afdeling strafrecht parketnummers: 23-003054-18 en 23-001267-18 (gevoegd ter terechtzitting in hoger beroep) datum uitspraak: 29 januari 2020 TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsvrouw) Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen de vonnissen van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 6 april 2018 en 27 augustus 2018 in de gevoegde strafzaken onder de parketnummers 13-099986-18 en 13-039204-18 en 13-055729-18 en 13-058519-18 en 13-062061-18 tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1953, adres: [adres]. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 20 december 2019 en 15 januari 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormelde vonnissen. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsvrouw naar voren is gebracht. Vonnis waarvan beroep Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen behalve ten aanzien van de strafoplegging. In zoverre zal het vonnis worden vernietigd. Oplegging van straffen De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot respectievelijk een gevangenisstraf voor de duur van 1 maand en een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden. Daarnaast heeft de politierechter een gebiedsverbod voor de duur van 6 maanden opgelegd. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden, met een proeftijd van 2 jaren. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsvrouw naar voren gebracht dat de verdachte sinds juni 2018 niet meer met politie of justitie in aanraking is gekomen. De verdachte heeft de afgelopen ander halfjaar laten zien dat het goed gaat en zich gehouden aan de gebiedsverboden. De verdachte staat op de wachtlijst voor een begeleid wonen-traject en ontvangt een uitkering. Dit traject komt in gevaar indien een onvoorwaardelijke gevangenisstraf wordt opgelegd. De raadsvrouw heeft verzocht om een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. De verdachte heeft zich vijfmaal schuldig gemaakt aan het overtreden van een hem door de burgemeester gegeven verwijderingsbevel door zich in het dealeroverlastgebied op te houden terwijl hij zich ingevolgde dat bevel aldaar niet mocht bevinden. De naleving van dit soort bevelen is van belang voor de algemene veiligheid en de openbare orde. Dergelijke bevelen worden gegeven om de onaanvaardbaar hoge overlast van en rond straathandel in drugs in bepaalde gebieden van Amsterdam tegen te gaan. Overtreding van dit verbod draagt bij aan gevoelens van onveiligheid bij buurtbewoners, ondernemers, toeristen en andere passanten. Daarnaast getuigt dit gedrag van een gebrek aan respect voor het openbaar gezag. Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 3 december 2019 is de verdachte eerder ter zake van soortgelijke feiten onherroepelijk veroordeeld. Met de raadsvrouw is het hof van mening dat er een positieve ontwikkeling bij de verdachte lijkt te zijn ingetreden na mei
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.