GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling civiel recht en belastingrecht, team I zaaknummer : 200.256.032/01 zaaknummer rechtbank Noord-Holland : 6502109\CV EXPL 17-10811 arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 1 september 2020 inzake [appellant] , wonende te [woonplaats] , appellant, advocaat: mr. A. Quispel te Oud-Beijerland, tegen 1 [geïntimeerde sub 1] , wonende te [woonplaats] , advocaat: mr. E.B. Doganer te Amsterdam, 2 [X] SLOOPCOMBINATIE B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , advocaat: mr H.M. Kruitwagen te Arnhem, geïntimeerden. 1Het geding in hoger beroep Partijen worden hierna [appellant] , [geïntimeerde sub 1] en [X] genoemd. Geïntimeerden worden gezamenlijk [X] c.s. genoemd. [appellant] is bij dagvaarding van 4 maart 2019 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem (hierna: de kantonrechter), van 5 december 2018, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [appellant] als eiser en [X] c.s. als gedaagden. Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend: - memorie van grieven, met producties; - memorie van antwoord van [geïntimeerde sub 1] ; - memorie van antwoord van [X] met producties; - akte uitlating producties van [appellant] . Ten slotte is arrest gevraagd. [appellant] heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en - uitvoerbaar bij voorraad - alsnog zijn vorderingen zal toewijzen met veroordeling van [X] c.s. in de kosten van het geding in beide instanties. [geïntimeerde sub 1] heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met - uitvoerbaar bij voorraad - veroordeling van [appellant] in de kosten van het geding. [X] heeft eveneens geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met - uitvoerbaar bij voorraad - veroordeling van [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep met nakosten en rente. Alle partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden. 2Feiten De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis onder 2.1 tot en met 2.9 de feiten vastgesteld die hij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt. Deze feiten, aangevuld met feiten die zijn gesteld en niet (voldoende) betwist, komen neer op het volgende. 2.1 [appellant] is met ingang van 22 september 2014 een ‘arbeidsovereenkomst uitzendkracht’ aangegaan met de inmiddels ontbonden vennootschap onder firma Sofia Uitzendbureau VOF (verder: Sofia). [geïntimeerde sub 1] was een van de vennoten van Sofia. [appellant] werd door Sofia tewerkgesteld bij inlener [X] . 2.2 Op 10 april 2015 heeft [appellant] letsel opgelopen tijdens de uitvoering van zijn werkzaamheden voor [X] . De werkzaamheden bestonden die dag uit het gereedmaken van een woning te Amsterdam voor sloop. [appellant] is daarbij ten val gekomen en over de trap tussen de 2e en de 1e verdieping naar beneden gegleden. Niemand heeft het ongeval zien gebeuren. Collega’s troffen [appellant] aan, liggend op de grond onderaan de trap. 2.3 [X] heeft op 10 april 2015 melding gemaakt van het ongeval bij de Inspectie SZW, die op 14 april 2015 onderzoek heeft gedaan op de ongevalslocatie. In de notities daarvan heeft de arbeidsinspecteur opgenomen dat de vaste trap is bekleed met hoogpolig tapijt, dat het tapijt overal vast op de trap ligt, dat de trap in totaal 15 treden heeft en dat langs een groot deel van de trap een reling liep die vast zit en in goede staat verkeerde. Ook is genoteerd dat het slachtoffer de trap af liep met een koevoet in zijn handen. 2.4 [appellant] heeft op 1 mei 2015 tegenover de arbeidsinspecteur, door tussenkomst van een tolk, het volgende – voor zover relevant – over de toedracht van het ongeval verklaard:“(…) Ik pakte 2 elektrische hakhamers en wilde de trap af lopen om deze naar de begane grond te brengen. Ik had in ieder hand een hakhamer. Deze wegen ongeveer 10 kilo er stuk. Deze 2 hakhamers zaten allebei in een koffer. Op de tweede of derde trede van boven ben ik al de trap afgevallen. Ik weet niet waarom ik ben gevallen. Ik weet niet of ik ben gestruikeld of van de traptrede gegleden. (…) Bovenaan de trap zat geen leuning in de bocht. Er zat wel een leuning langs het rechte stuk van de trap. Maar ik kon toch geen leuning vasthouden want ik had in elke hand een koffer vast. (…)” 2.5 Bij brief van 12 mei 2015 heeft de inspectie SZW aan [X] en [appellant] laten weten dat ter plaatse van het ongeval nadere informatie is ingewonnen en de bevindingen vooralsnog geen aanleiding geven tot het instellen van een volledig onderzoek of tot het opstellen van een rapport. 2.6 Direct na het ongeval is [X] met [appellant] naar het BovenIJ ziekenhuis gegaan. Daar werd geconstateerd dat de pols van [appellant] gebroken was. In verband met uitvalverschijnselen in zijn benen is [appellant] diezelfde dag naar de spoedeisende hulp van het VU Medisch Centrum overgebracht. [appellant] is daar geopereerd en tot 21 april 2015 opgenomen geweest op de afdeling neurochirurgie. 2.7 Aansluitend is [appellant] tot 11 juli 2015 opgenomen geweest voor klinische revalidatie in Heliomare te Wijk aan Zee. Bij ontslag uit Heliomare was de kracht en sensibiliteit redelijk goed hersteld, maar waren er nog wel mictie- en defecatiestoornissen. 2.8 [appellant] heeft zijn werkzaamheden bij [X] na het ongeval niet meer hervat. 2.9 Bij brief van 25 juli 2017 zijn Sofia en [X] door [appellant] aansprakelijk gesteld voor de gevolgen van het hem overkomen ongeval, wegens schending van de zorgplicht. 3Beoordeling 3.1 [appellant] vordert in deze procedure een verklaring voor recht dat [geïntimeerde sub 1] en [X] hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade die [appellant] heeft geleden als gevolg van het arbeidsongeval dat zich op 10 april 2015 heeft voorgedaan, met hoofdelijke veroordeling van [geïntimeerde sub 1] en [X] tot betaling aan [appellant] van deze schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet. Volgens [appellant] is niet aan de zorgplicht van artikel 7:658 van het Burgerlijk Wetboek (BW) voldaan. De kantonrechter heeft bij het bestreden vonnis de vorderingen afgewezen en [appellant] in de proceskosten veroordeeld. Tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt [appellant] met zes grieven op. Deze grieven strekken gezamenlijk tot de conclusie dat [X] c.s. hun zorgplicht jegens [appellant] hebben geschonden en daarom hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de door [appellant] geleden schade. 3.2 Ter toelichting op deze grieven heeft [appellant] aangevoerd dat op [X] c.s. de stelplicht en bewijslast rust dat zij aan de op hen rustende zorgplicht hebben voldaan. Hij betwist dat - zoals de kantonrechter heeft overwogen - die stelplicht mede wordt bepaald door de wijze waarop [appellant] feitelijk invulling heeft gegeven aan de zijne. Dit zou volgens [appellant] meebrengen dat de stelplicht en bewijslast via een omweg alsnog bij hem komt te liggen. Verder stelt [appellant] dat hij wel degelijk stellingen in verband met de zorgplicht heeft aangedragen. Hij wijst erop dat de stukken die [X] heeft overgelegd met betrekking tot de wijze waarop zij in het algemeen invulling geeft aan haar zorgplicht, deels zeer specifieke stukken betreft ten aanzien van het onderhavige slooppand. Dit zijn voorbeelddocumenten omdat de originele documenten volgens [X] bij een ransomware-aanval zijn kwijtgeraakt. [appellant] betwist dit en stelt dat deze stukken nooit zijn opgesteld. Bij gebreke van een sloopplan is nu niet vast te stellen of de werkomstandigheden in de woning wel veilig waren. [X] c.s. zouden zich bovendien beter bewust zijn geweest van de risico’s zoals het vallen van de trap en voorzieningen hebben kunnen treffen. 3.3 Ten aanzien van de risico’s stelt [appellant] dat de trap een gevaarlijke trap was omdat deze met vloerbedekking bekleed was, smalle en korte treden had en er een gevaarlijke bocht in zat. Een wezenlijk onderdeel van de trap ontbrak, te weten een deel van de leuning en de trap was beschadigd. Daarmee was de trap ongeschikt voor de intensieve manier waarop daarvan door [appellant] gebruik gemaakt werd, namelijk het verrichten van zwaar werk onder moeilijke sloopomstandigheden. Volgens [appellant] had [X] instructies moeten geven en voorzieningen moeten treffen zoals het aanleggen van een goederenlift. 3.4 [X] heeft de grieven bestreden en het volgende aangevoerd. [X] stelt primair dat het aflopen van een trap in een woning een alledaagse activiteit is met een daaraan verbonden alledaags risico, waartoe de zorgplicht van de werkgever zich niet uitstrekt. Er waren geen andere bijzondere omstandigheden aan de orde op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat het afdalen van de trap geen alledaagse activiteit was. Betwist wordt dat er sloopwerkzaamheden werden verricht, de werkzaamheden bestonden slechts uit het sloopklaar maken van het pand, en hielden in dat kleine losse objecten verwijderd moesten worden. Dit betrof geen zware of ongebruikelijke of zware objecten. De trap toonde geen gebreken, er ontbraken geen wezenlijke onderdelen en de trap was niet buitengewoon smal, glad of bochtig. 3.5 Subsidiair stelt [X] dat zij haar zorgplicht naar behoren heeft vervuld. Zij wijst erop dat op haar de zorgplicht rust om maatregelen te nemen die redelijkerwijs van de werkgever gevergd kunnen worden en dat het van de omstandigheden van het geval afhangt welke maatregelen dat zijn. Zij heeft met verwijzing naar verschillende producties (kwaliteitscertificaten van TÜV, een risico-inventarisatie en –evaluatierapport van PraKtima en voorbeelden van een Veiligheids- en gezondheidsplan (ook wel ‘Sloopplan’) en een werkplekinspectieformulier) gesteld en onderbouwd op welke wijze zij haar zorgplicht heeft ingevuld. Ook in het onderhavige geval is een Sloopplan en een werkinspectie opgesteld, waarin ook specifiek aandacht is besteed aan risico’s als struikelgevaar. Voorafgaande aan de start van het werk worden de medewerker geïnstrueerd en naleving van de veiligheidsregels wordt regelmatig gecontroleerd. [appellant] heeft bovendien in 2013 op kosten van [X] de VCA-cursus gevolgd. Gelet op de aard van het onderhavige risico (huis-, tuin- en keukenrisico) en de ervaring van [appellant] heeft [X] daarmee aan haar zorgplicht voldaan. Het ligt op de weg van [appellant] om gemotiveerd te stellen waaruit een eventueel tekortschieten van [X] zou bestaan. Het aanleggen van een goederenlift kon onder de gegeven omstandigheden in redelijkheid niet van [X] worden verlangd. Voorts merkt [X] op dat de toedracht van het ongeval niet vast staat. [X] betwist de stelling van [appellant] dat hij met twee koffers met hakhamers de trap afliep. Deze zijn niet aangetroffen en in het rapport van de arbeidsinspectie is vermeld dat hij een koevoet in zijn hand had. Of en in hoeverre hetgeen [appellant] al dan niet in zijn handen had heeft bijgedragen aan het ongeval wordt door [appellant] niet gesteld. In elk geval kan [X] hiervan geen verwijt worden gemaakt omdat van een ervaren werknemer als [appellant] verlangd kan worden dat hij weet op welke wijze hij verantwoord met goederen in zijn handen een trap kan afdalen. 3.6 Meer subsidiair stelt [X] dat er geen causaal verband bestaat tussen het vermeende schenden van de zorgplicht door geen Slooplan en Werkinspectie op te stellen, en het ongeval. In dat geval was de situatie niet anders geweest, omdat in dat geval ook onderkend was dat de trap noch de aard van de werkzaamheden een bijzondere risico vormden waartegen nadere maatregelen getroffen dienden te worden, zoals het aanleggen van een goederenlift. 3.7 [geïntimeerde sub 1] heeft allereerst gesteld dat [appellant] niet-ontvankelijk moet worden verklaard wegens schending van het procesreglement en handelen in strijd met de goede procesorde. Onder punt 2 van de memorie van grieven is een opsomming gemaakt van de stukken die door [appellant] in de procedure (in hoger beroep) worden gebracht. Een afschrift van deze stukken is door [appellant] echter niet ook aan [geïntimeerde sub 1] verzonden zodat [geïntimeerde sub 1] niet (volledig) op de hoogte is (kan zijn) van welke stukken [appellant] nou precies in de procedure heeft gebracht en of dit dan ook juist is. Dit is in strijd met de goede procesorde daar [geïntimeerde sub 1] op deze wijze in zijn verdediging wordt benadeeld. Ook in eerste aanleg had [appellant] ter zitting stukken in het geding gebracht die zij niet aan [geïntimeerde sub 1] had gezonden. 3.8 Voorts heeft [geïntimeerde sub 1] de grieven bestreden. [geïntimeerde sub 1] betwist dat de zorgplicht is geschonden. Net als [X] voert [geïntimeerde sub 1] aan dat het hier een alledaags risico betreft waartoe de zorgplicht van de werkgever zich niet uitstrekt. Er was geen sprake van een bijzonder gevaar. Het feit dat het een sloopwoning betrof brengt niet zonder meer mee dat er een bijzonder risico bestond en ook niet dat aan de trap wezenlijke onderdelen ontbraken. Uit de aantekeningen van de Inspectie SZW blijkt dat de trap goed was: het tapijt lag vast, de trap was netjes en er was een goede leuning. De omstandigheid dat de trap bekleed is, maakt de trap niet gevaarlijk. Daarbij is het onjuist dat het om een smalle trap zou gaan met korte treden. Dat de trap beschadigd was, wordt betwist. [geïntimeerde sub 1] heeft zijn stelling dat dit wel het geval was, onvoldoende onderbouwd. Voor zover [appellant] stelt dat het hier een niet-alledaagse situatie betrof omdat hij met twee hakhamers in zijn handen de trap afliep, betwist [geïntimeerde sub 1] dat dit het geval was. Hij verwijst daartoe naar de aantekening van de Inspectie SZW dat [appellant] een koevoet droeg. In elk geval staat vast dat het hier niet om iets ongebruikelijks ging als een wasmachine of iets dergelijks. Overigens voert [geïntimeerde sub 1] aan dat uit niets blijkt dat wat [appellant] in zijn handen had ook maar op enige wijze heeft bijgedragen aan het ontstaan van de val, laat staan het ontstaan van het letsel. [geïntimeerde sub 1] stelt dat hieruit volgt dat hij aan zijn zorgplicht heeft voldaan. [appellant] heeft (nog) steeds niet toegelicht welke maatregelen [geïntimeerde sub 1] (dan wel [X] ) dan had moeten treffen zodat het incident voorkomen had kunnen worden, terwijl dat wel op zijn weg lag. Gelet op het feit dat het aflopen van een trap een alledaagse activiteit is en het een alledaagse trap betrof die in goede staat verkeerde, waren geen nadere instructies of voorzieningen vereist. [geïntimeerde sub 1] betwist dat de zorgplicht meebracht dat een goederenlift had moeten worden gebruikt. Subsidiair heeft [geïntimeerde sub 1] aangevoerd dat het ongeval heeft plaatsgevonden als gevolg van bewuste roekeloosheid dan wel eigen schuld van [appellant] . Daartoe heeft hij gesteld dat [appellant] zijn werkzaamheden verrichtte onder invloed van alcohol, met als gevolg dat hij van de trap is gevallen. Dit leidt ertoe dat [geïntimeerde sub 1] zijn eigen schade dient te dragen. 3.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.