afdeling strafrecht parketnummer: 23-001552-19 datum uitspraak: 19 augustus 2020 TEGENSPRAAK Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 5 april 2019 in de strafzaak onder parketnummer 15-200795-18 tegen [verdachte 2] geboren te Alkmaar op [geboortedatum] 1977, adres: [adres] (NH). Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 5 augustus 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht. Tenlastelegging Aan de verdachte is tenlastegelegd dat: hij op of omstreeks 10 mei 2018 te Bergen (NH [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] meermalen althans eenmaal te slaan/stompen in/tegen het gezicht en/of hoofd althans in ieder geval tegen het lichaam. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de politierechter. Bewijsoverweging De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak van het tenlastegelegde bepleit. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de verdachte heeft gehandeld uit noodweer, nu hij zich geconfronteerd zag met een onmiddellijk dreigend gevaar voor een ogenblikkelijke aanranding. Daaraan ligt ten grondslag dat de verdachte, toen hij zich op het terras bevond, verbaal werd bedreigd door de aangever en zijn vrienden, waarbij de aangever dreigend op hem kwam aflopen en de verdachte hem toen en daar direct in een afwerende beweging met de muis van zijn hand heeft geraakt. Het hof overweegt als volgt. Het hof acht de feiten en omstandigheden die de verdediging aan het verweer ten grondslag heeft gelegd, niet aannemelijk geworden. De door de verdediging gegeven lezing van de gebeurtenissen vindt zijn weerlegging in de volgende, aan wettige bewijsmiddelen ontleende, feiten en omstandigheden. De aangever heeft ter gelegenheid van de aangifte en een nader verhoor bij de politie verklaard dat hij zich op 10 mei 2018, met een vriend van hem, te weten getuige [persoon 1] , op het terras van ’ [naam] te Bergen bevond, waar de verdachte eveneens aanwezig was. De verdachte zou op enig moment tegen [persoon 1] zijn aangelopen en de aangever vervolgens bij de linker bovenarm/schouder hebben gepakt. De aangever liep naar eigen zeggen vervolgens weg van het terras, de openbare weg op, waarna de verdachte achter hem aankwam en hem met zijn vuist op zijn mond sloeg waardoor de aangever een zwelling aan zijn lippen, een hersenschudding en enkele losse tanden opliep. Voornoemde lezing van de aangever vindt op meerdere punten steun in de verklaringen van getuigen [persoon 1] , [persoon 2] en [persoon 3] . De gemene deler daarin is dat de aangever, na het vastpakken van de linkerarm/schouder door de verdachte, het terras af en de straat op liep, waarop de verdachte achter hem aanliep en vervolgens een vuistslag aan de aangever uitdeelde. Hierbij hecht het hof waarde aan de omstandigheid dat voornoemde getuigen ter plaatse, kort na het incident en door afzonderlijke verbalisanten zijn gehoord. Dat het incident niet op het terras maar op straat heeft plaatsgevonden vindt eveneens bevestiging in de verklaring van getuige [persoon 4] , die inhoudt dat hij uit een restaurant schuin tegenover ’ [naam] kwam toen hij herrie op straat hoorde en de verdachte met nog wat personen zag staan op straat vóór ’ [naam] . [persoon 4] kreeg op dat moment de indruk dat de verdachte het aan de stok had met één van die personen, die een wat bebloed gezicht had. Daarbij komt dat het door de (waarnemend) huisarts bij de aangever geconstateerde letsel past bij het handelen van de verdachte zoals dat in de lezing van de aangever en voornoemde getuigen naar voren komt. Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de verdachte de hem verweten gedraging niet heeft verricht in een situatie waarin en op een tijdstip waarop voor hem de noodzaak bestond tot verdediging van eigen lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, dan wel het onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor. Het tot vrijspraak strekkende verweer wordt verworpen. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: hij op 10 mei 2018 te Bergen (NH [slachtoffer] heeft mishandeld door [slachtoffer] tegen het gezicht te stompen. Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het bewezen verklaarde levert op: mishandeling. Strafbaarheid van de verdachte Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is. Oplegging van straf De politierechter in de rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 750,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.