afdeling strafrecht parketnummer: 23-004214-18 datum uitspraak: 16 oktober 2020 TEGENSPRAAK Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 20 november 2018 in de strafzaak onder parketnummer 13-702702-18 tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] (Turkije) op [geboortedag] 1962, adres: [adres]. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 16 september 2019 en 2 oktober 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht. Vonnis waarvan beroep Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen behalve ten aanzien van de strafoplegging en ten aanzien van de beslissing op de vordering van de benadeelde partij. In zoverre zal het vonnis worden vernietigd. Voorts zal het hof een in hoger beroep gevoerd verweer bespreken. Bespreking van een bewijsverweer De verdediging heeft ten aanzien van het onder 1 primair ten laste gelegde vrijspraak bepleit. Daartoe heeft zij aangevoerd dat sprake zou zijn geweest van een misverstand. De verdachte zou, nadat hij de sigaretten in zijn zak had gestoken, naar buiten zijn gelopen omdat hij een telefoontje kreeg. Zijn vriendin zou bij de kassa de sigaretten hebben proberen af te rekenen. Het hof maakt uit het dossier het volgende op. De verdachte en zijn toenmalige vriendin kwamen bij de [winkel] aan de balie met verschillende goederen, waaronder rookwaren. De verdachte stopte gedurende dit proces de rookwaren in zijn zak en verliet de winkel nog voordat de betaling was afgerond. De vriendin van de verdachte had enkel het pasje van de verdachte, maar niet de pincode en vroeg of zij naar buiten mocht lopen om de pincode aan de verdachte te vragen. Een medewerker trof de verdachte buiten aan, waarbij de verdachte zichtbaar schrok. Eenmaal naar binnen geleid, werd de verdachte in de gelegenheid gesteld om alsnog te betalen. Er bleek onvoldoende saldo op zijn rekening te staan. Het hof leidt uit de hiervoor omschreven omstandigheden en de uiterlijke verschijningsvorm daarvan af dat de verdachte een truc toepaste om zonder te betalen met de rookwaren de winkel te kunnen verlaten. Het hof wordt in dit oordeel gesterkt nu deze modus operandi overeenkomt met de werkwijze van de verdachte bij het feitencomplex van het onder 2 –en door de verdachte erkende - bewezenverklaarde. De omstandigheden dat de verdachte snel naar buiten liep met de rookwaren op het moment dat de betaling nog niet afgerond was, de verdachte schrok toen hij werd geconfronteerd door de medewerker en onvoldoende saldo op zijn rekening had staan om überhaupt aan de betaling te kunnen voldoen, maken dat naar het oordeel van het hof de diefstal van de rookwaren wettig en overtuigend bewezen is. Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en zoals deze zijn opgesomd in het vonnis. Na het eventueel instellen van beroep in cassatie zal het vonnis worden aangevuld met de uitgewerkte bewijsmiddelen. Oplegging van straf De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 primair en onder 2 primair bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie weken met aftrek van het voorarrest. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 primair en onder 2 primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 weken. De raadsman heeft verzocht om toepassing van artikel 9a Sr, dan wel de oplegging van een geheel voorwaardelijke straf. De verdachte ondergaat reeds een zware behandeling in het kader van bijzondere voorwaarden die zijn gesteld in een andere strafzaak en die hem mogelijk perspectief geeft op een betere toekomst. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft zich tweemaal schuldig gemaakt aan diefstal van goederen. De verdachte heeft de goederen op slinkse wijze weggenomen en inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van anderen. De verdachte heeft voorts financiële schade en overlast voor de gedupeerden veroorzaakt. Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 23 september 2020 is hij meermalen onherroepelijk veroordeeld voor vermogensdelicten. Blijkens de LOVS oriëntatiepunten pleegt in soortgelijke gevallen met veelvuldige recidive een maand gevangenisstraf per feit te worden opgelegd. Het hof heeft acht geslagen op de omstandigheid dat de verdachte reeds een benodigde behandeling voor zijn problematiek volgt in een kliniek en het ziet daarin aanleiding om de straf te matigen en gedeeltelijk in voorwaardelijke vorm op te leggen. De veelvuldige recidive van de verdachte verzet zich echter tegen oplegging van een geheel voorwaardelijke straf. Het hof acht, alles afwegende, een gedeeltelijk voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden. Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straf zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 63 en 310 van het Wetboek van Strafrecht. Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezenverklaarde. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde] De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 307,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.