beschikking GERECHTSHOF AMSTERDAM rekestnummer: 000516-19 (art. 575 Sv) parketnummer in hoger beroep: 23-000994-10 Beschikking op het bezwaarschrift van 26 april 2019 op de voet van artikel 575 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van: [veroordeelde] , geboren te [geboorteplaats] [geboortedag] 1963, adres: [adres], hierna te noemen: veroordeelde. 1
- Inhoud bezwaarschrift Het bezwaarschrift van veroordeelde van 26 april 2019 strekt tot beëindiging van de tenuitvoerlegging van het dwangbevel van 16 april
- 2Procesgang Het hof heeft kennisgenomen van de relevante stukken in de strafzaak onder bovengenoemd parketnummer. Het hof heeft op 15 mei 2020 ter gelegenheid van de openbare behandeling van het klaagschrift de advocaat van klager, mr. E.M.J. Thomas, en de advocaat-generaal in raadkamer gehoord. 3
- Beoordeling Bij arrest van dit gerechtshof van 16 maart 2012, onherroepelijk geworden op 4 november 2014, is aan de verzoeker een betalingsverplichting wegens wederrechtelijk verkregen voordeel opgelegd voor een bedrag van € 56.557,
- Bij dwangbevel van 16 april 2019 is bevolen dat het openstaande bedrag op veroordeelde wordt verhaald. Blijkens het door het CJIB opgemaakte Commentaar naar aanleiding van verzet tegen dwangbevel van 12 juni 2019 is het CJIB met de veroordeelde op 12 maart 2018 een voorlopige betalingsregeling overeengekomen voor een periode van 22 maanden. Op 16 april 2019 heeft het CJIB middels uitvaardiging van een dwangbevel de betalingsregeling voortijdig beëindigd. De aanleiding voor die beslissing blijkt niet uit voormeld Commentaar. Bij de behandeling van het bezwaarschrift ter zitting in raadkamer van dit hof van 28 juni 2019 heeft de advocaat-generaal een proces-verbaal van verdenking van witwassen van 8 april 2019 overgelegd. Dat proces-verbaal ligt ten grondslag aan het dwangbevel en de beslaglegging op het huis van de veroordeelde, aldus de advocaat-generaal. De raadsman heeft voorafgaand aan de zitting van 15 mei 2020 een kennisgeving sepot van 27 augustus 2019 overgelegd. Uit die kennisgeving blijkt dat de officier van justitie heeft geoordeeld dat er onvoldoende bewijs is met betrekking tot het proces-verbaal van verdenking witwassen van 8 april 2019, zodat van strafvervolging ter zake wordt afgezien. Nu een verdenking van witwassen ten grondslag lag aan het dwangbevel, en die verdenking is geëindigd met een sepotbeslissing, is de grondslag aan het dwangbevel komen te ontvallen. Het hof zal daarom het verzet van de veroordeelde tegen de tenuitvoerlegging van het dwangbevel gegrond verklaren. 4Beslissing Het hof: Verklaart het verzet tegen de tenuitvoerlegging van het op 16 april 2019 uitgevaardigde dwangbevel gegrond. Beveelt de onverwijlde betekening van deze beschikking aan de veroordeelde. Deze beschikking is gegeven door de meervoudige raadkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. P.C. Römer, mr. J.L. Bruinsma en mr. E. van Die, in tegenwoordigheid van mr. A.N. Biersteker, griffier, is ondertekend door de voorzitter en de griffier en is uitgesproken op de openbare zitting van dit hof van 29 mei 2020.