afdeling strafrecht parketnummer: 23-003340-19 datum uitspraak: 9 juli 2020 TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman) Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 5 september 2019 in de strafzaak onder parketnummer 13-100301-19 tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1981, adres: [adres]. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 25 juni 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de politierechter zal bevestigen. Vonnis waarvan beroep Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen met dien verstande dat het hof voor overweging 4.4 uit het vonnis de volgende weerlegging van het – tevens in hoger beroep gevoerde – verweer in de plaats zal stellen. Voorts zal het hof het in de onderhavige zaak gelegde beslag op de voet van artikel 94 van het Wetboek van Strafvordering, opheffen. Bespreking van het verweer Standpunt van de verdediging Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging bepleit dat de onder de verdachte in beslag genomen cocaïne dient te worden uitgesloten van het bewijs, omdat sprake is van een onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (Sv). Daartoe is aangevoerd dat op het moment dat de verbalisant in de tas keek die in de auto van de verdachte lag jegens hem geen verdenking bestond in de zin van artikel 27 Sv. De verbalisant was niet bevoegd was om in de tas te kijken en de daarin aangetroffen cocaïne is dientengevolge onrechtmatig verkregen. De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte door het handelen van de verbalisant is aangetast in zijn persoonlijke levenssfeer en dat het hiervoor beschreven vormverzuim ernstig en bovendien structureel van aard is. Alleen met bewijsuitsluiting kan de normerende werking van het Wetboek van Strafvordering worden bewerkstelligd en de verdachte dient derhalve te worden vrijgesproken van het aan hem tenlastegelegde, aldus de verdediging. Oordeel van het hof Van een vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv is sprake indien in het voorbereidend onderzoek een strafvorderlijk vormvoorschrift dat ertoe strekt belangen van de verdachte te waarborgen, niet is nageleefd en dat verzuim bovendien onherstelbaar is. Voor de toepassing van bewijsuitsluiting als reactie op het verzuim is eerst aanleiding als het bewijs is verkregen als rechtstreeks gevolg van het vormverzuim en (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.