afdeling strafrecht parketnummer: 23-004156-19 datum uitspraak: 18 augustus 2020 TEGENSPRAAK Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 6 november 2019 in de strafzaak onder de parketnummers 13-168291-19 en 13-684097-17 (TUL) tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2001, adres: [adres 1]. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 4 augustus 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht. Vonnis waarvan beroep Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen behalve ten aanzien van de strafoplegging voor zover deze ziet op de bepaalde jeugddetentie en de vordering tenuitvoerlegging. In zoverre zal het vonnis worden vernietigd. Oplegging van straf De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot jeugddetentie voor de duur van negen maanden met aftrek van het voorarrest. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 en 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot jeugddetentie voor de duur van 360 dagen met aftrek van het voorarrest, waarvan 58 dagen jeugddetentie voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. Ook vordert de advocaat-generaal de volgende bijzondere voorwaarden: een meldplicht, begeleiding bij de Waag of een soortgelijke instelling, het verlenen van medewerking aan een coachingstraject, het volgen van onderwijs en vrijetijdsbesteding en de jongvolwassenenreclassering dient toezicht te houden op de voorwaarden. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. Op 12 juli 2019 heeft de verdachte zich samen met twee medeverdachten schuldig gemaakt aan voorbereidingshandelingen gericht op een overval op de [restaurant] in Diemen en aan verboden bezit van een vuurwapen met munitie. De verdachte stond, samen met de twee medeverdachten, kort na sluitingstijd van de [restaurant] geparkeerd op het enorme parkeerterrein van deze vestiging. Het kenteken van de auto was afgeplakt en in de auto zijn bivakmutsen, handschoenen en een vuurwapen met munitie gevonden. Verdachte droeg zelf bovenkleding waarvan het logo was afgeplakt. De verdachte heeft een week voor het plegen van het strafbare feit op zijn telefoon gezocht naar informatie over de [restaurant] in Diemen. Met andere woorden; er was hier sprake van een doordachte en gedurende een aanzienlijke tijd voorbereide poging tot een overval van een restaurant, waarbij de verdachte en de medeverdachten bedreiging met een vuurwapen niet schuwden. Dat dit niet plan is uitgevoerd, is hoogstwaarschijnlijk slechts te danken aan het alerte optreden van de politie. Het gaat hier, buiten het treffen van voorbereidingshandelingen, ook om verboden wapenbezit. Het plegen (en voorbereiden) van dergelijke feiten en het voorhanden hebben van een vuurwapen met munitie brengt gevoelens van onrust, angst en onveiligheid teweeg, zowel bij de slachtoffers ervan als in de samenleving. Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 24 juli 2020 is hij eerder meerdere malen onherroepelijk veroordeeld wegens (het voorbereiden en poging tot) woningoverval en wegens (poging tot) straatroof. Gelet op de ernst van het feit waarvoor voorbereidingshandelingen werden getroffen en de risico’s die verbonden zijn aan het ongecontroleerd bezit van een vuurwapen komt alleen een vrijheidsstraf van aanzienlijke duur als sanctie in aanmerking. Het hof houdt rekening met de tijd die de verdachte al in voorarrest heeft gezeten en met de positieve wending die de verdachte aan zijn leven lijkt te willen geven. Het hof vindt het belangrijk om die positieve ontwikkeling te stimuleren, maar tegelijk ziet het hof de noodzaak om de verdachte bij de les te houden en hem ervan te doordringen dat hij zich niet meer schuldig moet maken aan strafbare feiten, en zeker niet aan de strafbare feiten zoals in deze zaak bewezen verklaard. Het hof vindt daarom dat er een lang voorwaardelijk deel aan de vrijheidsstraf verbonden moet zijn. Het hof vindt het ook belangrijk om een aantal bijzondere voorwaarden op te leggen die de verdachte kunnen helpen op het goede pad te blijven; hulp en steun van de reclassering en andere hulpverleners is aangewezen. De verdachte is nu oud genoeg om zich bewust te zijn van de gevolgen die doorgaan op het pad van de criminaliteit zal hebben. Als de verdachte zich niet houdt aan de regels die hem op basis van deze deels voorwaardelijke straf worden gesteld, of als hij weer de fout in gaat door een strafbaar feit te plegen, weet hij dat hij langdurig de cel in zal moeten. Het hof komt daarom uit op een hogere straf dan door de advocaat-generaal gevorderd. Het hof acht, alles afwegende, een jeugddetentie van na te melden duur passend en geboden. Het hof acht het gelet op de problematiek van de verdachte noodzakelijk dat hij ook de komende jaren nog zal worden begeleid door de reclassering. Om die reden en om te voorkomen dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen zal het hof een deel van de jeugddetentie voorwaardelijk opleggen, met een proeftijd van twee jaren, met de oplegging van de bijzondere voorwaarden zoals deze hierna zullen worden gespecificeerd. Vordering tot tenuitvoerlegging Bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 21 december 2017 onder parketnummer 13-684097-17 is de verdachte – voor zover van belang – veroordeeld tot een voorwaardelijke plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (hierna de PIJ-maatregel) voor de duur van twee jaren, met bevel dat die PIJ-maatregel niet ten uitvoer zal worden gelegd onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van twee jaren niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep – in afwijking van de in eerste aanleg ingediende vordering van het openbaar ministerie tot tenuitvoerlegging van die niet tenuitvoergelegde straf – gevorderd dat die vordering wordt afgewezen. In hoger beroep is komen vast te staan dat de verdachte de genoemde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd. De verdachte heeft immers de in de onderhavige strafzaak bewezen verklaarde feiten begaan terwijl de hiervoor bedoelde proeftijd nog niet was verstreken. De voorwaardelijk opgelegde PIJ-maatregel was destijds gebaseerd op een Pro Justitia rapport met daarin een psychologisch onderzoek en een Pro Justitia rapport met daarin een psychiatrisch onderzoek, beide van 14 juni
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.