afdeling strafrecht parketnummer: 23-004610-17 datum uitspraak: 28 mei 2020 TEGENSPRAAK Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 21 december 2017 in de strafzaak onder parketnummer 15-800342-17 tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] (Iran) op [geboortedag] 1982, adres: [adres]. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 29 januari 2019 en 14 mei 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte, diens raadsman, de benadeelde partij en zijn gemachtigde naar voren is gebracht. Vonnis waarvan beroep Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen, behalve ten aanzien van de beslissing ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij en de opgelegde schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht (Sr) – in zoverre zal het vonnis worden vernietigd – en met dien verstande dat het hof de in het vonnis onder 3.4 (bewijsoverweging), 5 (strafbaarheid van de verdachte) en 6 (motivering van de sanctie) opgenomen overwegingen vervangt door de onderstaande. Bewijsoverweging Op grond van de stukken van het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep neemt het hof als vaststaand aan dat de verdachte de aangever [aangever] op 4 september 2017 heeft aangevallen in een bakkerij te Alkmaar. De verdachte is, toen hij de bakkerij binnenkwam, meteen afgelopen op de aangever, die daar op dat moment met zijn rug naar de verdachte gekeerd stond. Vervolgens heeft hij de aangever direct met kracht met de vuist tegen het hoofd geslagen. De aangever is door die klap op de grond beland. Vervolgens heeft de verdachte de aangever, terwijl laatstgenoemde op de grond lag, meermalen met geschoeide voet, met kracht tegen zijn hoofd geschopt. Dat dit met veel kracht is gebeurd, leidt het hof af uit de omstandigheid dat de verdachte zijn been daarbij eerst naar achteren heeft gebracht en vervolgens, met veel snelheid, weer naar voren heeft bewogen, en uit de verklaring van de ooggetuige [ooggetuige] dat het net leek alsof de verdachte de aangever wilde vermoorden, zo hard trapte hij tegen het hoofd van de aangever. Het is een feit van algemene bekendheid dat het hoofd een (zeer) kwetsbaar en vitaal gedeelte van het menselijk lichaam is. Door iemand meermalen met geschoeide voet en met veel kracht tegen het hoofd te schoppen, wordt naar algemene ervaringsregels de aanmerkelijke kans op (schedel- of hersen)letsel met dodelijke afloop in het leven geroepen. Daarmee pleegt een ieder bekend te zijn; er is geen reden om te veronderstellen dat dit niet voor de verdachte gold. De gedragingen van de verdachte kunnen naar het oordeel van het hof naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer te zijn gericht op de dood van de aangever dat het, behoudens aanwijzingen voor het tegendeel, niet anders kan zijn dan dat hij willens en wetens de aanmerkelijke kans op dat gevolg heeft aanvaard. Voor contra-indicaties ziet het hof geen aanwijzingen. Gelet op het voorgaande, is het hof van oordeel dat de verdachte met zijn gedragingen willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de aangever hierdoor zou overlijden, zodat minst genomen sprake is van voorwaardelijk opzet op diens dood. Het hof acht derhalve wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan. Hetgeen de raadsman heeft aangevoerd omtrent het ten laste gelegde bestanddeel ‘opzet’ maakt het voorgaande (bepaald) niet anders. In het betoog van de raadsman wordt namelijk miskend dat opzet (willen en weten) en schuld in de zin van verwijtbaarheid twee van elkaar te onderscheiden figuren zijn. Op de schulduitsluitingsgronden waarop namens de verdachte een beroep is gedaan, zal bij de overwegingen omtrent de strafbaarheid van de verdachte worden ingegaan. Strafbaarheid van de verdachte Niet toerekenen op grond van artikel 39 Sr De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep – mede onder verwijzing naar de inhoud van de (in eerste aanleg bij pleidooi overgelegde) ongedateerde brief van de voormalig behandeld psycholoog van de verdachte [verdachte 2] – betoogd dat de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat het ten laste gelegde hem gelet op het bepaalde in artikel 39 Sr niet kan worden toegerekend. Het hof overweegt dienaangaande als volgt. In hoger beroep is op verzoek van de verdediging omtrent de persoon van de verdachte op 4 september 2019 een rapport uitgebracht door psycholoog [naam ]. Deze heeft geconcludeerd dat de verdachte niet lijdt aan een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens en dat hij dit ten tijde van het ten laste gelegde evenmin deed. Indien het ten laste gelegde bewezen wordt verklaard, kan dit de verdachte volledig worden toegerekend, aldus [naam ]. Het hof ziet geen reden om aan de deskundigheid van [naam ] te twijfelen. Ook de verdediging heeft diens deskundigheid niet in twijfel getrokken. Nu de conclusies van de gedragskundige voorts worden gedragen door zijn bevindingen, neemt het hof die over en maakt deze tot de zijne. Ten aanzien van hetgeen de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep heeft gesteld met betrekking tot het bestaan van PTSS-klachten bij de verdachte, merkt het hof op dat [naam ] in zijn rapport goed inzichtelijk heeft gemaakt dat en waarom bij de verdachte géén sprake is (geweest) van een posttraumatische stressstoornis en dat, zelfs al zou een dergelijke stoornis zijn vastgesteld, het maar zeer de vraag is of in dat geval sprake zou zijn van doorwerking daarvan in het ten laste gelegde. Het hof wijst in dit verband op de navolgende passages uit het desbetreffende rapport (pagina’s 27 en 28): “Wat betreft de beoordeling van de vraag of er bij betrokkene sprake is van een posttraumatische stressstoornis (PTSS), kan het volgende worden overwogen. Betr. presenteert een beperkt aantal klachten in de vorm van slaapproblemen, nachtmerries en overtrokken waakzaamheid en alertheid. Betr. heeft daar tot op heden last van, en de klachten waren ook aanleiding om professionele hulp te zoeken, die hij ook gekregen heeft. De klachten hebben niet geleid tot een chronisch disfunctioneren en er is geen aanleiding om te denken dat de klachten zo ernstig waren - en de behandeling zo effectief - dat betr. louter bij de gratie van die behandeling een (ernstig) disfunctioneren heeft kunnen voorkomen. Daarbij komt dat de klachten die betr. noemt slechts een beperkt deel van het spectrum van een PTSS beslaan. Er is geen sprake van (intens) beangstigende herbelevingen, pathologisch vermijdingsgedrag of een overmatige paranoïde en agressieve prikkelbaarheid. Op grond van deze overwegingen wordt geconcludeerd dat betr. niet lijdt aan een PTSS. In samenhang met de conclusie dat er geen sprake is van een stoornis op het vlak van de persoonlijkheid, noch van andere vormen van psychische pathologie, wordt geconcludeerd dat betr. niet lijdt aan een psychische stoornis, in welke vorm of van welke aard dan ook. Bij afwezigheid van een psychische stoornis kan die logischerwijs ook niet doorgewerkt hebben in het tenlastegelegde. Aldus wordt geconcludeerd dat het tenlastegelegde — indien bewezen — betr. volledig kan worden toegerekend. Daarbij de overweging dat het, ook indien een PTSS zou zijn vastgesteld, nog maar zeer de vraag is of er in dat geval een doorwerking van de PTSS in het tenlastegelegde zou kunnen worden aangetoond. Op basis van alle beschikbare informatie (over het tenlasegelegde) is immers (veel) aannemelijker dat boosheid en frustratie over het optreden van het OM inzake betr.’s aangifte een centrale rol spelen bij de totstandkoming van het tenlastegelegde, dan dat angst een substantiële laat staan centrale rol speelt bij de totstandkoming van het tenlastegelegde”. Naar het oordeel van het hof vormt de inhoud van het verslag van de behandelend psycholoog [verdachte 2], die geen kennis heeft gehad van het voorliggende dossier en kennelijk slechts is afgegaan op de mededelingen die de verdachte haar in twee gesprekken (intake en eerste diagnostiek) heeft gedaan, onvoldoende aanleiding om te twijfelen aan de weergegeven overwegingen en conclusies van de forensisch gedragskundige [naam ]. De niet nader onderbouwde suggestie van de raadsman dat de PTSS vanwege de succesvolle behandeling van [verdachte 2] in 2019 niet (goed) meer door [naam ] kon worden gedetecteerd, vormt dit evenmin, te minder omdat [naam ] blijkens zijn rapport ook kennis heeft kunnen nemen van de (uitvoerige) aanmeldingsbrief en een voortgangsverslag van [verdachte 2]. Het voorgaande leidt het hof tot de conclusie dat het bewezen verklaarde aan de verdachte kan worden toegerekend. Het beroep op artikel 39 Sr faalt. Psychische overmacht (artikel 40 Sr) De raadsman heeft op de terechtzitting in hoger beroep, opnieuw onder verwijzing naar het verslag van [verdachte 2], voorts gesteld dat de verdachte met vrucht een beroep kan doen op de schulduitsluitingsgrond psychische overmacht. Het hof verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt. Voor een geslaagd beroep op psychische overmacht moet sprake zijn van een van buiten komende drang waaraan de verdachte redelijkerwijs geen weerstand kon en ook niet behoefde te bieden. De door de raadsman in dit verband genoemde omstandigheden kunnen, mede in het licht van de bevindingen van [naam ] in het hiervoor genoemde rapport, grotendeels niet worden getypeerd als een van buiten komende drang, maar juist als een van binnen komende drang (in de vorm van onvrede en frustraties ten gevolge van een eerder gewelddadig handelen van de aangever jegens de verdachte op 9 oktober 2014 en het aanvankelijke uitblijven van een beslissing tot vervolging van de aangever) die bij de verdachte bij een weerzien met de aangever heeft geleid tot een impulsdoorbraak. Wel heeft de raadsman nog gewezen op de bedreigingen die (naar het hof begrijpt: door de aangever) zouden zijn geuit in de richting van de moeder en vrienden van de verdachte, maar niet aannemelijk is geworden dat het gewraakte handelen van de verdachte onder invloed daarvan tot stand is gekomen, mede omdat uit zijn op de terechtzitting in eerste aanleg afgelegde verklaring naar voren komt dat die (vermeende) dreigementen van na 4 september 2017 dateren. Ook anderszins is geen exceptionele, van buiten komende drang waaraan de verdachte redelijkerwijze geen weerstand kon c.q. behoefde te bieden aannemelijk geworden. Afwezigheid van alle schuld Voor zover de raadsman in de vorm van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt heeft willen betogen dat de verdachte een beroep op afwezigheid van alle schuld (AVAS) toekomt, overweegt het hof dat geen omstandigheden zijn aangevoerd noch aannemelijk zijn geworden die een beroep op deze schulduitsluitingsgrond kunnen dragen. Besluit Ook overigens is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte hiervoor strafbaar is. Oplegging van straf De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en daaraan als bijzondere voorwaarde verbonden een contactverbod met de aangever. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en daaraan als bijzondere voorwaarde verbonden een contactverbod met de aangever. De raadsman heeft het hof, bij wijze van strafmaatverweer, primair verzocht een gevangenisstraf op te leggen waarvan het onvoorwaardelijke gedeelte gelijk is aan de tijd die de verdachte in de onderhavige zaak in voorarrest heeft verbleven. Subsidiair heeft hij verzocht op grond van artikel 9a Sr geen straf of maatregel aan de verdachte op te leggen. Daartoe heeft hij onder meer aangevoerd dat (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.