afdeling strafrecht parketnummer: 23-004375-18 datum uitspraak: 14 september 2020 TEGENSPRAAK Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 23 november 2018 in de strafzaak onder parketnummer 13-706116-16 tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1992, adres: [adres] . Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 31 augustus 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 50 uren, subsidiair 25 dagen vervangende hechtenis, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Vonnis waarvan beroep Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen behalve ten aanzien van de opgelegde straf (nu blijkt dat de verdachte in verzekering is gesteld voor de duur van één dag) – in zoverre zal het vonnis worden vernietigd – en met dien verstande dat het hof het vonnis aanvult met een overweging inzake de redelijke termijn en de aanhef van bewijsmiddel 4 van het proces-verbaal van de politierechter van 23 november 2018 vervangt door de volgende aanhef: - een proces-verbaal van aangifte, inclusief bijlagen, met nummer 2016032655-10 van 11 februari 2016, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant]. Redelijke termijn Het hof stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn. Deze in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) neergelegde waarborg strekt ertoe te voorkomen dat een verdachte onnodig lang onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven. De overschrijding van de redelijke termijn leidt, ook wanneer deze zeer aanzienlijk is, volgens vaste rechtspraak in de regel niet tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging. Vermindering van de op te leggen straf is telkens de aangewezen sanctie. Daarnaast biedt de rechterlijke straftoemetingsvrijheid vrijwel onbegrensde ruimte om met tijdsverloop rekening te houden. De redelijke termijn is aangevangen met het bevel tot inverzekeringstelling van de verdachte op 11 februari
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.