afdeling strafrecht parketnummer: 23-002549-19 datum uitspraak: 26 mei 2020 VERSTEK (niet-gemachtigd raadsman) Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 19 juni 2019 in de strafzaak onder parketnummer 13-061166-19 tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] (België) op [geboortedag 1] 1964, adres: [adres 1]. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 12 mei 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd dat: hij in of omstreeks de periode van 30 juli 2018 tot en met 24 maart 2019 te Amsterdam, althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [benadeelde], door op een of meerdere, in elk geval verschillende data en/of tijdstip(pen) in voormelde periode, aldaar, (telkens) - (vanaf verschillende accounts) e-mail-berichten en/of sms-berichten en/of whatsapp-berichten en/of te bellen (al dan niet via whatsapp) te sturen naar/aan die [benadeelde] en/of; - kaartjes en/of brieven achter te laten in de brievenbus en/of op de goederen van die [benadeelde] en/of; - zich in de omgeving en/of straat waar die [benadeelde] woonachtig is, op te houden en/of aanpassingen aan de fiets van die [benadeelde] te verrichten en/of; - de school van de kinderen van die [benadeelde], te weten de [school], te bezoeken en/of cadeaus aan deze kinderen te overhandigen, met het oogmerk die [benadeelde], te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de politierechter. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat: hij in de periode van 30 juli 2018 tot en met 24 maart 2019 te Amsterdam wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [benadeelde], door op verschillende tijdstippen - vanaf verschillende accounts e-mailberichten te sturen naar [benadeelde], en - brieven achter te laten in de brievenbus van [benadeelde], en - aanpassingen aan de fiets van [benadeelde] te verrichten, en - de school van de kinderen van [benadeelde], te weten de [school], te bezoeken en cadeaus aan deze kinderen te overhandigen, met het oogmerk [benadeelde] te dwingen iets te dulden. Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. Het bewezen verklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest. Strafbaarheid van het bewezen verklaarde Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het bewezen verklaarde levert op: belaging. Strafbaarheid van de verdachte Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is. Oplegging van straffen en maatregel De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 180 uren, subsidiair 90 dagen hechtenis, en een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren. De politierechter heeft naast algemene voorwaarden als bijzondere voorwaarden een locatie- en een contactverbod gesteld en deze voorwaarden dadelijk uitvoerbaar verklaard. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 180 uren, subsidiair 90 dagen hechtenis, en een gevangenisstraf voor de duur van 6 weken. Voorts heeft zij gevorderd dat aan de verdachte voor een periode van 5 jaren een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht (Sr) wordt opgelegd, in de vorm van een gebiedsverbod, zijnde het gebied dat valt binnen een straal van 200 meter rondom de [adres 2], en een contactverbod met [benadeelde]. Daarbij is gevorderd dat de verdachte per overtreding van deze verboden een vervangende hechtenis van 2 weken moet ondergaan. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen en maatregel bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan belaging van een kennis die niet op zijn avances in wilde gaan. Hij heeft het slachtoffer onder meer gedurende ongeveer acht maanden vele e-mailberichten gestuurd, brieven in haar brievenbus gedaan en haar kinderen bezocht op school. Hiermee heeft hij op stelselmatige wijze inbreuk gemaakt op haar persoonlijke levenssfeer. Het slachtoffer heeft gedurende deze periode het ongewenste contact van verdachte moeten dulden, hetgeen bij haar heeft geleid tot stress en gevoelens van onveiligheid. Ervaring leert dat slachtoffers in dergelijke zaken nog lange tijd gevoelens van onrust en angst ondervinden. De verdachte heeft er geen blijk van gegeven het laakbare van zijn gedrag in te zien. Integendeel, tijdens het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat er sterke aanwijzingen zijn dat de verdachte na de veroordeling in eerste aanleg nog contact heeft gezocht met het slachtoffer. Het hof zal daarom met het oog op het recidivegevaar overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal een vrijheidsbeperkende maatregel in de vorm van een contactverbod (met [benadeelde] en haar kinderen) en een gebiedsverbod opleggen voor de duur van 5 jaren. Het hof zal daarbij bepalen dat de verdachte voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, de verdachte (ten hoogste) twee weken vervangende hechtenis ondergaat, waarbij de totale duur van de tenuitvoergelegde vervangende hechtenis ten hoogste zes maanden bedraagt. Nu het hof er ernstig rekening mee houdt dat de verdachte zich opnieuw belastend zal gedragen jegens het slachtoffer zal het hof de dadelijke uitvoerbaarheid van de maatregel bevelen. Het hof acht daarnaast, alles afwegende, een forse taakstraf en voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf als gevorderd door de advocaat-generaal acht het hof thans een te zware sanctie. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde] De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 2.083,80, bestaande uit € 83,80 aan materiële schade en € 2.000,00 aan immateriële schade. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering. De advocaat-generaal heeft geconcludeerd dat de vordering moet worden toegewezen en dat ter zake daarvan een schadevergoedingsmaatregel dient te worden opgelegd. Het hof overweegt als volgt. Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks immateriële schade heeft geleden tot na te melden bedrag. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden, zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen. Het hof schat de omvang van de immateriële schade op de voet van het bepaalde in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek naar maatstaven van billijkheid op het bedrag van € 1.000,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.