afdeling strafrecht parketnummer: 23-001185-19 datum uitspraak: 3 november 2020 TEGENSPRAAK Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 12 maart 2019 in de strafzaak onder parketnummer 13-136800-18 tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1958, adres: [adres]. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 20 oktober 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht. Tenlastelegging Aan de verdachte is tenlastegelegd dat: 1.hij op of omstreeks 18 juni 2018 te Aalsmeer, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen [benadeelde] heeft mishandeld door die [benadeelde] een of meermalen (met kracht) bij de arm vast te houden en/of vervolgens - tegen het lichaam te duwen en/of - bij de nek vast te pakken en/of vast te houden en/of - in het gezicht/tegen het hoofd en/of tegen het lichaam te slaan en/of - in het gezicht en/of op het lichaam te krabben; 2.hij op of omstreeks 18 juni 2018 te Aalsmeer opzettelijk en wederrechtelijk een bril en/of lamp en/of een licharmatuur en/of een plank, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [benadeelde] en/of het winkelbedrijf [winkel] toebehoorde, heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de politierechter. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: 1.hij op 18 juni 2018 te Aalsmeer [benadeelde] heeft mishandeld door die [benadeelde] tegen het lichaam te duwen en bij de nek vast te pakken en in het gezicht te krabben; 2.hij op 18 juni 2018 te Aalsmeer opzettelijk en wederrechtelijk een bril en een lichtarmatuur, die geheel aan een ander, te weten aan [benadeelde] en/of het winkelbedrijf [winkel] toebehoorden, heeft beschadigd. Hetgeen onder 1 en 2 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het onder 1 bewezen verklaarde levert op: mishandeling. en Het onder 2 bewezen verklaarde levert op: opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen, meermalen gepleegd. Strafbaarheid van de verdachte Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is. Oplegging van straf De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een taakstraf van 30 uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 15 dagen hechtenis. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de mishandeling van een winkelier in diens winkel. De aanleiding hiervoor was de enkele omstandigheid dat de verdachte niet tevreden was over een aankoop die hij in de winkel van het slachtoffer had gedaan, omdat die aankoop – aldus de verdachte – een gebrek vertoonde. In plaats van dit geschil op een civiele manier op te lossen, heeft de verdachte ervoor gekozen om geweld te gebruiken tegen de verkoper, hetgeen onder geen enkele omstandigheid toelaatbaar is. Het slachtoffer heeft ten gevolge van de mishandeling letsel opgelopen en pijn ondervonden. Door aldus te handelen heeft de verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijk integriteit van het slachtoffer. Een dergelijk feit kan bovendien bijdragen aan gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving, in het bijzonder bij de aangever en zijn op dat moment eveneens in de winkel aanwezige stagiair. Tevens heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan beschadiging van een bril en een lichtarmatuur, onder meer door uit agressie tegen de balie van de winkel te duwen. Hij heeft daarmee te kennen gegeven geen respect te hebben voor het eigendomsrecht van een ander. De verdachte heeft bovendien schade en overlast veroorzaakt. Het hof rekent het de verdachte aan dat dat hij zich niet beter heeft kunnen beheersen. Door zijn herhaalde opmerkingen ter terechtzitting in hoger beroep dat juist hij het slachtoffer van dit incident is, heeft de verdachte laten blijken nog steeds het laakbare van zijn handelen niet in te zien. De hoogte van de door de advocaat-generaal gevorderde straf doet naar het oordeel van het hof onvoldoende recht aan de ernst van de bewezenverklaarde feiten en voornoemde omstandigheden. Het hof zal daarom een hogere straf opleggen dan gevorderd. Alles afwegende, acht het hof een taakstraf van na te melden duur passend en geboden. In hetgeen door de verdediging is aangevoerd met betrekking tot de gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid van de verdachte, ziet het hof geen aanleiding om een andere – of lagere – straf op te leggen, nu niet is gebleken dat de verdachte in zijn geheel niet in staat is om een taakstraf uit te voeren. Het hof wordt in deze gedachte gesterkt door het feit dat de verdachte ten tijde van het plegen van de feiten naar eigen zeggen al was afgekeurd en daarvan een uitkering genoot, en zich kennelijk in staat achtte met anderen die week een bouwproject af te ronden. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde] De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 1.249,79, bestaande uit € 799,79 aan materiële schade en € 450,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 913,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.