← Nederland

ECLI:NL:GHAMS:2020:2565

beslissing ___________________________________________________________________ _ _ GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling civiel recht en belastingrecht zaaknummer : 200.269.663/01 GDW nummer eerste aanleg : C/13/667864/DW RK 19/305 beslissing van de notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer van 13 oktober 2020 inzake [klager] , wonend te [woonplaats] , appellant, tegen [gerechtsdeurwaarder] , gerechtsdeurwaarder te [plaats] , geïntimeerde. Partijen worden hierna klager en de gerechtsdeurwaarder genoemd. 1Het geding in hoger beroep 1.

  1. Klager heeft op 22 november 2019 een beroepschrift, met bijlagen, bij het hof ingediend tegen de beslissing van de kamer voor gerechtsdeurwaarders te Amsterdam (hierna: de kamer) van 12 november 2019 (ECLI:NL:TGDKG:2019:161). De gerechtsdeurwaarder heeft op 7 februari 2020 een verweerschrift, met een bijlage, bij het hof ingediend. 1.
  2. Het hof heeft van de kamer de stukken van de eerste aanleg ontvangen. 1.
  3. De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 27 augustus
  4. Klager en de gerechtsdeurwaarder zijn verschenen en hebben het woord gevoerd; klager aan de hand van een aan het hof overgelegde pleitnota. 2Feiten Het hof verwijst voor de feiten naar hetgeen de kamer in de bestreden beslissing heeft vastgesteld. Partijen hebben tegen de vaststelling van de feiten door de kamer geen bezwaar gemaakt, zodat ook het hof van die feiten uitgaat. Kort gezegd gaat het in deze zaak om het volgende. 2.
  5. In een eerdere (klacht)procedure tegen de gerechtsdeurwaarder in 2016 heeft klager geklaagd over, onder meer, het onterecht leggen van bankbeslag en het onjuist toepassen van de beslagvrije voet. 2.
  6. In zijn verweerschrift in die procedure heeft de gerechtsdeurwaarder, onder verwijzing naar uittreksels uit het handelsregister, onder meer aangevoerd dat klager drie ondernemingen in eigendom had en over de jaren 2014, 2015 en 2016 niet heeft opgegeven welke inkomsten hij uit deze ondernemingen genoot. 2.
  7. Bij beslissing van 21 februari 2017 heeft de voorzitter van de kamer de klacht als kennelijk ongegrond afgewezen. Tegen die beslissing heeft klager verzet ingesteld. Bij beslissing van 10 april 2018 heeft de kamer het verzet ongegrond verklaard. 3Standpunt van klager Klager verwijt de gerechtsdeurwaarder dat hij in zijn verweerschrift in de eerdere (klacht)procedure heeft gelogen en opzettelijk de kamer heeft misleid door uittreksels over te leggen van twee stichtingen en een besloten vennootschap onder de mededeling dat klager deze ondernemingen in eigendom had. 4Standpunt van de gerechtsdeurwaarder De gerechtsdeurwaarder heeft als verweer aangevoerd dat hij niet heeft gezegd dat klager eigenaar is van genoemde ondernemingen en dat ook nooit zo heeft bedoeld; hij heeft bedoeld dat klager bestuurder is van die ondernemingen. 5Beoordeling De kamer heeft in de bestreden beslissing het verzet van klager tegen de beslissing van de voorzitter van de kamer van 4 juni 2019, waarbij de klacht kennelijk niet-ontvankelijk is verklaard, gegrond verklaard, de beslissing van de voorzitter vernietigd en de klacht van klager tegen de gerechtsdeurwaarder alsnog ongegrond verklaard. 5.
  8. Uit het hiervoor onder 2.2 genoemde verweerschrift van de gerechtsdeurwaarder in de vorige procedure blijkt dat de gerechtsdeurwaarder letterlijk heeft geschreven dat klager een drietal eigen ondernemingen in eigendom heeft. De gerechtsdeurwaarder heeft ter onderbouwing van zijn verweer uittreksels van twee stichtingen en een besloten vennootschap bijgevoegd. Terecht heeft de kamer overwogen dat men geen eigenaar kan zijn van een stichting. Men kan daarentegen wel eigenaar zijn van een besloten vennootschap. Uit de uittreksels volgt dat klager bestuurder is van de genoemde rechtspersonen. De omschrijving “in eigendom” is daarom juridisch inderdaad niet correct. Dat betekent echter niet dat de gerechtsdeurwaarder met opzet onwaarheden heeft gesproken of de kamer met opzet heeft misleid. De gerechtsdeurwaarder heeft kennelijk bedoeld dat klager degene is met de hoogste zeggenschap in die rechtspersonen. Doordat de uittreksels uit het handelsregister waren bijgevoegd, was het voor de kamer duidelijk wat de feitelijke situatie was. Dat de gerechtsdeurwaarder zich in zijn verweerschrift juridisch niet volledig juist heeft uitgedrukt is onder die omstandigheden niet tuchtrechtelijk laakbaar. 5.
  9. Nu van enig klachtwaardig handelen niet is gebleken, dient de klacht als ongegrond te worden afgewezen. 6Beslissing Het hof: - bevestigt de bestreden beslissing. Deze beslissing is gegeven door mrs. J.C.W. Rang, L.J. Saarloos en A.W. Jongbloed en in het openbaar uitgesproken op 13 oktober door de rolraadsheer.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.