GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling civiel recht en belastingrecht, team I zaaknummer : 200.258.200/01 zaaknummer rechtbank : 68233560 CV EXPL 18-8294 arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 7 juli 2020 inzake [appellant] , wonende te [woonplaats] , appellant, advocaat: mr. J.M. Molkenboer te Tilburg, tegen ING BANK N.V., gevestigd te Amsterdam, geïntimeerde, advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam. 1Het geding in hoger beroep Partijen worden hierna [appellant] en ING genoemd. [appellant] is bij dagvaarding van 17 januari 2019 in hoger beroep gekomen van het vonnis van de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam (hierna: de kantonrechter) van 22 oktober 2018 onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [appellant] als eiser en ING als gedaagde. Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend: - memorie van grieven, met producties; - memorie van antwoord, met productie. Partijen hebben de zaak op 25 mei 2020 doen bepleiten, [appellant] door mr. M.C.A.M. Van der Meer, advocaat te Tilburg, en ING door mr. A.L. de Vogel, advocaat te Amsterdam, ieder aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd. Door [appellant] is een aanvullende productie in het geding gebracht. Ten slotte is arrest gevraagd. [appellant] heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en alsnog de ingestelde vorderingen toe zal wijzen met, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van ING in de kosten van het geding in beide instanties. ING heeft geconcludeerd tot afwijzing van het gevorderde en bekrachtiging van het bestreden vonnis met, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van [appellant] in de kosten van het geding. Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden. 2Feiten De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt. Samengevat komen de feiten neer op het volgende. 2.1 [appellant] is sinds langere tijd in privé klant bij ING. Daarnaast heeft hij ten behoeve van vijftien verschillende commanditaire vennootschappen, stichtingen en besloten vennootschappen bij ING zakelijke rekeningen geopend. 2.2 Op 19 november 2013 zijn de persoonsgegevens van [appellant] door ING voor de duur van acht jaren opgenomen in het interne verwijzingsregister (IVR) van ING. 2.3 In juni 2017 heeft [appellant] een aanvraag gedaan voor een creditcard. ING heeft deze aanvraag ongemotiveerd geweigerd. Nadat [appellant] contact had gezocht met een medewerker van het Bureau Krediet Registratie (BKR) is hem medegedeeld dat hij in het IVR van ING geregistreerd staat. 2.4 [appellant] heeft ING daarop meermaals gevraagd om verwijdering van zijn gegevens uit het IVR. ING heeft aan deze verzoeken geen gehoor gegeven. 2.5 ING heeft aan (de gemachtigde van) [appellant] bij schrijven van 2 januari 2018 het volgende medegedeeld: (…) Uw cliënt is sinds 19 november 2013 bij ING op een verwijzingsregister geplaatst. Dit houdt in dat binnen ING bij uitbreiding van financiële diensten afzonderlijk een afweging gemaakt wordt of de uitbreiding wordt toegestaan of niet. Deze melding geldt dus niet voor andere financiële instellingen in Nederland en deze interne melding hoeft niet actief teruggekoppeld te worden. In de mail van Bureau Krediet Registratie van 4 oktober 2017 heeft uw relatie ook een bevestiging ontvangen dat het niet om een melding gaat met externe werking. Overigens was de relatie al op de hoogte van de melding vanaf 2014 en heeft uw relatie sindsdien diverse keren dreigende en bedreigende taal jegens ING medewerkers uitgesproken. Gezien de historische telefonische contacten met de heer [appellant] en de betrokkenheid bij diverse zakelijke rekeningen waarbij ING financiële schade heeft opgelopen, zullen wij de interne registratie handhaven. We wijzen ten slotte de aanvraag van de creditcard af op basis van risicoperspectief en onze contractvrijheid. (…) 3Beoordeling 3.1 [appellant] heeft in eerste aanleg gevorderd ING te veroordelen zijn persoonsgegevens uit het IVR te verwijderen en ING te veroordelen in de kosten van het geding. 3.2 De kantonrechter heeft de vordering van [appellant] afgewezen en daartoe - kort gezegd - overwogen dat [appellant] geen voldoende belang heeft bij toewijzing van zijn vordering omdat niet is komen vast te staan dat hij door zijn registratie in het IVR daadwerkelijk problemen ondervindt of zal ondervinden bij het bankieren bij andere banken. Ten overvloede heeft de kantonrechter overwogen dat ING wel degelijk een gegronde reden voor de registratie had, omdat [appellant] meerdere zakelijke rekeningen bij ING had geopend die niet correct en met een negatief saldo zijn afgewikkeld, waardoor ING schade heeft geleden. 3.3 Tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt [appellant] met zijn grieven op. 3.4 Het hof zal eerst gezamenlijk de grieven 1, 2 en 4 bespreken waarmee [appellant] opkomt tegen het oordeel van de kantonrechter dat voor ING voldoende grond bestond om [appellant] in het IVR te registreren. 3.5 ING heeft op 19 november 2013 de persoonsgegevens van [appellant] in het IVR geregistreerd. [appellant] stelt dat dit ten onrechte is gebeurd omdat daarvoor geen voldoende grond bestond. ING stelt dat zij [appellant] heeft geregistreerd naar aanleiding van een intern onderzoek waarbij was gebleken dat [appellant] namens diverse ondernemingen zakelijke rekeningen bij ING had geopend, die vervolgens niet of nauwelijks gebruikt werden en vervolgens, soms na korte tijd en met een negatief saldo, weer door ING zijn gesloten. 3.6 Op de relatie tussen ING als bancaire instelling en [appellant] als rekeninghouder en vertegenwoordiger van de verschillende commanditaire vennootschappen, stichtingen en besloten vennootschappen waarvoor een zakelijke rekening is geopend, is de Gedragscode Verwerking Persoonsgegevens Financiële Instellingen (hierna: de gedragscode) van toepassing. De gedragscode houdt voor zover hier van belang het volgende in: 4.3 Persoonsgegevens worden slechts verwerkt indien en voor zover is voldaan aan minimaal één van de volgende rechtmatige grondslagen: (…) f. de Verwerking van Persoonsgegevens is noodzakelijk voor de behartiging van het gerechtvaardigde belang van de Financiële instelling of van een Derde aan wie de Persoonsgegevens worden verstrekt, tenzij het belang of de fundamentele rechten en vrijheden van de Betrokkene, in het bijzonder het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer, prevaleert. (…) 5.1.1 Verwerking van Persoonsgegevens door Financiële instellingen vindt plaats, met inachtneming van de beginselen voor Verwerking van Persoonsgegevens ten behoeve van een efficiënte en effectieve bedrijfsvoering, in het bijzonder in het kader van het uitvoeren van de volgende activiteiten: (…) d. het waarborgen van de veiligheid en integriteit van de financiële sector, daaronder mede begrepen het onderkennen, voorkomen, onderzoeken en bestrijden van (pogingen tot) (strafbare of laakbare) gedragingen gericht tegen de branche waar een Financiële instelling deel van uitmaakt, de Groep waartoe een Financiële instelling behoort, de Financiële instelling zelf, haar Cliënten en medewerkers, alsmede het gebruik van en de deelname aan waarschuwingssystemen; (…) 5.5.1 Ten behoeve van de veiligheid en integriteit van de Financiële sector kunnen gegevens, waaronder Persoonsgegevens, die betrekking hebben op: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.