beslissing ___________________________________________________________________ _ _ GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling civiel recht en belastingrecht zaaknummer : 200.249.364/01 NOT nummer eerste aanleg : C/05/329765 / KL RK 17-189 en C/05/329767 / KL RK 17-190 beslissing van de notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer van 3 maart 2020 inzake 1 [klager sub 1] , wonende te [woonplaats] ,
(4)delen wordt opgedeeld als volgt: (…) met een voorschot ten bedrage van (…) (€ 1.000.000,00) op éénendertig oktober tweeduizend veertien, waarbij bedongen is door schuldeiser en met schuldenaar overeengekomen dat de laatste een eigen inleg pleegt ten bedrage van (…) ( € 1.000.000,00) , middels overboeking naar een derdenrekening ten name van mij, notaris (in die zin dat deze gelden worden gestort op een rekening ten name van schuldenaar, met mij, notaris, als enig tekeningsbevoegde), welke rekening inmiddels is geopend bij de [bank 2] te [plaats] (…), gesteld onder beheer van mij, notaris, afgedekt door een door schuldenaar en schuldeiser onvoorwaardelijk geaccepteerde contragarantie van schuldeiser (door de heer [E] , aan schuldenaar en schuldeiser genoegzaam bekend) door middel van een cheque van Hong Kong dollar (HKD) 10.000.000,00 (…), hetgeen bij de ten tijde van het uitbrengen van de offerte geldende wisselkoers van (…) overeenkomt met de somma van ongeveer (…) (€ 1.053.000,00) . Zodra de overeengekomen lening volledig is verstrekt (conform bovenstaand schema op éénendertig januari tweeduizend vijftien) ontvangt de inlegger van de schuldeiser voormelde eigen inleg terug en wordt de contragarantiecheque van HKD tien miljoen aan schuldeiser teruggegeven. De schuldenaar heeft zich jegens de inlegger verbonden aan de laatste een premie ten bedrage van (…) (€ 300.000,00) te betalen, boven en naast het bedrag van de inleg ad (…) (€ 1.000.000,00) , weshalve de inlegger alsdan (uiterlijk per één februari tweeduizend vijftien) in totaal ontvangt de somma van (…) (€ 1.300.000,00) . (…)” 2.
- [D ] is tekortgeschoten in haar verplichtingen. De aangeboden financiering bleek geen doorgang te kunnen vinden. Toen klager de cheques wilde incasseren om zijn inleg terug te krijgen, bleken de cheques niet te zijn gedekt. 2.
- De oud-notaris is met ingang van 1 februari 2016 gedefungeerd. 3Standpunt van klager 3.
- Klager heeft in zijn aanvullend beroepschrift te kennen gegeven dat het hoger beroep tegen voormelde beslissing van de kamer, voor zover deze betrekking heeft op de klachten gericht tegen de oud-notaris, niet langer wordt gehandhaafd. 3.
- In hoger beroep is van de oorspronkelijke zes klachtonderdelen van klager nog slechts het navolgende als klacht aan de orde. Klager verwijt de notaris - in zijn algemeenheid - in strijd te hebben gehandeld met de Wet op het notarisambt (hierna: Wna), onder andere met het bepaalde in de artikelen 21 en 93 Wna. In klachtonderdeel 6 van de oorspronkelijke klacht verwijt klager de notaris dat hij heeft meegewerkt aan het door de oud-notaris volmachtigen van een derde om namens hem cheques te innen, terwijl de cheques bovendien op naam van klager hadden moeten staan. De notaris had vragen moeten stellen toen een kantoorgenoot ineens cheques van 10 miljoen Hong Kong dollar op zijn eigen naam kreeg uitgeschreven, aldus klager. 4Standpunt van de notaris De notaris heeft verweer gevoerd. Het standpunt van de notaris wordt, voor zover relevant voor de beoordeling van de klacht, hieronder besproken. 5Beoordeling Gedeeltelijke intrekking hoger beroep 5.
- Nu klager het hoger beroep tegen de bestreden beslissing, voor zover deze betrekking heeft op de klachten gericht tegen de oud-notaris, heeft ingetrokken, zal het hof het beroep in zoverre niet behandelen. Belang 5.
- De notaris stelt zich primair op het standpunt dat [klager sub 1] en de [klager sub 2] geen belanghebbenden zijn bij zijn legalisatie van de handtekening van de oud-notaris en evenmin bij de volmacht van de oud-notaris aan [bestuurder] . Subsidiair stelt de notaris dat één van beide klagers geen concreet eigen belang heeft, aangezien dat belang al wordt gedekt door het belang van de andere klager. 5.
- Het hof stelt het volgende voorop. Ingevolge artikel 99, lid 1 Wna kan ieder die daarbij enig redelijk belang heeft een klacht indienen. Het begrip ‘enig redelijk belang’ moet ruim worden opgevat. 5.
- Naar het oordeel van het hof hebben zowel [klager sub 1] als de [klager sub 2] enig redelijk belang bij de door de oud-notaris aan [bestuurder] verstrekte volmacht en tevens bij de legalisatie van de handtekening van de oud-notaris op die volmacht. [bestuurder] was door de oud-notaris gemachtigd om de cheques, die op naam van de oud-notaris stonden, te innen. De legalisatie van de handtekening van de oud-notaris was nodig om de cheques te kunnen innen en daar hadden [klager sub 1] en de [klager sub 2] belang bij, aangezien de cheques dienden als zekerheid voor het terugkrijgen van de door [klager sub 1] c.q. [klager sub 2] gefinancierde ‘eigen inleg’. Het primaire verweer van de notaris gaat derhalve niet op. Voorts neemt het belang van de ene appellant dat van de andere niet weg. Het subsidiaire verweer van de notaris gaat derhalve ook niet op. Het hof acht [klager sub 1] en de [klager sub 2] beide ontvankelijk in hun klacht. Legalisatie handtekening oud-notaris (klachtonderdeel 6) 5.
- De notaris voert aan dat hij slechts de handtekening van de oud-notaris op de (onderhandse) volmacht heeft gelegaliseerd en dat bij het legaliseren van een handtekening geen zogenoemde ‘Belehrungspflicht’ bestaat. Als legaliserend notaris kon hij volstaan met een basale toets en was hij niet verplicht zich te verdiepen in de inhoud van de volmacht. Indien hij de inhoud van de volmacht wel zou hebben bestudeerd, had dit bovendien niet tot dienstweigering mogen leiden, aldus de notaris. 5.
- Krachtens artikel 52 Wna houdt legalisatie van een handtekening door een notaris in dat hij op het aangeboden stuk of op een daaraan aangehecht stuk een door hem gedagtekende en ondertekende verklaring stelt waarin hij de echtheid van de op het hem aangeboden stuk gestelde handtekening bevestigt. De legaliserende notaris zal zijn dienst moeten weigeren indien iemand wilsonbekwaam is. Daarnaast geldt dat een notaris niet mag meewerken aan handelingen die naar zijn redelijke overtuiging of vermoeden in strijd met het recht of de openbare orde zijn. 5.
- Het hof constateert dat in de akte van volmacht duidelijk kenbaar een bedrag van“HK$ 5.000,000,--” staat vermeld, met daarboven de zinsnede “to pay at [oud-notaris] ” (dat wil zeggen: te betalen aan de oud-notaris). Het ging derhalve om een transactie waarbij cheques in ongebruikelijke valuta zouden worden geïnd ten behoeve van een notaris in privé, terwijl het (ongeacht de al dan niet aanwezige kennis van de waarde van de Hong Kong dollar) op het eerste gezicht om een aanzienlijk bedrag ging. Gelet hierop had de notaris nader onderzoek moeten doen en in ieder geval nadere vragen moeten stellen aan de oud-notaris. Nu de notaris geen onderzoek heeft gedaan, heeft de notaris zich onvoldoende ervan vergewist dat hij niet meewerkte aan handelingen die naar zijn redelijke overtuiging of vermoeden in strijd zijn met het recht of de openbare orde. Het hof is dan ook van oordeel dat de notaris in zoverre niet de van een notaris te verwachten zorgvuldigheid heeft betracht. Dit valt de notaris tuchtrechtelijk te verwijten. Dat het in dit geval ging om de legalisatie van een handtekening van een kantoorgenoot c.q. een maat doet aan het voorgaande niet af. Het hof merkt nog op dat een privétransactie van een kantoorgenoot of maat juist alertheid vraagt en dat het de voorkeur verdient hierbij - eventueel grote - terughoudendheid te betrachten. Anders dan de kamer acht het hof dit klachtonderdeel derhalve gegrond. Maatregel 5.
- Naar het oordeel van het hof dient de notaris voor het gegrond verklaarde klachtonderdeel een maatregel te worden opgelegd. Gelet op het voorgaande heeft de notaris niet gehandeld zoals een zorgvuldig notaris betaamt en daardoor de belangen van klager onvoldoende in acht genomen. Het hof acht de maatregel van waarschuwing passend en geboden en zal de notaris deze maatregel opleggen. 5.
- Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht, kan buiten beschouwing blijven omdat het niet van belang is voor de beslissing in deze zaak. Griffierecht en kostenveroordeling 5.
- Nu het hof de klacht (gedeeltelijk) gegrond verklaart, stelt het hof vast dat de notaris op grond van de artikelen 99 lid 5 Wna jo. 107 lid 3 Wna het door klager betaalde griffierecht in hoger beroep aan hem dienen te vergoeden. 5.
- Nu het hof de notaris tevens een maatregel oplegt, zal het hof de notaris op grond van de artikelen 103b lid 1 Wna jo. 107 lid 3 Wna jo. de Tijdelijke richtlijn kostenveroordeling notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer Gerechtshof Amsterdam (Staatscourant 2019, nr. 61782) veroordelen in de volgende kosten in hoger beroep: - € 50,- kosten van klager; - € 1.000,- kosten van klager in verband met door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; - € 3.000,- kosten van behandeling van de klacht door het hof. Er zijn geen bijzondere omstandigheden gesteld of gebleken die aanleiding geven tot een andere beslissing. 5.
- De notaris dient de kosten van klager in hoger beroep binnen vier weken na deze uitspraak aan klager te voldoen, hetgeen kan geschieden door betaling op een daartoe door klager aan de notaris opgegeven rekeningnummer. 5.
- De notaris dient de kosten van behandeling van de klacht in hoger beroep door het hof te voldoen aan het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak (LDCR), waarbij de in de artikelen 103b lid 3 Wna jo. 107 lid 3 Wna bepaalde termijn en de wijze waarop de kosten moeten worden voldaan door het LDCR per brief aan de notaris zullen worden meegedeeld. 5.
- Het hiervoor overwogene leidt tot de volgende beslissing. 6Beslissing Het hof: - verstaat dat klager het hoger beroep tegen de bestreden beslissing, voor zover deze betrekking heeft op de oud-notaris, heeft ingetrokken; - vernietigt de bestreden beslissing, voor zover daarbij klachtonderdeel 6 ongegrond is verklaard; en, opnieuw beslissende: - verklaart klachtonderdeel 6 gegrond; - legt ter zake daarvan aan de notaris de maatregel van waarschuwing op; - veroordeelt de notaris tot betaling aan klager van zijn kosten in hoger beroep, bestaande uit € 50,- aan griffierecht, € 50,- aan kosten klager en € 1.000,- aan kosten rechtsbijstand, derhalve in totaal € 1.100,-, binnen vier weken na heden; - veroordeelt de notaris tot betaling van de kosten van behandeling van de klacht in hoger beroep door het hof (€ 3.000,-) aan het LDCR op de wijze en binnen de termijn als door het LDCR aan de notaris meegedeeld. Deze beslissing is gegeven door mrs. A.D.R.M. Boumans, G.C.C. Lewin en M. Bijkerk en in het openbaar uitgesproken op 3 maart 2020 door de rolraadsheer.