destijds geen familie in Nederland had, dat zij had gebroken met de familie van zijn vader en dat de grootouders van moederskant uit Turkije zijn overgekomen om hun dochter te steunen. Het perspectief voor [X] was toen nog uitdrukkelijk thuisplaatsing bij de moeder (pagina 8, onder 1, van het hulpverleningsplan juli 1998) en dat was ook de wens van [X] moeder. Uit het onderzoek van de Hondsberg moest blijken hoe met de gedragsproblemen van [X] kon worden omgegaan. In de evaluatie van WSSjbjr van 26 augustus 1999 staat vermeld dat de grootouders van moederskant om beurten ter ondersteuning van de moeder vanuit Turkije naar Nederland komen. De evaluatie van juli 2000 vermeldt dat behoudens de gezinsvoogd niemand bij [X] op bezoek kwam of hem kaartjes stuurde. In de plannen, noch in de overige stukken in het geding, is een aanwijzing te vinden voor de stelling dat [X] familieleden reëel beschikbaar zijn geweest om [X] in hun gezin op te nemen. Ten aanzien van de mogelijkheden om [X] in een pleeggezin buiten het netwerk te plaatsen is hiervoor bij overweging 2.15.3.7 reeds overwogen dat deze telkens afstuitten op contra-indicaties en/of wachtlijsten. Daarbij hebben de deskundigen verklaard dat, al zou WSSjbjr [X] destijds in een pleeggezin (in het netwerk of anderszins) hebben geplaatst, het risico reëel was dat met het complexe beeld dat [X] liet zien ook dat geen passende en daarmee geen bestendige plaatsing zou zijn. 2.15.3.11 Ook ten aanzien van de schoolgang van [X] komt het hof tot de conclusie dat het handelen van WSSjbjr de toets der kritiek kan doorstaan. Zoals de deskundigen hebben gerapporteerd heeft WSSjbjr binnen de beperkingen van het systeem onophoudelijk gezocht naar een passende school, passend bij het laatst ingewonnen advies. Daarmee heeft WSSjbjr voldoende getracht [X] recht op onderwijs te realiseren. Van een schending van artikel 28 IVRK, zoals [X] heeft aangevoerd, is dan ook geen sprake. [X] heeft voorts erop gewezen dat het feit dat hij in de periode van 13 november 2000 tot 15 augustus 2001 geen onderwijs heeft genoten een schending van artikel 2 lid 1 van de Leerplichtwet 1969 oplevert. Gelet op het bovenstaande is het hof echter met de rechtbank van oordeel dat WSSjbjr conform artikel 2 lid 2 van die wet daarvoor niet verantwoordelijk kan worden geacht. 2.15.3.12 Hetgeen hiervoor is overwogen brengt het hof reeds tot de conclusie dat de grieven 5 tot en met 23 en 25 niet slagen. Daarbij overweegt het hof - ook met het oog op de grieven 21, 22 en 23 - nog het navolgende. 2.16 Het hof constateert dat WSSjbjr gedurende de uitvoering van de ondertoezichtstelling van [X] bij herhaling genoodzaakt is geweest om tussen verschillende kwaden te kiezen. WSSjbjr heeft zich bij deze keuzes telkens voldoende rekenschap gegeven van haar uit artikel 23 van de Wet op de jeugdhulpverlening en uit artikel 5 Wet op de jeugdzorg voortvloeiende wettelijke taak en dat bij die taak hoorde dat, waar het kon, zorggedragen moest worden voor een plaatsing thuis, of zo dicht mogelijk bij huis en voor een plaatsing die passend en duurzaam kon zijn en voldeed aan de eis dat zij voor de jeugdige de meest aangewezene was te achten. WSSjbjr heeft zich daarvoor steeds voldoende ingespannen. 2.17 Wel heeft WSSjbjr (en daarmee [X] ) beperkingen ervaren van de inrichting van het systeem van jeugdzorg gedurende de periode die hier in geding is. Deze beperkingen betroffen met name het gebrek aan beschikbaarheid van geschikte plaatsen waar een kind als [X] - dat een complexe ontwikkelingshistorie heeft en in zijn ontwikkeling een beeld laat zien dat niet onder één noemer valt te brengen - langdurig kan opgroeien. Zoals hiervoor al is overwogen, kan WSSjbjr daarvoor niet aansprakelijk gehouden worden. WSSjbjr heeft binnen dit systeem bij het maken en uitvoeren van haar keuzes de op haar rustende bijzondere zorgplicht naar behoren nageleefd en heeft daarbij ook in voldoende mate voldaan aan zijn uit artikel 3, 9 en 20 IVRK voortvloeiende verplichtingen. Niet kan worden volgehouden dat WSSjbjr bij de uitvoering van de ondertoezichtstelling het belang van [X] niet steeds een overweging van de eerste orde heeft laten zijn of onvoldoende heeft getracht de zorg voor hem te waarborgen. [X] heeft nog aangevoerd dat de rechtbank alle over hem gestelde diagnoses, alle plaatsingen en alle behandelingen ten onrechte niet (ook) als één geheel heeft bezien. Dit betoog faalt reeds omdat geen van de daarmee verband houdende beslissingen van WSSjbjr als onzorgvuldig kan worden aangemerkt. Voor zover [X] heeft willen aanvoeren dat de rechtbank aldus artikel 6 EVRM heeft geschonden, faalt dit betoog. Dat het geheel voor [X] zeer frustrerend heeft uitgepakt en het voelt alsof hem zijn jeugd is ontnomen, is invoelbaar en valt zonder meer te betreuren, maar is niet te wijten aan onrechtmatig handelen van WSSjbjr. Dat WSSjbjr, zoals [X] onder verwijzing naar een rapport van Defence for Children International heeft gesteld, desnoods een procedure tegen de Staat had moeten starten, bijvoorbeeld om een gewenste plek op school of in een pleeggezin af te dwingen, wijst het hof van de hand. Nog daargelaten of een dergelijke procedure voor [X] daadwerkelijk tot betere uitkomsten had geleid, reikt de bijzondere zorgplicht van WSSjbjr voor de aan haar zorg toevertrouwde minderjarigen niet zo ver. 2.18 In zijn grieven heeft [X] nog een beroep gedaan op artikel 39 IVRK, inhoudende dat de verdragsluitende Staten alle passende maatregelen nemen ter bevordering van het lichamelijk en geestelijk herstel en de herintegratie in de maatschappij van een kind dat het slachtoffer is van welke vorm ook van verwaarlozing, zoals [X] . Uit het voorgaande volgt echter dat WSSjbjr daarin niet is tekortgeschoten, zodat het beroep op deze bepaling reeds om deze reden niet kan slagen. 2.19 [X] heeft in grief 24, herhaald in de memorie na deskundigenbericht, bewijs door het horen van getuigen aangeboden. Zijn aanbod houdt in de volgende stellingen te bewijzen door middel van elf bij name genoemde getuigen: a. WSSjbjr heeft onrechtmatig gehandeld; b. WSSjbjr heeft de op haar rustende zorgplicht jegens [X] niet in acht genomen; c. WSSjbjr heeft [X] in instellingen geplaatst die niet aansloten bij zijn behoefte op dat moment; d. WSSjbjr heeft de uitkomsten van het onderzoek, gezien de geschiedenis van [X] , onjuist geïnterpreteerd; e. WSSjbjr heeft ten onrechte niet gezorgd dat [X] terwijl hij onder haar toezicht stond (passend) onderwijs kon genieten; f. WSSjbjr heeft in strijd met het IVRK gehandeld; g. [X] heeft schade geleden. Het hof passeert dit aanbod. De onderdelen a., b. en f daarvan betreffen in wezen geen te bewijzen feiten en zijn bovendien te ongespecificeerd. Voor onderdeel d. geldt dat het reeds moet worden gepasseerd omdat niet duidelijk wordt gemaakt welk onderzoek wordt bedoeld. Voor de onderdelen c., e. en g. geldt dat zij evenmin voldoende specifiek zijn en, gezien het bovenstaande, niet ter zake dienend zijn. Voor zover al kan worden geconcludeerd dat [X] in instellingen is geplaatst die niet aansloten op zijn toenmalige behoeften en geen (passend) onderwijs heeft genoten, volgt uit het voorgaande immers dat dat geen onrechtmatig handelen van WSSjbjr oplevert. Gezien het hiervoor overwogene kan voorts in het midden blijven of en in hoeverre [X] schade heeft geleden. 2.20 De grieven slagen niet. Het hof zal het bestreden vonnis bekrachtigen. Proceskosten en kosten deskundigen 2.21 Het hof zal, gelet op de uitkomst van de procedure, [X] veroordelen in de proceskosten van WSSjbjr in hoger beroep en voorts in de kosten van het deskundigenbericht. De kosten van de deskundigen zal het hof bepalen op het bij factuur van 14 februari 2019 gedeclareerde bedrag van € 19.162,
- Dit bedrag is gelijk aan de begroting van de kosten, zoals deze bij brief van het hof van 29 januari 2018 aan [X] is gezonden. [X] heeft geen gebruik gemaakt van de hem door het hof bij deze brief geboden gelegenheid om te reageren op de begroting. De deskundigen hebben zich naar behoren van hun taak gekweten. Gelet op dit alles gaat het hof voorbij aan het commentaar van de advocaat van [X] van 10 april 2019 op de declaratie. 2.22 Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing. 3Beslissing Het hof: bekrachtigt het vonnis waarvan beroep; veroordeelt [X] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van WSSjbjr begroot op € 711,- aan verschotten en € 3.222,- aan salaris advocaat; verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad; stelt de kosten van de deskundigen vast op € 19.162,50 en veroordeelt [X] tot betaling daarvan door storting van dit bedrag ter griffie van dit hof aan de hand van de nota die het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak zal toesturen; wijst af het in hoger beroep meer of anders gevorderde. Dit arrest is gewezen door mrs. M.F.G.H. Beckers, A.V.T. de Bie en H.A. van den Berg, en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 26 mei 2020.