GERECHTSHOF AMSTERDAM kenmerken 18/00745 en 18/00746 30 juni 2020 uitspraak van de achtste enkelvoudige belastingkamer op de hoger beroepen van [X] , wonende te [Z] , belanghebbende, gemachtigde: S.J.J.G. Fernandes tegen de uitspraak in de zaken met kenmerken AMS 17/5890 en 17/5903 van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) in het geding tussen belanghebbende en de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam, de heffingsambtenaar. 1Ontstaan en loop van het geding 1.1.
(3)gedurende de tijd die daarvoor nodig is. Het moet gaan om zaken van een zodanige omvang en gewicht dat zij niet of bezwaarlijk op een andere wijze dan per auto kunnen worden gehaald of gebracht [voetnoot rechtbank: Uitspraak van de Hoge Raad van 7 maart 2014 (ECLI:NL:HR:2014:445)]. Naar het oordeel van dc rechtbank heeft eiser niet aan zijn bewijslast voldaan. Tegenover de betwisting door de heffingsambtenaar, die met foto’s aannemelijk heeft gemaakt dat ten tijde van de controle er geen laad- en losactiviteiten rond de auto waren, heeft eiser zijn stellingen niet onderbouwd. Eiser heeft de gestelde losactiviteiten niet geconcretiseerd. Daar komt bij dat het niet gaat om “zaken van enige omvang die op een praktische wijze alleen per auto te vervoeren zijn”, zoals eiser stelt, maar om zaken die door omvang en gewicht niet of bezwaarlijk op een andere wijze dan per auto kunnen worden gehaald en gebracht. Niet gebleken is dat eisers niet nader gespecificeerde “dozen met persoonlijke spullen” aan dit criterium voldoen. Deze beroepsgrond wordt verworpen. Ten aanzien van AMS 17/5890 6.1. Eisers auto met kenteken [kenteken] stond op 20 december 2016 om 12.59 uur stil op een fiscale parkeerplek ter hoogte van de [adres] in Amsterdam. Niet in geding is dat eiser toen de feitelijk bestuurder was van deze auto en dat eiser voor dat moment geen parkeerbelasting heeft betaald. Ook in deze zaak draait het om de vraag of daar en toen sprake was van parkeren. 6.2. Eiser betwist dit. Voor zover eiser zich kan herinneren, is hij omstreeks het tijdstip van de controle achteruit een parkeervlak ingereden en is hij er weer uitgereden om te keren. Waarschijnlijk heeft de controle plaatsgehad tijdens het keren van de auto. Daarna is hij naar de Albert Heijn op het Stadionplein gereden om een passagier op te halen en is hij naar de Stadionkade gereden om daar zijn auto te parkeren, waarna hij direct uitvoeringshandelingen heeft verricht om parkeerbelasting te betalen. Op verweerder rust de bewijslast om het tegendeel aan te tonen. Uit de foto’s van verweerder blijkt alleen dat de auto zich in een parkeervak bevindt, maar niet dat de auto daar verlaten was. Eiser concludeert dan ook dat ten tijde van de controle geen sprake was van parkeren, althans dat verweerder er slechts in kan slagen aannemelijk te maken dat sprake was van stilstaan. 6.3. De heffingsambtenaar is er naar het oordeel van de rechtbank door overlegging van de foto’s tijdens de controle inderdaad in geslaagd om aannemelijk te maken dat de auto van eiser ten tijde van de controle stilstond in het parkeervak, zijnde een fiscale parkeerplaats. Aan de voorwaarden voor het ontstaan van de belastingplicht terzake parkeren is daarmee in beginsel voldaan, behoudens tegenbewijs. Eiser heeft dat niet geleverd, met name heeft hij geen bewijs geleverd van de omstandigheid dat hij ten tijde van de controle met zijn auto aan het verkeer deelnam, zoals hij kennelijk stelt. 6.4. Aan parkeerders moet na aanvang van het parkeren enige tijd gegund worden om onverwijld een kaartje te kopen, althans om betalingshandelingen te verrichten. Hetgeen eiser heeft betoogd omtrent het exacte tijdsverloop tussen de controle, het opleggen van de naheffingsaanslag en het moment van het aanschaffen van een parkeerrecht, de deugdelijke werking van systemen met behulp van een autoritatieve tijdsbron en een niet nader aangeduide ‘pardontijd van 10 minuten’ behoeft echter geen bespreking omdat uit zijn eigen stellingen volgt dat hij in die periode niet uitsluitend bezig was met betalingshandelingen, maar ook met het ophalen van een passagier bij de Albert Heijn. Voor zover eiser met de ‘pardontijd van 10 minuten’ doelt op de regeling dat geen naheffingsaanslag wordt opgelegd binnen 10 minuten na het verstrijken van de geldigheidsduur van het betaalde parkeer kaartje [voetnoot rechtbank: Artikel III van het Uitvoerings- en Aanwijzingsbesluit op grond van de Verordening Parkeerbelastingen 2016 en Parkeerverordening 2013, Gemeenteblad 18 december 2015, afd. 3B, nr 243, zoals nadien gewijzigd], is de conclusie dat die regeling niet van toepassing is bij de aanvang van het parkeren. Een parkeerrecht dat gekocht is 10 of 11 minuten na het opleggen van de naheffingsaanslag is dus - kort gezegd - te laat. Dit betoog slaagt dus niet. Conclusie (in beide zaken) 7. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de naheffingsaanslagen terecht zijn opgelegd. De rechtbank zal de beroepen van eiser daarom ongegrond verklaren. Bij deze stand van zaken ziet de rechtbank geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling of een vergoeding van het griffierecht.” 5Beoordeling van het geschil Formele beroepsgronden 5.1. Belanghebbende beroept zich op diverse formele tekortkomingen. In de eerste plaats heeft belanghebbende aangevoerd dat de persoon die de uitspraken op bezwaar heeft gedaan daartoe niet bevoegd was. Ter onderbouwing van zijn stelling heeft belanghebbende een complex betoog gehouden dat erop neerkomt dat de naheffingsaanslagen en de uitspraken op bezwaar zijn opgelegd c.q. gedaan door twee verschillende ambtenaren - te weten de inspecteur Belastingen van de gemeente Amsterdam (de naheffingsaanslagen) en de rve-directeur Parkeren [naam] (de uitspraken op bezwaar) -, dit terwijl in de Gemeentewet, de Algemene wet inzake rijksbelastingen en de Algemene wet bestuursrecht geen ruimte wordt geboden voor gelijktijdige aanwijzing van meerdere zelfstandig naast elkaar functionerende ambtenaren als ‘heffingsambtenaar’ in de zin van artikel 231, lid 2, sub c, Gemeentewet. Het Hof verwerpt belanghebbendes stelling en onderschrijft de rechtsoverwegingen en de beslissing van de Rechtbank in dezen. Hetgeen belanghebbende in hoger beroep (aanvullend) heeft aangevoerd, geeft het Hof geen aanleiding om anders te oordelen. 5.2. In de tweede plaats heeft belanghebbende, samengevat, betoogd dat met de documenten die de heffingsambtenaar daartoe heeft overgelegd onvoldoende aannemelijk is geworden dat alle bij de oplegging van de naheffingsaanslagen betrokken ambtenaren bevoegd waren tot het verrichten van de daarmee verband houdende (controle)handelingen. De rechtbank zou dit tekort aan bewijs hebben miskend en aan deze beroepsgrond ten dele voorbij zijn gegaan. Het Hof verwerpt ook deze stelling en onderschrijft wederom de rechtsoverwegingen en de beslissing van de rechtbank. Zo al sprake is van enig gebrek in de aanwijzing van bedoelde personen, dient aan dat gebrek voorbij te worden gegaan met toepassing van artikel 6:22 van de Awb, aangezien niet aannemelijk is geworden dat belanghebbende daardoor is benadeeld. Daarbij merkt het Hof op dat een benadeling in de zin van die bepaling zich niet voordoet in het geval dat de belanghebbende een voordeel ontgaat doordat, zou het aan het besluit klevende gebrek niet worden geheeld, door tijdsverloop niet opnieuw een aanslag kan worden opgelegd (zie Hoge Raad 6 november 2015, nr. 14/04967, ECL:Nl:HR:3224). 5.3. In de derde plaats heeft belanghebbende betoogd dat het inzagerecht van artikel 7:4, lid 4, van de Awb is geschonden, doordat belanghebbende in de bezwaarfase heeft verzocht om afschriften van de voorafgaande aan het horen ter inzage te leggen stukken, aan welk verzoek de heffingsambtenaar echter geen gehoor heeft gegeven en waartoe hij wel verplicht zou zijn geweest. Belanghebbende beroept zich voorts op het vertrouwensbeginsel, nu tijdens het horen in bezwaar door een medewerker van de heffingsambtenaar aan belanghebbende zou zijn toegezegd dat de betreffende stukken alsnog aan belanghebbende werden toegezonden. Belanghebbendes betoog inzake het inzagerecht faalt om reden dat de wetgever bewust een onderscheid heeft willen maken tussen de verplichtingen van het bestuursorgaan in de bezwaarfase en de verplichtingen van het bestuursorgaan in de beroepsfase. Alleen in de beroepsfase is het bestuursorgaan op grond van artikel 8:42 van de Awb verplicht de op de zaak betrekking hebbende stukken (aan de rechter) toe te zenden; in de bezwaarfase geldt ter zake van diezelfde stukken op grond van artikel 7:4 van de Awb enkel een (passief) inzagerecht (zie Hof Amsterdam, nr. 16/00472, ECLI:NL:GHAMS:2017:5030). Het beroep van belanghebbende op het vertrouwensbeginsel faalt eveneens. Het Hof onderschrijft de overwegingen en de beslissing van de rechtbank in dezen en ziet in hetgeen belanghebbende in hoger beroep (aanvullend) heeft aangevoerd geen aanleiding om anders te oordelen. 5.4.1. Als laatste formele beroepsgrond heeft belanghebbende aangevoerd dat sprake is geweest van een schending van artikel 7:7 van de Awb doordat (
- i)er in het hoger beroep met kenmerknummer 18/00746 geen verslag van het horen is opgemaakt terwijl er – in tegenstelling tot hetgeen de rechtbank heeft overwogen – wel een hoorzitting is geweest, te weten op 23 mei 2018 om 15:00 uur, en (
- ii)er in het hoger beroep met kenmerknummer 18/00745 een verslag van de hoorzitting op 23 mei 2017 om 13:00 uur is opgemaakt, welk verslag onvolledig is. 5.4.2. Het Hof overweegt dat tijdens de parlementaire behandeling over artikel 7:7 van de Awb het volgende is opgemerkt: “Het zal van de omstandigheden van het geval en van het bestuursorgaan afhangen in welke vorm een verslag wordt gegoten en hoe uitgebreid het is. Zeer bepalend daarvoor is, in hoeverre op de hoorzitting nieuwe feiten of omstandigheden naar voren komen, die nog niet in de schriftelijke stukken aan de orde zijn geweest. Uit het voorgaande vloeit voort dat de plicht tot verslaglegging op verschillende wijzen vorm kan worden gegeven. Zo kan, in plaats van een afzonderlijk verslag, ook uit de beslissing op het bezwaar blijken van hetgeen tijdens de hoorzitting is verhandeld.” MvT, Kamerstukken II 1988/89, 21 221, nr. 3, p. 151. 5.4.3. Tussen partijen is niet in geschil dat in het hoger beroep met kenmerknummer 18/00746 een hoorzitting heeft plaatsgevonden, te weten in telefonische vorm (zie hiervoor onder 2.4.). De rechtbank is derhalve uitgegaan van een onjuist feitelijk kader. Dit leidt er evenwel niet toe dat deze hoger beroepsgrond slaagt. Het Hof is namelijk van oordeel dat, uitgaande van hetgeen door belanghebbende in beroep en in hoger beroep is aangevoerd over hetgeen er tijdens het horen zou zijn besproken (namelijk dat er een discussie is gevoerd over de tijdsregistratie en de controle, dat er is gesproken over een coulanceregeling en dat er een medewerker van de heffingsambtenaar aan belanghebbende excuses heeft gemaakt voor het niet verstrekken van de zaakstukken), uit de uitspraak op bezwaar in voldoende mate blijkt van “hetgeen tijdens de hoorzitting is verhandeld”. In de uitspraak op bezwaar komen immers de tijdsregistratie en de controle aan de orde, zo ook belanghebbendes verzoek om een afschrift van de zaakstukken (zie 2.4.). Dat de mogelijkheid tot een coulanceregeling niet expliciet in de uitspraak op bezwaar staat, noch de gemaakte excuses door de medewerker van de heffingsambtenaar, acht het Hof van onvoldoende belang om op grond daarvan te oordelen dat een hoorverslag nodig was. Dit ontbreken, ervan uitgaande dat belanghebbende terecht stelt dat bedoelde onderwerpen tijdens het horen aan de orde zijn gekomen, leidt er niet toe dat er sprake is van een schending van artikel 7:7 van de Awb. Hierbij neemt het Hof in aanmerking dat met dit ontbreken geen benadeling van belanghebbende aannemelijk is geworden in de zin van artikel 6:22 van de Awb. Al zou wel sprake zijn geweest van een verslaglegging van de genoemde gespreksonderwerpen, meer in het bijzonder van de door de medewerker van de heffingsambtenaar gemaakte excuses, dan is op basis van die enkele informatie de door belanghebbende gestelde schending van het inzagerecht nog steeds niet aannemelijk geworden (vergelijk hiervoor ro. 5.3.) en op grond hiervan zal ook het beroep op het vertrouwensbeginsel nog steeds niet slagen (vergelijk ro. 3.4. van de rechtbankuitspraak). 5.4.4. Ter zake van het hoger beroep met kenmerknummer 18/00745 is het Hof verder van oordeel dat het verslag dat is opgemaakt van het horen voldoet aan de daaraan in het kader van artikel 7:7 van de Awb in redelijkheid te stellen vereisten. In het verslag kan worden volstaan met een beknopte, zakelijke vermelding van hetgeen tijdens de hoorzitting met betrekking tot de zaak is betoogd. Het hoorverslag behoeft niet een woordelijke weergave in te houden van al hetgeen tijdens de hoorzitting is gezegd. Ook nu neemt het Hof hierbij in aanmerking dat geen benadeling van belanghebbende aannemelijk is geworden in de zin van artikel 6:22 van de Awb. Al zou wel sprake zijn geweest van een verslaglegging van de door belanghebbende gestelde gespreksonderwerpen (zie hiervoor onder 5.4.3.), dan is op basis van die informatie de door belanghebbende gestelde schending van het inzagerecht nog steeds niet aannemelijk geworden (vergelijk ro. 5.3.) en op grond hiervan zal het beroep op het vertrouwensbeginsel nog steeds niet slagen (vergelijk ro. 3.4. van de rechtbankuitspraak). Ten aanzien van het belastbare feit 5.5. Het Hof acht ter zake van zowel het hoger beroep met kenmerknummer 18/00745 als het hoger beroep met kenmerknummer 18/00746 het oordeel van de rechtbank dat het belastbare feit heeft plaatsgevonden, namelijk een ‘parkeren’ in de zin van de Verordening, en dat daarom de aanslagen terecht zijn opgelegd, rechtens juist en op goede gronden genomen. Het Hof ziet in wat belanghebbende in hoger beroep (aanvullend) heeft betoogd inzake de door hem gestelde uitzonderingen ((
- i)het onmiddellijk laden en lossen van zaken, en (
- ii)het verrichten van betalingshandelingen voor een parkeerkaartje), geen grond(
- en)om hiervan af te wijken. 5.6. Daarbij merkt het Hof op dat hetgeen door belanghebbende aanvullend naar voren is gebracht inzake het tijdsverloop bij de aankoop van het parkeerkaartje in de zaak 18/00746, niet relevant is. Zoals de rechtbank terecht overweegt, is belanghebbende in deze tijdsspanne niet uitsluitend bezig geweest met het verrichten van betalingshandelingen. Uit het relaas van belanghebbende volgt dat er sprake was van een keren van de auto ter plaatse en het daarna rijden naar een andere parkeerplaats om een passagier op te halen. Pas nadat die passagier was ingestapt, is belanghebbende teruggekeerd naar de Stadionkade om de verschuldigde parkeerbelasting (alsnog) te betalen. Dit betalen heeft dus niet onverwijld plaatsgevonden. Slotsom 5.7. Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat de hoger beroepen van belanghebbende ongegrond zijn. De uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd. 6Kosten Het Hof vindt geen aanleiding voor een veroordeling in de kosten in verband met de behandeling van het hoger beroep op de voet van artikel 8:75 van de Awb in verbinding met artikel 8:108 van die wet. 7Beslissing Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De uitspraak is gedaan door mr. N. Djebali, raadsheer, lid van de achtste enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. V. Sathananthan als griffier. De beslissing is op 30 juni 2020 uitgesproken en wordt openbaar gemaakt door publicatie op www.rechtspraak.nl. Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl. Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie stellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen: 1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd; 2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn; 3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. de dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; d. de gronden van het beroep in cassatie. Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten. Toelichting rechtsmiddelverwijzing Per 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen. Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend. Digitaal procederen Het webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op www.hogeraad.nl. Niet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen. Per post procederen Alleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.