afdeling strafrecht parketnummer: 23-003417-19 datum uitspraak: 17 september 2020 VERSTEK Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Holland van 6 mei 2019 in de strafzaak onder parketnummer 15-001301-19 tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] (Groot-Brittannië) op [geboortedag] 1998, adres: [adres] Onderzoek ter terechtzitting Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 17 september
- Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkend tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het hoger beroep, omdat de verdachte dat rechtsmiddel te laat heeft ingesteld. Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep De verdachte is in eerste aanleg gedagvaard om op 6 mei 2019 te 15.20 uur te verschijnen ter terechtzitting van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Holland. De inleidende dagvaarding is op 28 februari 2019 uitgereikt aan de griffier. Op gelijke datum is een afschrift van de dagvaarding en een vertaling daarvan verstuurd naar het door de verdachte tijdens zijn politieverhoor opgegeven adres in Groot-Brittannië. Op 9 maart 2019 heeft de vader van de verdachte, genaamd [naam], een e-mail gestuurd aan een medewerker van de rechtbank Amsterdam, waarin hij namens de verdachte reageert op de dagvaarding om op 6 mei 2019 te 15.20 uur ter terechtzitting te verschijnen. In die e-mail is met zoveel woorden vermeld dat verdachte die dagvaarding heeft ontvangen en worden het parketnummer waaronder die dagvaarding is uitgebracht, de zittingslocatie en het tijdstip van de zitting genoemd. De verdachte is op de terechtzitting van 6 mei 2019 niet verschenen en toen bij verstek veroordeeld. Bij die stand van zaken had de verdachte, gelet op het bepaalde in artikel 408, eerste lid, aanhef en onder c, van het Wetboek van Strafvordering binnen veertien dagen na 6 mei 2019 in hoger beroep moeten komen. De verdachte heeft echter eerst op 12 september 2019 en dus te laat hoger beroep doen instellen. Uit het dossier blijkt niet van bijzondere, de verdachte niet toe te rekenen omstandigheden op grond waarvan de overschrijding van de termijn verontschuldigbaar kan worden geacht. Gelet op het bovenstaande dient de verdachte niet-ontvankelijk te worden verklaard in het hoger beroep. BESLISSING Het hof: Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep. Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. K.J. Veenstra, mr. J.J.I. de Jong en mr. J.H.C. van Ginhoven, in tegenwoordigheid van mr. S. Bonset, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 17 september
- De griffier is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.