GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling civiel recht en belastingrecht, team I zaaknummer : 200.248.323/01 zaaknummer rechtbank Amsterdam : 6600009 CV EXPL 18-1964 arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 14 juli 2020 inzake [appellante] , gevestigd te [plaats 1] , appellante, advocaat: mr. A.A.H. Kalter te Amsterdam, tegen [geïntimeerde] , wonend te [woonplaats] , gemeente [plaats 2] , geïntimeerde, advocaat: mr. Chr.W.L. Veen te Edam, gemeente Edam-Volendam. 1Het geding in hoger beroep Partijen worden hierna [appellante] en [geïntimeerde] genoemd. [appellante] is bij dagvaarding van 16 oktober 2018 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kantonrechter) van 21 augustus 2018, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [geïntimeerde] als eiseres en [appellante] als gedaagde. Bij arrest van 13 november 2018 heeft het hof een comparitie na aanbrengen bepaald, die op 3 juni 2019 heeft plaatsgevonden. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt, dat zich bij de stukken bevindt. Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend: - memorie van grieven, met producties; - memorie van antwoord, met producties; - akte van [appellante] , met producties; - antwoordakte van [geïntimeerde] . Ten slotte is arrest gevraagd. [appellante] heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en de vorderingen van [geïntimeerde] alsnog zal afwijzen en haar – uitvoerbaar bij voorraad – zal veroordelen tot restitutie van hetgeen op grond van het bestreden vonnis is betaald, te vermeerderen met de wettelijke rente, en met beslissing over de proceskosten, de nakosten daaronder begrepen. [geïntimeerde] heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met beslissing over de proceskosten. [appellante] heeft in hoger beroep bewijs van haar stellingen aangeboden. 2Feiten De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 1.1 tot en met 1.9 de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt. Waar nodig aangevuld met andere feiten die als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist zijn komen vast te staan, komen de feiten neer op het volgende. 2.1. [geïntimeerde] is van 15 november 1986 tot 1 april 2017 huurster geweest van het derde bovenhuis van het perceel [woonplaats] . Deze woning (hierna ook: het gehuurde) maakt deel uit van het zogenoemde [B] . 2.2. In 2000 is het [B] gesplitst in appartementsrechten. [appellante] heeft in 2007 de eigendom verkregen van de woningen in het complex. Vervolgens heeft zij een groot aantal woningen verkocht. In het kader van de verkoop werden de woningen afgekoppeld van de gemeenschappelijke stookinstallatie en kregen deze woningen een individuele cv-installatie. 2.3. Tussen [appellante] en – resterende – huurders van woningen in het [B] zijn diverse procedures gevoerd ten overstaan van de kantonrechter over onder meer (de omvang van) de stookkosten. De kantonrechter heeft in dat verband meerdere vonnissen gewezen. Voor zover in deze procedure van belang gaat het om de volgende vonnissen en beslissingen: a. bij vonnis van 8 mei 2015 (zaak-/rolnummer 2689473 CV EXPL 14-1254 en 95 andere zaak-/rolnummers) heeft de kantonrechter voor recht verklaard dat de betalingsverplichting van elk van de huurders met betrekking tot ieders woning ter zake van de stookkosten over de jaren 2007 tot en met 2010 gelijk is aan de werkelijke kosten daarvan; uit een vonnis van eveneens 8 mei 2015 (zaaknummer 3110776 CV EXPL 14-15382, rechtsoverweging 7) blijkt dat de kantonrechter met betrekking tot het jaar 2011 hetzelfde oordeel was toegedaan; b. bij laatstgenoemd vonnis van 8 mei 2015 en bij vonnis van 18 september 2017 (onder meer betreffende de zaak met zaak-/rolnummer 44447212 - CV 15-24525) heeft de kantonrechter de betalingsverplichting over het jaar 2012 van elk van de huurders met betrekking tot ieders woning ter zake van stookkosten bepaald op 85% van de werkelijke oliekosten. c. bij voornoemd vonnis van 18 september 2017 is tevens uitspraak gedaan in de zaak met zaak-/rolnummer 5262566 - CV 16-23196); daarbij heeft de kantonrechter (in de zaak met nummer 44447212 - CV 15-24525, respectievelijk in de zaak met nummer 5262566 - CV 16-23196) de betalingsverplichting van de huurders over het jaar 2013 ter zake van stookkosten en de betalingsverplichting over het jaar 2014 ter zake de olie- of stookkosten, de elektra en het waterverbruik telkens vastgesteld op 25% van de werkelijke kosten. 2.4. Op 5 juli 2013 heeft [geïntimeerde] aan [A] , de gemachtigde van [appellante] , toestemming verzocht tot plaatsing van een individuele cv-installatie in de door haar gehuurde woning. Zij heeft daarbij onder meer geschreven dat zij, door de buiten proportie gestegen stook- en servicekosten zoals genoemd in de naheffing voor 2012, genoodzaakt was daartoe over te gaan. 2.5. Bij brief van 4 december 2013 heeft [A] aan [geïntimeerde] laten weten dat [appellante] akkoord gaat met het plaatsen van een cv-installatie door [geïntimeerde] onder de volgende voorwaarden: - De cv-installatie wordt geplaatst door een erkend installateur. - De cv-installatie vervalt automatisch aan de verhuurder wanneer door u de huur wordt opgezegd. - De netto-huur blijft gelijk. Servicekosten voor verwarming en warm water komen te vervallen. (…) - U bent zelf verantwoordelijk voor onderhoud en vervanging van de cv-installatie. - Het afkoppelmoment (financieel) wordt bepaald door de Vereniging van Eigenaren. De verhuurder zal u informeren over de afkoppeldata. - - De cv-installatie wordt goedgekeurd door [A] (…) zodra deze is geplaatst. - Er dient, mits het geen appartement direct onder het dak betreft, gebruik te worden gemaakt van de aanwezige, door de Vereniging van Eigenaren geplaatste, rookgasafvoer. - Condenswaterafvoer dient via een pvc-buis op het riool aangesloten te worden. - U dient zelf zorg te dragen voor voldoende waterdruk op de etage waar de cv-installatie wordt aangebracht. - De oude aanvoer en retourleidingen worden pas na overleg en goedkeuring van de verhuurder verwijderd. - Alle voorkomende kosten m.b.t. het aansluiten van de cv-installatie, zoals gasmeters, leidingwerk etc., komen voor rekening van de huurder. 2.6. [geïntimeerde] heeft eind december 2013 een individuele cv-installatie met aan- en afvoerleidingen in de woning laten installeren, voor een bedrag van € 4.000,=. Partijen hebben het financiële afkoppelmoment bepaald op 1 januari 2014. Vanaf die datum heeft [appellante] geen (service)kosten in verband met verwarming en warm water meer aan [geïntimeerde] in rekening gebracht. 2.7. In 2015 is [appellante] overgegaan tot het afkoppelen van de gemeenschappelijke stookinstallatie. De overgebleven huurders zijn voorzien van een individuele cv-installatie en zij hebben ingestemd met een maandelijkse huurverhoging van € 40,=. 2.8. [geïntimeerde] heeft de huur van de woning opgezegd tegen 1 april 2017. De door haar geplaatste cv-installatie is in de woning achtergebleven. 3. Beoordeling 3.1 [geïntimeerde] heeft in de eerste aanleg van de procedure gevorderd [appellante] te veroordelen tot betaling van € 4.000,=, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 13 december 2017. Zij heeft daartoe, voor zover in hoger beroep nog van belang, gesteld dat [appellante] ongerechtvaardigd is verrijkt door de geoorloofd geplaatste cv-installatie die in het gehuurde is achtergebleven. 3.2. Bij het bestreden vonnis is de vordering tot een bedrag van € 3.000,=, met rente, toegewezen en voor het overige afgewezen. [appellante] is belast met de kosten van het geding. De kantonrechter heeft daartoe – samengevat – overwogen dat [appellante] tot dat bedrag ongerechtvaardigd is verrijkt ten koste van [geïntimeerde] . 3.3. Tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt [appellante] met haar grieven op. De grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling. 3.4. [appellante] is terecht niet opgekomen tegen de overweging van de kantonrechter dat de vraag of de huurder een vergoeding toekomt op grond van ongerechtvaardigde verrijking dient te worden beoordeeld op grond van de artikelen 7:216 lid 3 en 6:212 BW en het arrest van de Hoge Raad van 25 juni 2004 (ECLI:NL:HR:2004:AP4373). 3.5. Allereerst is aan de orde de vraag of de overeenkomst van partijen, die inhoudt dat de met toestemming van [appellante] en op kosten van [geïntimeerde] geplaatste en onderhouden cv-ketel na het einde van de huur vervalt aan [appellante] , in de weg staat aan de vordering van [geïntimeerde] uit hoofde van ongerechtvaardigde verrijking, omdat in de overeenkomst de rechtvaardiging is gelegen voor een eventuele verrijking van [appellante] . Volgens [appellante] dient die vraag bevestigend te worden beantwoord. [geïntimeerde] bestrijdt dat in hoger beroep mede onder verwijzing naar artikel 7:242 lid 2 BW. 3.6. Bij de beantwoording van deze vraag wordt vooropgesteld dat beide partijen ervan uitgaan dat [geïntimeerde] geen aanspraak kan maken op een vergoeding voor het vervallen van de cv-ketel aan [appellante] , hoewel dat niet met zoveel woorden in de overeenkomst is opgenomen. Beide partijen nemen in deze procedure tot uitgangspunt dat de overeenkomst impliceert dat [geïntimeerde] geen aanspraak heeft op een vergoeding van [appellante] voor de in de woning achtergebleven cv-ketel, ongeacht de ouderdom daarvan bij einde van de huur. 3.7. Op grond van artikel 7:216 lid 1 BW is de huurder tot de ontruiming bevoegd om door hem al dan niet geoorloofd in het gehuurde aangebrachte veranderingen en toevoegingen ongedaan te maken (het zogenoemde wegneemrecht van de huurder). Het tweede en derde lid van artikel 7:216 BW hebben uitsluitend betrekking op geoorloofde veranderingen en toevoegingen; in het tweede lid staat dat de huurder geoorloofde veranderingen en toevoegingen niet ongedaan hoeft te maken en in het derde lid dat hij ter zake van geoorloofde veranderingen en toevoegingen die na het einde van de huurovereenkomst niet ongedaan worden gemaakt, vergoeding kan vorderen voor zover artikel 6:212 BW dat toestaat. Artikel 7:242 lid 2 BW houdt in dat niet ten nadele van de huurder (van woonruimte) kan worden afgeweken van het derde lid van artikel 7:216 BW. 3.8. Artikel 7:242 lid 2 BW staat er dan ook niet aan in de weg dat [appellante] aan haar toestemming voor het plaatsen van een individuele cv-ketel in de door [geïntimeerde] gehuurde woning de voorwaarden heeft verbonden dat alle kosten die gemoeid waren met de aanschaf, de aanleg en het plaatsen van de cv-ketel voor rekening van [geïntimeerde] komen, evenals de kosten van het onderhoud daarvan, en dat de cv-ketel bij het einde van de huur zou komen te vervallen aan [appellante] . Deze laatste voorwaarde brengt met zich dat [geïntimeerde] geen gebruik kon maken van het op grond van artikel 7:216 lid 1 BW in beginsel aan haar toekomende wegneemrecht. Ook daaraan staat artikel 7:242 lid 2 BW niet in de weg. Voor zover [appellante] echter stelt dat [geïntimeerde] geen vergoeding op grond van ongerechtvaardigde verrijking kan vorderen ter zake van de cv-ketel, omdat zij akkoord is gegaan met de voorwaarde dat de cv-ketel bij het einde van de huur zou komen te vervallen aan [appellante] , volgt het hof [appellante] niet in dit betoog. Dat betoog komt er immers op neer dat in gevallen als de onderhavige een vordering uit ongerechtvaardigde verrijking bij voorbaat contractueel kan worden uitgesloten, wat zich niet verdraagt met (de strekking van) het dwingendrechtelijk bepaalde in artikel 7:242 lid 2 BW dat van artikel 7:216 lid 3 BW niet ten nadele van de huurder kan worden afgeweken. In het licht daarvan kunnen de slotwoorden van laatstgenoemde bepaling niet zo worden uitgelegd dat artikel 6:212 BW in dit geval niet voor toepassing in aanmerking komt omdat een mogelijke verrijking van [appellante] wordt gerechtvaardigd door de overeenkomst. Een en ander betekent dat het hof dient te bepalen of en, zo ja, in hoeverre volgens de (overige) vereisten van artikel 6:212 BW een vergoeding aan [geïntimeerde] toekomt. 3.9. [appellante] heeft gesteld dat het, gelet op de afspraken van partijen, niet enkel ging om het verlenen van toestemming door [appellante] voor het plaatsen van een individuele cv-ketel in het gehuurde en dus ook niet om geoorloofde veranderingen of toevoegingen in de zin van artikel 7:216 lid 3 BW, maar om een aanbod van [appellante] tot het wijzigen van de huurovereenkomst onder bepaalde voorwaarden, welk aanbod [geïntimeerde] heeft aanvaard door het ondertekenen en retourneren van de brief van [A] van 4 december 2013. Tussen partijen is daarom, aldus [appellante] , een wederkerige overeenkomst tot stand gekomen waarbij niet alleen toestemming is gegeven voor het aanbrengen van wijzigingen aan het gehuurde, maar waarbij het ook ging om verstrekkende gevolgen voor de inhoud van de huurovereenkomst, met verbintenissen over en weer en daaraan verbonden afspraken over de kosten. 3.10. Het hof kan [appellante] niet volgen in (de kennelijk strekking van) deze stelling, inhoudende dat artikel 7:216 lid 3 BW niet van toepassing is omdat het plaatsen van de cv-ketel door [geïntimeerde] niet is aan te merken als een geoorloofde verandering of toevoeging in de zin van de leden twee en drie van artikel 7:216 BW. Wat verder ook zij van deze stelling, uit de brief van 4 december 2013 blijkt niet dat [appellante] jegens [geïntimeerde] enige andere verbintenis op zich heeft genomen dan het niet langer aan haar in rekening brengen van de op grond van de huurovereenkomst door [geïntimeerde] aan [appellante] verschuldigde (service)kosten die verband houden met de levering van warmte en warm water aan het gehuurde. Dat spreekt vanzelf omdat [appellante] vanaf 1 januari 2014 niet langer voor die levering zorgdroeg en [geïntimeerde] slechts de daadwerkelijk gemaakte kosten was verschuldigd. Voor het overige liggen slechts verplichtingen van [geïntimeerde] jegens [appellante] besloten in de brief van 4 december 2013. Deze brief bevat dan ook in essentie niet meer dan de toestemming van [appellante] voor de aanleg door [geïntimeerde] van een individuele cv-ketel in het gehuurde, aan welke toestemming [appellante] een aantal voorwaarden heeft verbonden. Gesteld noch gebleken is dat [geïntimeerde] niet heeft voldaan aan de gestelde voorwaarden. Reeds hierom moet de aanleg van de cv-ketel door [geïntimeerde] worden aangemerkt als een geoorloofde verandering van of toevoeging aan het gehuurde. Een en ander wordt niet anders omdat de andere huurders van woningen in het [B] als gevolg van het loskoppelen van de door [geïntimeerde] gehuurde woning van de gemeenschappelijke stookinstallatie volgens [appellante] per 1 januari 2014 pro rata meer kosten voor verwarming en warm water moesten gaan betalen en [appellante] een groot deel van die kosten uiteindelijk moest dragen ten gevolge van de vonnissen als vermeld onder 2.3. Die omstandigheid komt immers voor rekening en risico van [appellante] als verhuurder, die een gemeenschappelijke stookinstallatie in bedrijf hield, ook nadat steeds meer woningen in verband met de verkoop daarvan werden afgekoppeld en dat gevolgen bleek te hebben voor (de omvang van) de kosten die [appellante] ten laste van de resterende huurders bracht. 3.11. Anders dan [appellante] heeft gesteld, brengt de omstandigheid dat partijen zijn overeengekomen dat de cv-installatie bij het einde van de verhuur zonder vergoeding aan haar zou vervallen niet mee dat de gehele afspraak zoals vastgelegd in de brief van 4 december 2013 nietig is en daarom ook de door haar verleende toestemming niet meer geldt. Het op grond van artikel 7:242 lid 2 BW semi-dwingendrechtelijk karakter van artikel 7:216 lid 3 BW leidt ertoe dat [geïntimeerde] , in afwijking van hetgeen partijen met de gemaakte afspraken beoogden, op grond van artikel 7:216 lid 3 BW vergoeding kan vorderen voor de achtergelaten cv-ketel, voor zover artikel 6:212 BW dat toestaat. Voor een verder strekkend gevolg van de afspraken tussen partijen bieden de artikelen 7:242 lid 2 BW juncto 7:216 lid 3 BW geen aanknopingspunt. 3.12. De huurder kan slechts aanspraak maken op een vergoeding voor aangebrachte veranderingen of toevoegingen op grond van ongerechtvaardigde verrijking indien bijzondere omstandigheden daartoe aanleiding geven (HR 25 juni 2004 ECLI:NL: HR:2004:AP4373, NJ 2005, 338 (Dupomex)). Daarbij kan onder meer van belang zijn (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.