afdeling strafrecht parketnummer: 23-001118-19 datum uitspraak: 28 januari 2020 TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman) Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 13 maart 2019 in de gevoegde strafzaken onder de parketnummers 13-035979-18 (zaak A) en 13-248060-18 (zaak B) tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1990, adres: [adres], Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 14 januari 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht. Omvang van het hoger beroep De politierechter heeft de verdachte bij voormeld vonnis vrijgesproken van hetgeen aan hem in zaak B is ten laste gelegd en hem veroordeeld voor hetgeen aan hem in zaak A is ten laste gelegd. Op 21 maart 2019 is bij akte tegen dit vonnis – namens de verdachte – beperkt hoger beroep ingesteld, te weten enkel tegen de beslissingen van de politierechter in zaak A. Het hoger beroep is aldus (slechts) aan het oordeel van het hof onderworpen voor zover dit ziet op deze beslissingen. Tenlastelegging Aan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – ten laste gelegd dat: Zaak A: hij op of omstreeks 02 januari 2018 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk een buitengewoon opsporingsambtenaar, te weten [benadeelde] (hoofdconductrice van de Nederlandse Spoorwegen), gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van haar bediening, in haar tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door haar de woorden toe te voegen: "met je kankerbek”, althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, zal om doelmatigheidsredenen worden vernietigd. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat: Zaak A: hij op 2 januari 2018 te Amsterdam opzettelijk een buitengewoon opsporingsambtenaar, te weten [benadeelde] (hoofdconductrice van de Nederlandse Spoorwegen), gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van haar bediening, in haar tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd door haar de woorden toe te voegen: "met je kankerbek”. Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. Het bewezen verklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest. Strafbaarheid van het bewezen verklaarde Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het bewezen verklaarde levert op: eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening. Strafbaarheid van de verdachte Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is. Toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een geldboete van € 200,00, subsidiair vier dagen hechtenis. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte schuldig zal worden verklaard zonder oplegging van straf of maatregel. Het hof overweegt als volgt. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan belediging van een hoofdconductrice van de Nederlandse Spoorwegen tijdens de uitoefening van haar functie. Hij heeft de conductrice, die enkel haar werk deed, in haar eer en goede naam aangetast en haar gezag als ambtsdrager ondermijnd. Door de raadsman is ter terechtzitting in hoger beroep naar voren gebracht dat de verdachte bij vonnis van 28 juni 2019 is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk. Daarbij is als bijzondere voorwaarde gesteld dat de verdachte zich klinisch laat behandelen in verband met zijn alcoholverslaving. In dat verband verblijft de verdachte nu al enkele maanden in een kliniek in Oostrum om die klinische behandeling te ondergaan. Het gehele traject duurt één jaar. Het hof heeft geconstateerd dat het onderhavige feit is gepleegd voordat genoemde gevangenisstraf, met daaraan gekoppeld de betreffende voorwaarde, werd opgelegd. Gelet op het voorgaande acht het hof het niet raadzaam de verdachte voor het onderhavige feit een straf op te leggen. Bij deze stand van zaken, en gelet op het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht, zal het hof bepalen dat geen straf of maatregel zal worden opgelegd. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde] De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schade-vergoeding ter hoogte van € 200,00 ter zake immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 100,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.