GERECHTSHOF AMSTERDAM kenmerk 19/01574 30 juli 2020 uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer op het hoger beroep van [x] , wonende te [plaats] , belanghebbende, (gemachtigde: mr. N.G.A. Voorbach) tegen de uitspraak van 17 september 2019 in de zaak met kenmerk AMS 18/6521 van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) in het geding tussen en de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam, de heffingsambtenaar. 1Ontstaan en loop van het geding 1.1. Met dagtekening 26 juli 2018 is aan belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd ten bedrage van € 50,30. 1.2. Belanghebbende heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Bij uitspraak op bezwaar van 13 oktober 2018 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar ongegrond verklaard. 1.3. Belanghebbende heeft beroep ingesteld bij de rechtbank. In haar uitspraak van 17 september 2019 heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. 1.4. Het tegen deze uitspraak door belanghebbende ingestelde hoger beroep is per faxbericht bij het Hof ingekomen op 21 oktober 2019. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. 1.5. Partijen hebben geen gebruik gemaakt van de hen door het Hof op de voet van artikel 8:57 lid 1 Awb geboden gelegenheid te verklaren dat zij op een zitting willen worden gehoord. Hierop heeft het Hof het onderzoek gesloten. 2Tussen partijen vaststaande feiten 2.1. De naheffingsaanslag is opgelegd omdat bij controle op 22 juli 2018 om 16.02 uur is gebleken dat voor het parkeren van de auto van belanghebbende met het kenteken [kenteken] ter hoogte van [adres] te [plaats] (hierna; de parkeerplaats) geen parkeerbelasting was voldaan. De parkeerplaats is aangewezen als plaats waar alleen tegen voldoening van parkeerbelasting mag worden geparkeerd. 2.2. In het namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is onder meer het volgende te lezen: “Vooralsnog beperkt het verweer zich tot een algemene ontkenning van de het belastbare feit alsmede een algemene ontkenning van de wettigheid van de gebruikte bewijsmiddelen en een algemene ontkenning van de bevoegdheid van de functionaris die de aanslag heeft opgelegd. Voorts wordt de juistheid van de kostenraming betwist, alsmede de aanwezigheid van voldoende oplaad- en verkooppunten. Voor het formuleren van de nadere gronden verzoek ik u om eerst wat nadere informatie te verstrekken. Ik verzoek u - onder verwijzing naar art. 7:4 van de Awb - alle op de zaak betrekking hebbende stukken te overleggen, waaronder mede wordt begrepen: - documentatie waaruit blijk dat de ambtenaar die de naheffingsaanslag heeft opgelegd daartoe ook bevoegd was; - het aanwijzingsbesluit van de ambtenaar bedoeld in art. artikel 231, tweede lid, aanhef en onderdelen b en c, van de Gemeentewet; - documentatie waaruit blijkt dat het de belastingplichtige voldoende duidelijk behoorde te zijn dat parkeerbelasting verschuldigd was (foto’s van de bebording ter plaatse); - documentatie waaruit blijkt dat de straat waarin het voertuig van cliënt zou zijn geparkeerd bij aanwijzingsbesluit is vastgesteld; - documentatie waaruit blijkt dat het hiervoor vernielde (vigerende) aanwijzingsbesluit op juiste wijze is gepubliceerd en door welk bestuursorgaan (raad of college); - documentatie waaruit blijkt dat de hiervoor vermelde (vigerende) belastingverordening juist is gepubliceerd. (graag eveneens de hyperlink vernielden van de op internet raadpleegbare informatie, niet zijnde een algemene hyperlink als wetaen.overheid.nl); - documentatie waaruit blijkt dat de gemeentelijke kosten voldoen aan art. 2 van het Besluit gemeentelijke parkeerbelastingen (een deugdelijke Ramingstabel); - documentatie waaruit blijkt dat voldoende lokale oplaad- en verkooppunten beschikbaar zijn (als bedoeld in art. la lid 2 van het Besluit gemeentelijke parkeerbelastingen); - een foto het vermeende belastbare feit voor zover aanwezig.” 2.3. Bij brief van 14 september 2018 geeft de heffingsambtenaar de gemachtigde van belanghebbende informatie over de naheffingsaanslagen die de gemeente Amsterdam oplegt. In die brief is onder meer het volgende te lezen: “De wetgever heeft geen aparte regeling getroffen voor de bebording die op grond van de Gemeentewet wordt geplaatst. Het is aan de gemeenten zelf overgelaten op welke wijze zij de parkeerbelastingplicht aanduiden. Wilt u meer weten over de bebording ter plaatse dan kunt u de betreffende locatie bezoeken of via internet de locatie bekijken. Meer informatie over het aantal en de locatie van de parkeerautomaten in de omgeving waar uw cliënten parkeerden vindt u terug onder parkeertarieven op www.amsterdam.nl/parkeer-verkeer u kunt daar zoeken op straatnaam en huisnummer en daarbij de parkeerautomaten aanvinken.” 2.4. In het kader van de bezwaarfase heeft op verzoek van de gemachtigde van belanghebbende een telefonisch hoorgesprek plaatsgevonden op 1 oktober 2018. Hiervan is een verslag opgemaakt (zie bijlage 6 bij het verweerschrift in beroep). Dat verslag vermeldt onder andere het volgende: “Tevens geeft u aan dat uw cliënt geen borden en/of andere aanwijzingen heeft aangetroffen waaruit blijkt dat er parkeerbelasting verschuldigd is. Verder stelt u dat de bebording op de locatie niet duidelijk is. U geeft voorts aan dat niet is gebleken dat [adres] ’ een plaats is waar parkeerbelasting verschuldigd is. Er is volgens u niet aan het kenbaarheidsvereiste voldaan.” 2.5. De heffingsambtenaar heeft in de beroepsfase bij zijn verweerschrift een bijlage 8 overgelegd ter verduidelijking van de situatie ter plaatse. Het betreft een uitdraai van de Amsterdam City Data (hierna: de Uitdraai). 2.6. De Uitdraai kent als situatiedatum 2 augustus 2018 (zie pagina 1, rechts onderaan) en bevat allereerst een foto van een parkeerautomaat gelegen aan een weg, te weten de [adres 1] , met aan de linkerzijde een stoep, groen en water en aan de rechterzijde woonhuizen. Verder bevat de Uitdraai twee plattegronden, te weten een uitgezoomde versie (zie pagina 1 van bijlage 8) en een ingezoomde versie (zie pagina 2 van bijlage 8). Op de ingezoomde versie is een rood blokje met kruisje zichtbaar dat is gelegen tussen de [adres 1] en de [adres 2] . Dit rode blokje is aangeduid als ‘parkeerlocatie auto eiser’. Verder zijn op de ingezoomde versie van de plattegrond zeven blauwe blokjes zichtbaar min of meer rondom het rode blokje. Deze zeven blauwe blokjes zijn aangeduid als ‘locatie parkeerautomaten en bebording’. 3Geschil in hoger beroep 3.1. Allereerst ligt voor de vraag of de heffingsambtenaar in de bezwaarfase het inzagerecht zoals neergelegd in artikel 7:4, lid 2, van de Awb heeft geschonden. 3.2. Voorts is in geschil of de naheffingsaanslag parkeerbelasting terecht aan belanghebbende is opgelegd. Het geschil spitst zich toe op de vraag of het voor belanghebbende voldoende kenbaar was dat voor het parkeren ter plaatse belasting verschuldigd was (het kenbaarheidsvereiste). 3.3. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. 4Overwegingen van de rechtbank De rechtbank heeft omtrent het geschil als volgt overwogen en beslist. “Het overleggen van relevante stukken 4. [x] heeft ter zitting gesteld dat de heffingsambtenaar in de bezwaarfase al de uitdraai van City Data (bijlage 8) had moeten overleggen of ter inzage had moeten leggen. In dit stuk is een foto van een parkeerautomaat en een plattegrond met locaties van parkeerautomaten opgenomen. Verzocht is de uitspraak op bezwaar om deze reden te vernietigen. 5. De heffingsambtenaar heeft op de zitting gesteld dat de stukken waarop de naheffingsaanslag was gebaseerd wel reeds naar [x] waren gestuurd. In de beroepsfase zijn alle relevante stukken aan de rechtbank en daarmee ook aan [x] verstrekt, waaronder bijlage 8. Bijlage 8 bevat algemene informatie die voor iedereen op internet te vinden is, zoals een kaartje met parkeerlocaties. Ook zonder de foto die deel uitmaakt van bijlage 8 was de naheffingsaanslag opgelegd. Weliswaar komt de foto van bijlage 8 uit City Data en is deze slechts voor de heffingsambtenaar beschikbaar, maar het is volgens de heffingsambtenaar algemene informatie die ook te vinden is op Google maps. 6. De rechtbank overweegt dat het betreffende stuk geen stuk is dat ten grondslag heeft gelegen of van invloed is geweest aan het opleggen van de naheffingsaanslag. Hierdoor is er geen sprake van schending van artikel 7:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Bovendien heeft [x] in beroep ruim de tijd gehad om op het stuk te reageren. De kenbaarheid van het betaald parkeren 7. [x] vindt dat de aanslag onterecht is opgelegd. Zij vindt namelijk dat de heffingsambtenaar niet voldoende kenbaar heeft gemaakt dat er een regime van betaald parkeren gold in de [adres] . Zij heeft geen parkeerautomaat gezien of andere aanwijzingen waaruit blijkt dat sprake was van betaald parkeren. 8. De heffingsambtenaar vindt dat wel voldoende duidelijk was dat er voor het parkeren diende te worden betaald. Uit de plattegrond die de heffingsambtenaar heeft overgelegd blijkt volgens de heffingsambtenaar dat er meerdere parkeerautomaten in de buurt stonden van de locatie waar [x] haar auto parkeerde. Deze parkeerautomaten zijn van enige afstand zichtbaar. De heffingsambtenaar verwijst ter onderbouwing van zijn standpunt naar de kaart (gedingstuk B8) waarop de dichtstbijzijnde parkeerautomaat is aangegeven. Volgens de heffingsambtenaar moet [x] deze parkeerautomaat - die zich op ongeveer 100 meter van de parkeerlocatie bevindt - bij het inrijden van de [adres] zijn gepasseerd. 9. Volgens vaste rechtspraak rust op de heffingsambtenaar de plicht om ter plaatse kenbaar te maken dat parkeerbelasting verschuldigd is. Van een parkeerder mag echter worden verwacht dat hij bij aanvang van het parkeren voldoende onderzoekt of parkeerbelasting verschuldigd is. Dit houdt in dat hij oplet of hij bebording ‘betaald parkeren’ of een parkeerautomaat passeert en dat hij zich nadat hij heeft geparkeerd inspant om te onderzoeken of voor het parkeren parkeerbelasting verschuldigd is [voetnoot rechtbank: Zie de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 12 september 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:3863].’ 10. De rechtbank overweegt dat een parkeerder zich voortdurend op de hoogte moet stellen van het geldende parkeerregime, ook omdat parkeerregimes kunnen wijzigen. Uit het dossier volgt dat in de directe omgeving van de locatie waar de auto geparkeerd stond meerdere parkeerautomaten staan en bebording aanwezig is. Naar het oordeel van de rechtbank was het voor [x] voldoende kenbaar dat er parkeerbelasting betaald moest worden op de plek waar haar auto stilstond. Voor zover [x] zich op het standpunt stelt dat in de straat zelf bebording en/of parkeerautomaten hadden moeten staan om duidelijk te maken dat er een betaald-parkeren regime geldt, slaagt dit niet. Niet vereist is namelijk dat aan het begin en eind van elke straat met bebording wordt aangegeven dat in die straat parkeerbelasting is verschuldigd. 11. Gelet op het voorgaande is de naheffingsaanslag terecht opgelegd.” 12. Het beroep is ongegrond. [x] krijgt dus geen gelijk. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.” 5Beoordeling van het geschil ‘Op de zaak betrekking hebbende stukken’ (artikel 7:4, lid 2, Awb) 5.1. Belanghebbende betoogt dat de heffingsambtenaar al in de bezwaarfase de Uitdraai voorafgaand aan het horen ter inzage had behoren te leggen. Hiertoe is de heffingsambtenaar, in de visie van belanghebbende, verplicht op grond van artikel 7:4 lid 2 Awb. Doordat de heffingsambtenaar heeft gehandeld in strijd met die wetsbepaling, dient de uitspraak op bezwaar te worden vernietigd. Het Hof begrijpt dit betoog aldus dat na vernietiging van de uitspraak op bezwaar de zaak dient te worden terugverwezen, zodat er opnieuw op het bezwaar kan worden beslist met inachtneming van belanghebbendes reactie op de Uitdraai. Het Hof merkt hierbij nog op dat voor zover het betoog van de zijde van belanghebbende ook ziet op bijlage 7 bij het verweerschrift dat een kennelijk misverstand betreft nu het daarbij gaat om de uitspraak op bezwaar. 5.2. De heffingsambtenaar bestrijdt belanghebbendes betoog en verwijst ter onderbouwing naar hetgeen hij in de beroepsfase hieromtrent reeds heeft aangevoerd (zie hiervoor onder 4, rechtsoverweging 5 van de uitspraak van de rechtbank). 5.3.1. Artikel 7:4 van Awb bepaalt – voor zover alhier van belang – het volgende: “1. Tot tien dagen voor het horen kunnen belanghebbenden nadere stukken indienen. 2. Het bestuursorgaan legt het bezwaarschrift en alle verder op de zaak betrekking hebbende stukken voorafgaand aan het horen gedurende ten minste een week voor belanghebbenden ter inzage.” 5.3.2. Het betoog van belanghebbende faalt reeds omdat hij daarbij geen enkel belang heeft nu hij van het recht voorafgaande aan het horen inzage te nemen van de stukken, geen gebruik heeft gemaakt. Voor zover anders zou moeten worden geoordeeld heeft te gelden hetgeen het Hof hierna onder 5.4. tot en met 5.10. overweegt. 5.4. In de Memorie van Toelichting bij de Awb is over het begrip ‘op de zaak betrekking hebbende stukken’ als bedoeld in artikel 7:4, lid 2, van de Awb het volgende opgemerkt (Kamerstukken II 1988/1989, 21 221, nr. 3, p. 149 (MvT)): “Alvorens een hoorzitting wordt gehouden, dient de bezwaarde de gelegenheid te hebben om de stukken die op zijn zaak betrekking hebben en die hij misschien nog niet alle kent in te zien. Eventuele derde-belanghebbenden worden in staat gesteld van het bezwaarschrift en de overige stukken kennis te nemen. Het inzagerecht, geregeld in het tweede lid, is als een van de fundamentele waarborgen voor een goed verlopende bezwaarschriftprocedure te beschouwen. Zoveel mogelijk moet vermeden worden dat het bestuursorgaan zijn beslissing doet steunen op informatie welke de betrokken belanghebbenden niet hebben kunnen kennen. Ongewenst ook is de situatie dat pas in een latere fase (bijvoorbeeld bij de administratieve rechter) een belanghebbende kennis kan nemen van stukken die voor hem in een eerdere fase ontoegankelijk waren. De consequentie daarvan zou immers kunnen zijn dat geschilpunten die in de bezwaarfase definitief beslist hadden kunnen worden indien alle stukken bekend waren geweest, zonder voldoende noodzaak tot een procedure voor de administratieve rechter leiden. In beginsel dient het bestuursorgaan daarom rapporten, adviezen en beleidsnota's die aan de beroepsinstantie plegen te worden toegezonden, ook reeds in de bezwaarschriftprocedure voor belanghebbenden ter inzage te leggen. De bepaling eist derhalve niet meer, dan dat stukken die de belanghebbende in een eventuele procedure voor de rechter toch al zou kunnen inzien, reeds in de bezwaarschriftprocedure voor hem ter kennisneming beschikbaar zijn.” In de Memorie van Antwoord bij de Awb is door de regering over de ‘op de zaak betrekking hebbende stukken’ nog opgemerkt (Kamerstukken II 1990/91, 21 221, nr. 5, p. 97 (MvA)): “Voor opneming van de plicht tot terinzagelegging van interne adviezen zien wij geen aanleiding, nu uitdrukkelijk is bepaald dat alle voor de zaak relevante stukken ter inzage dienen te liggen, behalve wanneer een van de leden 4, 5 of 6 van artikel 6.3.9 (Hof: thans artikel 7:4 van de Awb) van toepassing is.” 5.5. De Hoge Raad heeft het begrip ‘op de zaak betrekking hebbende stukken’ onder meer gedefinieerd in zijn arrest van 4 mei 2018, zaaknummer 16/04237, ECLI:NLHR:2018:672. In rechtsoverweging 3.4.2. is hieromtrent onder meer het volgende overwogen: “
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.