GERECHTSHOF AMSTERDAM Afdeling civiel recht en belastingrecht Team III (familie -en jeugdrecht) zaaknummer: 200.278.138/02 zaaknummer rechtbank: C15/284526/FARK 19-617 beschikking van de meervoudige kamer van 11 augustus 2020 inzake [de man] , wonende te [woonplaats] , verzoeker, verder te noemen: de man, advocaat: mr. R.L. Beckers te Enkhuizen, en [de vrouw] , wonende te [woonplaats] , verweerster, verder te noemen: de vrouw, advocaat: mr. P.F.M. Deijkers te Hoorn. 1Het verloop van het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar beschikking van de rechtbank Noord-Holland (Alkmaar) van 12 februari 2020, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. 2Het geding in hoger beroep 2.1. De man heeft bij verzoekschrift, ingekomen op 13 mei 2020, verzocht de werking van de beschikking van 12 februari 2020 te schorsen, van welke beschikking hij op diezelfde datum hoger beroep heeft ingesteld. 2.2. De vrouw heeft op 9 juni 2020 een verweerschrift tegen het schorsingsverzoek ingediend. 2.3. Het hof heeft partijen bij brief van 27 mei 2020 bericht dat het hof voornemens is op het schorsingsverzoek te beslissen zonder zitting. 2.4. De advocaat van de vrouw heeft zich op 15 juni 2020 onttrokken. 3De feiten 3.1. Het huwelijk van partijen is op 19 mei 2020 ontbonden door echtscheiding. 3.2. Partijen zijn de ouders van [kind A] (hierna: [kind A] ), geboren [in] 2002 en [kind B] (hierna: [kind B] ), geboren [in] 2009. [kind A] verblijft bij de man en [kind B] verblijft bij de vrouw. 3.3. Bij beschikking van de rechtbank van 19 december 2019 is bij wijze van voorlopige voorziening bepaald dat de man met ingang van 29 november 2019 een bijdrage ten behoeve van [kind B] dient te voldoen van € 273,- per maand. 4De omvang van het geschil 4.1. Bij de - in zoverre niet bestreden- beschikking is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Voorts is, voor zover thans van belang, bepaald dat de man aan de vrouw met ingang van 23 januari 2019 een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind B] van € 328,- per maand dient te voldoen. Daarnaast is bepaald dat de man met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheiding € 33,- per maand dient te voldoen aan de vrouw als uitkering tot levensonderhoud. De beschikking is met betrekking tot de kinderbijdrage en de partnerbijdrage uitvoerbaar bij voorraad verklaard. 4.2. De man verzoekt voor de duur van het geding in hoger beroep de werking van de bestreden beschikking te schorsen, in die zin dat hij verzoekt de executie te schorsen voor zover het de ingangsdatum betreft van de onderhoudsbijdragen van 23 januari 2020 (het hof leest: 23 januari 2019) tot 21 augustus 2019. De man verzoekt tevens de vrouw te veroordelen in de proceskosten. 4.3. De vrouw verzoekt de verzoeken van de man af te wijzen. 5De motivering van het verzoek 5.1. De man voert ter onderbouwing van zijn schorsingsverzoek het volgende aan. Volgens hem had hij geen rekening kunnen houden met de door de rechtbank bepaalde ingangsdatum aangezien hij ervan uitging dat hij tot (het hof begrijpt) 21 augustus 2019 aan zijn verplichtingen had voldaan. Daarnaast stelt hij dat de vrouw geen belang bij executie heeft, omdat er bij haar geen noodtoestand is ontstaan. Zij zal de ontvangen uitkeringen bovendien moeten verrekenen met Werksaam, waarvan zij een aanvullende bijdrage ontvangt. De vrouw heeft inmiddels het LBIO ingeschakeld. De man stelt dat hij aan het plafond van zijn mogelijkheden zit en de door het LBIO gevraagde bedragen niet kan betalen, omdat hij deze ook niet heeft kunnen reserveren. Hij draagt de volledige kosten van [kind A] . De man verzoekt de vrouw in de kosten van de procedures te veroordelen. Volgens hem doet zij er alles aan om hem dwars te zitten. 5.2. De vrouw is het eens met de door de rechtbank bepaalde ingangsdatum. Zij verkeert in een financieel veel slechtere positie dan de man. Zij kon bijna niet rondkomen en stond er wat betreft [kind B] alleen voor. Zij heeft geld van haar ouders moeten lenen. De man is onderhoudsplichtig jegens [kind B] en het is niet reëel alle kosten van [kind B] op de vrouw of derden af te wentelen. De man heeft volgens haar niet onderbouwd dat aan de gronden voor schorsing is voldaan. Hij heeft evenmin onderbouwd dat hij in de financiële problemen raakt. Er is geen grond voor een proceskostenveroordeling en zij kan deze ook niet voldoen, aldus de vrouw. 5.3. Het hof overweegt dat bij de beoordeling van een verzoek tot schorsing van de werking van een uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beschikking in navolging van de bestaande rechtspraak (laatstelijk HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026), en in aanmerking nemend dat in de vorige instantie geen gemotiveerde beslissing over de uitvoerbaarverklaring is gegeven, de volgende maatstaven gelden:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.