GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling civiel recht en belastingrecht, team I zaaknummer : 200.247.763/01 zaaknummer rechtbank Amsterdam : 6571201 CV EXPL 18-791 arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 7 januari 2020 inzake WOOD INVESTMENTS B.V., gevestigd te Groningen, appellante, advocaat: mr. P.M. Jongeling te Amsterdam, tegen [geïntimeerde], wonend te Amsterdam, geïntimeerde, advocaat: mr. S. Besli te Ede. 1Het geding in hoger beroep Partijen worden hierna Wood Investments en [geïntimeerde] genoemd. Wood Investments is bij dagvaarding van 4 oktober 2018 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kantonrechter), van 13 juli 2018, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen Wood Investments als eiseres en [geïntimeerde] als gedaagde. Bij arrest van 6 november 2018 heeft het hof een comparitie na aanbrengen gelast, die op 18 februari 2019 heeft plaatsgevonden. Ten behoeve van die zitting heeft Wood Investments een aantal stukken in het geding gebracht. Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend: - memorie van grieven, met een productie; - memorie van antwoord. Ten slotte is arrest gevraagd. Wood Investments heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en - uitvoerbaar bij voorraad - alsnog de vordering van Wood Investments zal toewijzen, met beslissing over de proceskosten, inclusief de nakosten en met rente. [geïntimeerde] heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met - uitvoerbaar bij voorraad - beslissing over de proceskosten, inclusief de nakosten. Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden. 2Feiten De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis onder 1.1 tot en met 1.5 de feiten vastgesteld die hij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt. Zij luiden als volgt. 2.1 In de periode van 21 november 2011 tot 15 maart 2013 heeft Nuon aan [geïntimeerde] gas en elektra geleverd op het verbruiksadres [adres] . 2.2 Bij afrekening van 17 juli 2012 over de periode van 21 november 2011 tot 2 juli 2012 heeft Nuon aan [geïntimeerde] een bedrag van € 1.734,22 in rekening gebracht. Na aftrek van de in rekening gebrachte termijnbedragen bleef een bedrag van € 780,06 bij te betalen over. 2.3 Bij afrekening van 23 april 2013 over de periode van 20 juni 2012 tot 15 maart 2013 heeft Nuon aan [geïntimeerde] een bedrag van € 1.746,11 in rekening gebracht. Na aftrek van de in rekening gebrachte termijnbedragen bleef een bedrag van € 826,11 bij te betalen over. 2.4 [geïntimeerde] heeft de beide afrekeningen en ook de termijnfacturen van 3 februari 2013 en 3 maart 2013 van elk € 115,= niet voldaan. 2.5 Bij akte van 19 november 2015 Nuon haar vordering op [geïntimeerde] gecedeerd aan Wood Investments. 3Beoordeling 3.1 In dit geding vordert Wood Investments betaling van € 1.836,17 aan hoofdsom, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag die berekend tot 29 september 2017 € 245,80 bedraagt, € 237,= aan buitengerechtelijke incassokosten en veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het geding. Aan deze vordering legt Wood Investments ten grondslag dat [geïntimeerde] de hiervoor vermelde energierekeningen ondanks verscheidene aan haar gezonden aanmaningen niet heeft voldaan. Wood Investments stelt op 7 augustus 2017 aan [geïntimeerde] de zogenoemde “veertiendagenbrief” te hebben gestuurd, waarin ook mededeling is gedaan van de cessie. 3.2 [geïntimeerde] heeft in eerste aanleg betwist ooit enige aanmaning te hebben ontvangen. Zij heeft zich op grond daarvan op het standpunt gesteld dat de vordering op grond van artikel 7:28 BW reeds was verjaard ten tijde van de brief van 7 augustus 2017, die zij overigens eveneens ontkende te hebben ontvangen. Daarnaast heeft [geïntimeerde] het verweer gevoerd dat de hoge afrekeningen niet juist konden zijn. 3.3 Bij het bestreden vonnis heeft de kantonrechter het beroep op verjaring gehonoreerd en de vordering van Wood Investments afgewezen, met veroordeling van Wood Investments in de kosten van de procedure. 3.4 In hoger beroep betoogt Wood Investments met haar beide grieven dat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat de verjaring van de vordering niet tijdig is gestuit en de vordering niet inhoudelijk heeft beoordeeld. Wood Investments heeft verwezen naar door haar in het geding gebrachte stukken, namelijk de verzonden aanmaningen, een door [geïntimeerde] ingevuld contactformulier, verslagen van telefoongesprekken met [geïntimeerde] en met hulpverleners van [geïntimeerde] met Nuon en met de gemachtigde van Nuon en e-mails van [geïntimeerde] zelf en van een van haar hulpverleners. Wood Investments heeft aan de hand van die stukken uiteen gezet dat vanaf 2012 steeds aanmaningen zijn gestuurd, waarna daarop door of namens [geïntimeerde] is gereageerd, schriftelijk dan wel telefonisch. Er is tussen 2012 en het uitbrengen van de inleidende dagvaarding op 6 december 2017 nooit een periode van twee jaar geweest waarin de verjaring niet is gestuit door een (door [geïntimeerde] ontvangen) aanmaning, aldus Wood Investments. 3.5 [geïntimeerde] heeft in hoger beroep haar verweer dat zij nooit aanmaningen heeft ontvangen, laten varen. Thans betwist zij dat de brieven waarop Wood Investments zich beroept, kunnen worden aangemerkt als stuitingshandelingen. Zij meent dat die brieven niet, zoals op grond van vaste jurisprudentie is vereist, een voldoende duidelijke waarschuwing aan Valk inhouden dat zij ook na het verstrijken van de verjaringstermijn ermee rekening moest houden dat zij de beschikking houdt over haar gegevens en bewijsmateriaal, opdat zij zich tegen een dan mogelijkerwijs alsnog door Nuon (of haar rechtsopvolgster) ingestelde vordering behoorlijk zou kunnen verweren. 3.6 Het hof stelt voorop dat, anders dan [geïntimeerde] kennelijk meent, een brief ook stuitende werking kan hebben als daarin niet met zoveel woorden is vermeld dat de brief (mede) is bedoeld om de verjaring te stuiten. Verder geldt met betrekking tot de door [geïntimeerde] genoemde brieven het volgende. - De brief van 13 augustus 2012 draagt de titel “Aanmaning” en bevat de zinsnede “Betaal voor 31 augustus 2012” en verderop de zin: “Als wij uw betaling niet voor 31 augustus ontvangen, brengen wij u hiervoor wettelijke incassokosten in rekening”. Dit alles brengt mee dat deze brief is te beschouwen als een “schriftelijke aanmaning” in de zin van artikel 3:317 BW, waaraan op grond van dat artikel stuitende werking toekomt, zonder dat de brief nog aan andere vereisten hoeft te voldoen. Overigens is het hof van oordeel dat die brief ook wel degelijk de in jurisprudentie bedoelde duidelijke waarschuwing bevat dat - kort gezegd - Nuon het niet erbij zou laten zitten. - De brief van 28 januari 2013 draagt eveneens de titel “Aanmaning” en bevat de zinsnede “Betaal voor 15 februari 2013” en verderop de zin: “Als wij uw betaling niet voor 15 februari 2013 ontvangen, brengen wij u hiervoor wettelijke incassokosten in rekening”. Hoewel de inhoud na de vorige brief een herhaling van zetten is, is ook deze brief onmiskenbaar een aanmaning, met stuitende werking, en tevens een voldoende waarschuwing dat Nuon betaling wenste en [geïntimeerde] haar bewijsmiddelen moest bewaren om de vordering desgewenst inhoudelijk te kunnen bestrijden. - De brief van 19 december 2013 bevat de zin: “Ter voorkoming van allerlei kostenverhogende maatregelen sommeren wij u binnen 5 dagen na heden tot betaling van het verschuldigde over te gaan”. Deze sommatie maakt deze brief tot een schriftelijke aanmaning. Ook deze brief vormt bovendien een voldoende waarschuwing als hiervoor bedoeld. - De brief van 13 maart 2014 eindigt met de volgende zinnen: “Cliënte handhaaft derhalve ook de vordering en heeft ons verzocht verder te gaan met de incassoprocedure. Wij sommeren u dan ook het verschuldigde ad € 2.155,59 alsnog binnen vijf dagen na heden aan ons over te maken. Blijft u hiermee in gebreke, zullen wij genoodzaakt zijn verdere kostenverhogende maatregelen te nemen”. Voor deze brief geldt hetzelfde als voor die van 19 december
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.