GERECHTSHOF AMSTERDAM Afdeling civiel recht en belastingrecht Team III (familie- en jeugdrecht) Zaaknummer: 200.254.838/01 Zaaknummer eerste aanleg: C/15/251130 / FA RK 16-6734 en C/15/269455 / FA RK 18-417 beschikking van de meervoudige kamer van 26 mei 2020 inzake [de man] , wonende te [plaats A] , gemeente [gemeente] , verzoeker in het principaal hoger beroep, verweerder in het incidenteel hoger beroep, verder te noemen: de man, advocaat: mr. J.H. Heerebout te Nieuw-Vennep, gemeente Haarlemmermeer, tegen [de vrouw] , wonende te [plaats B] , gemeente [gemeente] , verweerster in het principaal hoger beroep, verzoekster in het incidenteel hoger beroep, verder te noemen: de vrouw, advocaat: mr. D.E. Lof te Nieuw-Vennep, gemeente Haarlemmermeer. 1Het verloop van het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Noord-Holland (locatie: Haarlem) (hierna: de rechtbank) van 4 april 2018 en 21 november 2018, uitgesproken onder voormelde zaaknummers. 2Het geding in hoger beroep 2.1. De man is op 20 februari 2019 in hoger beroep gekomen van de beschikkingen van 4 april 2018 en 21 november 2018. 2.2. De vrouw heeft op 6 mei 2019 een verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep ingediend. 2.3. De man heeft op 17 juni 2019 een verweerschrift op het incidenteel hoger beroep alsmede akte uitlating nieuwe stellingen, overlegging producties en vermeerdering van eis ingediend. 2.4. De mondelinge behandeling heeft op 30 september 2019 plaatsgevonden. Ter terechtzitting zijn verschenen: - de man, bijgestaan door zijn advocaat; - de vrouw, bijgestaan door haar advocaat. 3De feiten 3.1. Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast. 3.2. Partijen zijn gehuwd [in] 2000 in [plaats] , Iran. Zij hebben de Nederlandse en Iraanse nationaliteit. Het huwelijk is op 16 juli 2018 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 4 april 2018 in de registers van de burgerlijke stand. 3.3. Partijen zijn de ouders van: [kind 1] , geboren [in] 2002 te [geboorteplaats] en [kind 2] , geboren [in] 2008 in de gemeente [gemeente] . 3.4. Partijen hebben ten tijde van het huwelijk huwelijkse voorwaarden, een zogenaamd Marriage Certificate, gesloten (hierna: het Marriage Certificate). In de Engelse vertaling daarvan staat onder meer: (…) Marriage Portion: A volume of Glorious Koran valued 30,000 rials, inclusive of 314 Bahar Azadi Gold coins, which should be submitted to the wife upon her demand by husband, (…) Conditions provided in or by a collateral binding contract: The wife has stipulated a condition that the in case the divorce is not petitioned by her and when the divorce petition has not been filed due to wife’s failure or matrimonial obligations or her misconduct as judged by the court, the husband shall have to transfer to the wife, free of consideration, half of the property he has acquired during the course of their married life or equivalent of that at the court discretion. The husband has irrevocably empowered the wife the right of substitution to file a petition of divorce with court in the following cases so as to obtain an authorization (…) to cause herself to be divorced and to accept any bestowal should this be made by the husband. [Hof: volgt een opsomming van 12 situaties] (…)”. 3.5. De man heeft in 1998 een woning aan de [a-straat] in [plaats A] in eigendom verkregen (hierna: de woning). Op 4 mei 2001 hebben partijen een hypothecaire lening gesloten waarbij een recht van hypotheek is verleend op onder andere de woning tot een bedrag van totaal fl. 51.800,-. Op de woning rustte toen al een eerste hypotheek, oorspronkelijk in hoofdsom groot fl. 192.000.-. 3.6. Bij vonnis in kort geding van 19 april 2019 heeft de voorzieningenrechter onder meer de vrouw verboden de executie (veiling) van de woning voort te zetten totdat de eindbeschikking in de onderhavige hoger beroep procedure is gevallen, maar heeft toegelaten dat het door haar gelegde executoriale beslag op de woning wordt gehandhaafd. 4De omvang van het geschil 4.1. Bij de bestreden beschikkingen is, voor zover thans in hoger beroep van belang, op verzoek van de vrouw de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en is bepaald dat de man aan de vrouw in het kader van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden zal voldoen een bedrag van € 74.000,- alsmede de waarde van ‘314 Bahar Azidi Gold coins’. 4.2. De man verzoekt in principaal hoger beroep, met vernietiging van de bestreden beschikkingen (naar het hof begrijpt) in zoverre en opnieuw rechtdoende, te bepalen dat de man geen vermogensbestanddelen aan de vrouw is verschuldigd. Bij vermeerdering van eis heeft de man verzocht te bepalen dat al hetgeen op grond van de vonnissen van de rechtbank Noord-Holland van 4 april 2018 en 21 november 2018 door de man aan de vrouw is betaald door haar wordt terugbetaald aan de man, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum betaling/invordering, uitvoerbaar bij voorraad. 4.3. De vrouw verzoekt in principaal hoger beroep het verzoek van de man af te wijzen. In incidenteel hoger beroep verzoekt zij te bepalen dat de bestreden beschikking van 21 november 2018 wordt aangevuld in die zin dat de waarde van de bruidsschat wordt bepaald op € 99.000,-, dan wel een bedrag dat het hof juist acht. Voorts verzoekt zij te bepalen dat de man de vrouw moet laten ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de gezamenlijke hypotheek, uiterlijk binnen drie maanden na de datum van de uitspraak in de onderhavige zaak, op straffe van een dwangsom van € 500,- voor elke dag dat de man niet voldoet aan deze opdracht. 4.4. De man verzoekt in incidenteel hoger beroep de verzoeken van de vrouw af te wijzen. 5De motivering van de beslissing 5.1. In hoger beroep staat niet langer ter discussie dat op het tussen partijen geldende huwelijksvermogensregime Iraans recht van toepassing is. Het Iraanse huwelijksvermogensrecht kent geen huwelijksgoederengemeenschap. 5.2. De man is tegen de bestreden beschikkingen opgekomen met 6 grieven, de vrouw met 2 grieven. Deze worden hierna besproken. 5.3.1. De grieven 1 tot en met 3 van de man zal het hof gezamenlijk beoordelen. Deze grieven richten zich tegen de overwegingen van de rechtbank in de beschikking van 4 april 2018, die – samengevat – erop neerkomen dat de hiervoor onder 3.4 aangehaalde bepaling a. uit het Marriage Certificate discriminerend is jegens de vrouw omdat, nu zij het verzoek tot echtscheiding heeft ingediend, zij op grond van de bepaling geen recht heeft op de helft van het vermogen dat de man tijdens huwelijk heeft opgebouwd, terwijl een daarmee overeenkomstige bepaling niet van toepassing is op de man (grief 1) en omdat het beginsel van lotsverbondenheid bij huwelijk meebrengt dat (wederzijdse) verplichtingen ook na ontbinding van het huwelijk nog voortduren (grief 2) en tegen het oordeel van de rechtbank dat hetgeen in de loop van het huwelijk door partijen is verkregen bij helfte dient te worden verdeeld (grief 3). De man betoogt dat de vrouw door de bepaling niet wordt gediscrimineerd. In de huwelijkse voorwaarden is er sprake van koude uitsluiting, haar vermogen wordt bij een scheiding nooit verminderd en zij hoeft haar vermogen bij een scheiding niet af te dragen. Op een verzoek tot echtscheiding, gedaan door de vrouw of wangedrag van de vrouw staat geen sanctie, anders dan op dat van de man. De man moet vermogen afdragen als hij wil scheiden of als er is voldaan aan een van de twaalf in het Marriage Certificate opgenomen gedragingen of situaties aan de zijde van de man. De vrouw verliest bij een scheiding geen rechten, zij heeft immers vermogen onder opschortende voorwaarden om niet verkregen. Er is geen sprake van afbreuk van de Nederlandse rechtsorde. De lotsverbondenheid speelt een rol bij de verplichting tot levensonderhoud en niet bij de afwikkeling van het huwelijksvermogen. Bovendien heeft de vrouw alle voordelen gekregen van de Nederlandse verzorgingsstaat door het huwelijk. De man is er niet op vooruit gegaan zodat de lotsverbondenheid van zijn kant voldoende invulling heeft gekregen. De rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat hetgeen in de loop van het huwelijk is verkregen bij helfte dient te worden verdeeld. Op grond van de voornoemde bepaling krijgt bij scheiding hooguit de vrouw vermogen maar hoeft zij nooit iets af te staan bij scheiding. De bepaling beschermt de vrouw. De rechtbank is voorbij gegaan aan het door beide partijen overeengekomen contract en overweegt ten onrechte dat sprake is van “strijd met de openbare orde”. 5.3.2. De vrouw voert aan dat de bepaling discriminerend is voor de vrouw en dat deze derhalve ter zijde moet worden geschoven. In Iran werkt de vrouw niet en de man wel. De man kan dus vermogen opbouwen en de vrouw niet. De bepaling brengt mee dat bij scheiding in bepaalde gevallen het vermogen moet worden verdeeld tussen de gehuwden. Op die manier wordt het door partijen opgebouwde vermogen tijdens huwelijk verdeeld. Het is discriminerend dat het vermogen van de man niet wordt verdeeld indien de vrouw de echtscheiding verzoekt. De vrouw heeft de zorgtaken op zich genomen waarvan de man en de vrouw hebben geprofiteerd en gezamenlijk vermogen hebben opgebouwd. Naderhand is ook de vrouw gaan werken (in deeltijd). Als de bepaling ter zijde wordt geschoven geldt Nederlands recht en daarmee de redelijkheid en billijkheid. Voorts betoogt de vrouw dat de huwelijkse voorwaarden buiten toepassing moeten worden gelaten, aangezien het in strijd is met de redelijkheid en billijkheid om de vrouw wel aansprakelijk te laten zijn voor de hypotheekschuld, maar haar niet te laten meeprofiteren van de waardestijging van de woning die mogelijk werd vanwege de gezamenlijke hypotheek. 5.3.3. De vraag dient beantwoord te worden of de hierboven onder 3.4 na a. aangehaalde bepaling discriminerend is jegens de vrouw, in welk geval deze bepaling in strijd zou kunnen zijn met in Nederland geldende rechtsbeginselen. Nog afgezien van de vraag wat hiervan de (rechts-)gevolgen zouden zijn voor de financiële afwikkeling tussen partijen is naar het oordeel van het hof van discriminatie geen sprake. Daartoe overweegt het hof als volgt. In beginsel geldt tussen partijen koude uitsluiting hetgeen meebrengt dat partijen geen recht hebben op elkaars vermogen tijdens huwelijk, ook niet na echtscheiding. Partijen hebben in hun huwelijkse voorwaarden een uitzondering opgenomen, zoals hiervoor onder 3.4 vermeld. De tekst van de bepaling is duidelijk. Op grond van de bepaling zal de vrouw bij een scheiding in bepaalde omstandigheden een deel van het vermogen van de man verkrijgen. De man zal bij een scheiding onder geen enkele omstandigheid een gedeelte van het vermogen van de vrouw verkrijgen. De bepaling bevat geen bedingen op grond waarvan de vrouw in het geval van een scheiding in haar dan bestaande vermogenspositie wordt geschaad ten opzichte van de man. Dat, zoals de vrouw stelt, de vrouw in Iran niet zou werken en derhalve, anders dan de man die wel werkt, geen vermogen opbouwt, betekent niet dat de bepaling op zichzelf bezien discriminerend is. Zonder deze bepaling zou de vrouw immers, vanwege de koude uitsluiting, evenmin aanspraak kunnen maken op een deel van het vermogen van de man. Dat de vrouw geen recht heeft op de helft van het vermogen van de man indien zij de echtscheiding aanvraagt, acht het hof dan ook niet discriminerend. De bepaling geldt derhalve onverkort tussen partijen. Het betoog van de vrouw dat op grond van de redelijkheid en billijkheid de huwelijkse voorwaarden buiten toepassing moeten worden gelaten en het door partijen opgebouwde vermogen dient te worden verdeeld slaagt evenmin. Tussen hen geldt naar Iraans recht koude uitsluiting, met een contractuele verplichting van de man om onder bepaalde omstandigheden de helft van zijn tijdens huwelijk verkregen vermogen aan de vrouw te betalen. Tegen die achtergrond valt niet in te zien op welke grond van een volledige verdeling van het tijdens huwelijk opgebouwde vermogen dient te worden uitgegaan. Haar stelling dat de redelijkheid en billijkheid hiertoe zouden moeten leiden, heeft de vrouw onvoldoende onderbouwd. De grieven 1 tot en met 3 van de man slagen dan ook. De (subsidiaire) grieven 4 en 5 van de man, die de waarde van de woning betreffen, behoeven derhalve geen bespreking. De (waarde van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.