GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling civiel recht en belastingrecht, team I zaaknummer : 200.257.918/01 zaak-/rolnummer rechtbank Noord-Holland : C/15/257184 / HA ZA 17-253 arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 3 november 2020 [appellant] , wonend te [woonplaats] , appellant, advocaat: mr. G.C. Endedijk te Amsterdam, tegen ACHMEA SCHADEVERZEKERINGEN N.V., gevestigd te Apeldoorn, geïntimeerde, advocaat: mr. A.P.E. de Ruiter te Zwolle. 1. Het geding in hoger beroep Partijen worden hierna [appellant] en Achmea genoemd. Voor het verloop van het geding in hoger beroep tot 5 november 2019 verwijst het hof naar het arrest in incident van deze datum. In dat incident heeft het hof de zaak gevoegd met zaak 200.264.770/01 tussen [X] Aannemingsbedrijf & Vastgoedadvies B.V. als appellant (hierna: [X] ) en Achmea als geïntimeerde. Als gevolg van een administratieve fout is aan die voeging geen feitelijk gevolg gegeven; dit hof heeft op 30 juni 2020 eindarrest gewezen in zaak 200.264.770/01. Na het tussenarrest heeft Achmea een memorie van antwoord met producties ingediend. Partijen hebben de zaak ter zitting van 14 september 2020 doen bepleiten, [appellant] door mr. Endedijk voornoemd en door mr. S. Roestenberg, advocaat te Amsterdam, en Achmea door mr. De Ruiter voornoemd, steeds aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd. Beide partijen hebben nog producties in het geding gebracht. Ten slotte is arrest gevraagd. [appellant] heeft geconcludeerd dat het hof de bestreden vonnissen zal vernietigen en – uitvoerbaar bij voorraad – alsnog de vorderingen van Achmea zal afwijzen, met beslissing over de proceskosten. Achmea heeft geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen van [appellant] en tot bekrachtiging van de bestreden vonnissen, met – uitvoerbaar bij voorraad – veroordeling van [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep met nakosten en rente. Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden. 2. Feiten De rechtbank heeft in het in deze zaak gewezen tussenvonnis van 4 april 2018 onder 2.1 tot en met 2.11 de feiten weergegeven die zij als vaststaand heeft aangenomen. Voor zover met de grieven 1 en 2 wordt geklaagd over de juistheid van de door de rechtbank vastgestelde feiten zal het hof deze klachten in aanmerking nemen bij onderstaande samenvatting van de feiten. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten die als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist zijn komen vast te staan, zal van de volgende feiten worden uitgegaan. 2.1. In 2010 heeft [A] opdracht gegeven aan [X] voor de nieuwbouw van een casco (houtskelet) huis. Het huis had een begane grond en een eerste verdieping die door middel van een vlizotrap toegang gaf tot de zolder. In oktober 2010 is meerwerk overeengekomen, welk meerwerk onder meer zag op het aanbrengen van een rookgasafvoerkanaal (hierna ook wel: RAK) van 200 mm door het dak. [A] was namelijk voornemens een houtkachel te laten plaatsen en installeren. [X] heeft het rookgasafvoerkanaal gerealiseerd vanaf de zoldervloer tot en met de dakdoorvoer. [X] heeft hierbij gebruik gemaakt van een dubbelwandig RVS rookgasafvoerkanaal van het merk Helex met een doorgang van 200 mm. In de spaanplaten vloer van de zolder is door [X] een rond gat gezaagd, waar omheen een zogenaamde verdiepingsondersteuning is geplaatst. Het dubbelwandige RVS rookgasafvoerkanaal is tot ongeveer 15 centimeter onder de zoldervloer doorgevoerd en gefixeerd in de verdiepingsondersteuning. Voor de doorvoer door het dak heeft [X] gebruik gemaakt van een dakplaat met plooibare loodslab en daarboven een stormkraag. 2.2. [X] heeft het werk op 26 april 2011 opgeleverd in aanwezigheid van een door [A] ingeschakelde bouwkundig expert. Daarbij zijn geen opmerkingen gemaakt over de wijze waarop hij het rookgasafvoerkanaal had geplaatst. 2.3. Nadat [X] de woning casco had gebouwd, kreeg [appellant] van [A] de opdracht om deze af te bouwen. [appellant] heeft het rookgasafvoerkanaal afgemaakt vanaf de begane grond tot aan het plafond van de eerste verdieping. Hij heeft daartoe vanaf de vloer in de woonkamer tot aan het plafond van de eerste verdieping met vuurvaste stenen een rookkanaal opgebouwd. Vanaf de begane grond is een enkelwandige flexibele metalen buis in de schoorsteen aangebracht, die is aangesloten op een dubbelwandig geïsoleerd metalen pijpelement van het merk Holetherm. Dit pijpelement is gekoppeld aan de door [X] aangebrachte dubbelwandige pijp. Het door [appellant] aangebrachte deel van de dubbelwandige pijp was opgenomen in het gemetselde materiaal. Verder heeft [appellant] op de verdiepingsvloer een plankenvloer aangebracht die aansloot op het RAK. Daarbij heeft hij een afstand van ongeveer 2 cm van het RAK aangehouden. 2.4. De werkzaamheden van [appellant] zijn opgeleverd in november 2011. Na die oplevering is de kachel geplaatst. Daarbij waren [X] noch [appellant] betrokken. [appellant] is na het plaatsen van de kachel bij [A] geweest om het schoorsteenkanaal te testen. Daarbij heeft [appellant] met zijn hand gevoeld wat de temperatuur was van de schoorsteen en ook van het rookgasafvoerkanaal zoals dat door [X] was aangebracht. [appellant] heeft [A] er daarbij over geïnformeerd dat het rookgasafvoerkanaal op één punt te warm werd. 2.5. Op 12 januari 2012 heeft [X] een extra schoorsteenelement op het rookgasafvoerkanaal gezet, omdat deze net niet boven de nok van het huis uitkwam. 2.6. Op 23 maart 2013 heeft in het huis van [A] brand gewoed. 2.7. De schade is in het Expertiserapport Brand van Achmea van 9 mei 2014 vastgesteld op een bedrag van € 200.440,44 (inclusief BTW). Achmea heeft de schade die is ontstaan door de brand uitgekeerd aan [A] . 2.8. In opdracht van Achmea heeft toedrachtonderzoeker Biesboer Expertise B.V. (hierna: Biesboer) een onderzoek gedaan naar de oorzaak van de brand. Ook [X] , [appellant] en vertegenwoordigers van hun respectieve verzekeraars zijn in de gelegenheid gesteld om bij dit onderzoek aanwezig te zijn en een eigen toedrachtonderzoeker in te schakelen. In het onderzoeksverslag van Biesboer wordt onder meer het volgende vermeld: “Samenvatting en conclusie van het technische onderzoek: - op 23 maart 2013 is door brand schade ontstaan in de vrijstaande woning van de heer [A] en mevrouw [B] ; - deze brand op twee afzonderlijke plaatsen gewoed heeft, namelijk in een ruimte boven het plafond van de 1e verdiepingsvloer c.q. onder de zoldervloer en in/op een deel van het dak van de woning; - ter hoogte van deze beide zogenaamde ontstaansgebieden is de brand ontstaan in de directe nabijheid van het ten behoeve van een houtkachel aangelegd rookgasafvoerkanaal en wel het deel dat bestond uit dubbelwandig geïsoleerde roestvrij stalen pijpelementen; - de ontstaansplaats boven het plafond van de 1e verdieping bevond zich op de plaats waar een zogenaamde verdiepingsondersteuning direct op de houten zoldervloer was gemonteerd en er was niet of nauwelijks ruimte gehouden tussen het rookkanaal en de vloer; - door stralingswarmte en/of warmteoverdracht tussen het rookkanaal en de houten vloer is een smeulproces geïnitieerd, naderhand overgaand in een vlammende brand en - de brand op/in het dak is vrijwel zeker ontstaan doordat het rookkanaal was aangebracht op korte afstand van houten delen. Deze wijze van aanleg zal tot gevolg hebben gehad dat, door een proces van pyrolyse, de ontbrandingstemperatuur van de houten delen omlaag is gebracht. Bij de brand boven het plafond van de 1e verdieping zal ook het rookkanaal ter plaatse van de dakdoorvoer warmer/heter zijn geworden en wel zodanig dat de ontbrandingstemperatuur van de houten dakdelen is bereikt. Resumerend wordt dan ook gesteld dat er een causaal verband bestaat tussen de wijze waarop een deel van het rookgasafvoerkanaal ten behoeve van een houtkachel is aangelegd en het ontstaan van de brand in de woning. Bij beide omschreven ontstaansplaatsen was sprake van een brandgevaarlijke situatie doordat, in afwijking van de daarvoor geldende regelgeving (…), er geen voorzieningen waren aangebracht zoals bijvoorbeeld een door de vloer lopende omkokering, waardoor er een direct en/of vrijwel direct contact mogelijk was tussen het rookkanaal en brandbare materialen. De brandgevaarlijke plaatsen waren aanwezig in het gedeelte van het rookkanaal dat, zo is medegedeeld, was aangelegd door Aannemersbedrijf [X] . (….) 2.9. In opdracht van de verzekeraar van [appellant] is door onderzoeksbureau Gorissen & Van der Zande eveneens een onderzoek gedaan naar de toedracht van de brand. In het onderzoeksrapport wordt onder meer het volgende vermeld: “4.2 Opbouw schoorsteenkanaal (…) Buiten de woning was op het uiteinde van de dubbelwandige pijp een vonkenvanger gemonteerd. Rapporteur constateerde dat de mazen van de vonkenvanger redelijk vervuild waren (foto 21). In de pijp zelf werd vrijwel geen aanslag of roet aangetroffen. (…) 6. OORZAAKONDERZOEK (…) 6.3 Afstand tussen pijp en brandbaar materiaal Rapporteur constateerde dat de door verzekeringnemer gelegde planken zoldervloer tot dicht tegen de stalen buitenmantel van de dubbelwandige rookgasafvoer was doorgelegd. De kleinste afstand tussen de uiteinden van de planken en de stalen buitenmantel van de rookgasafvoer bedroeg 1.5 cm (foto 32). Rapporteur kon ook vaststellen dat de underlayment plaat waarvan de (oorspronkelijke) zoldervloer was gemaakt, ter plaatse van de vloerdoorvoer plaatselijk tot tegen de buitenmantel van de rookgasafvoer kwam (foto 33). De underlaymentvloer was door Aannemersbedrijf [X] aangebracht. Deze aannemer had ook het gat t.b.v. de rookgasafvoer gezaagd. De diameter van dat gat was naar schatting ongeveer 2 cm groter dan de buitendiameter van de pijp (foto 33). 6.4 Pyrolyse Hout en houtachtige producten zullen onder invloed van warmte ontleden (= pyrolyse). De processen die daarbij een rol spelen zijn exotherm; ze produceren warmte. Indien die warmte niet of onvoldoende aan de omgeving kan worden afgegeven zal er in het materiaal een spontane temperatuurverhoging optreden, waarbij de ontbrandingstemperatuur kan worden bereikt (bron: ‘uit de brand van L.J. Bijl ). Door de ontleding van het hout wordt bovendien de ontbrandingstemperatuur omlaag gebracht. Bij regelmatige blootstelling aan hitte, zoals in onderhavig geval gebeurde, kan het hout op enig moment gaan verkolen en gloeien waarna dat proces kan overgaan in een vlammende brand. Dit proces wordt nog versneld door de zelfopwarming vanuit het hout t.g.v. de pyrolyse. De temperatuur van de buitenmantel van een dubbelwandige stalen rookgasafvoer kan alsnog makkelijk 200 °C. worden. De underlayment vloer (geperste houtvezel) kwam in onderhavig geval plaatselijk tot tegen de buitenmantel van de rookgasafvoer. Daardoor kon het hout op die plek t.g.v. de hittestraling vanuit de pijp en/of onder invloed van pyrolyse in brand raken, c.q. gaan gloeien/smeulen. 6.5 Conclusie Op basis van uitsluiting van alle andere mogelijke oorzaken ontstond de brand rondom de rookgasafvoer ter hoogte van de doorvoer in de zoldervloer. Op die plek kwam de underlayment plaat, waaruit de zoldervloer was gemaakt, tot ontbranding t.g.v. hittestraling vanuit en/of door pyrolyse van het hout rondom de rookgasafvoer. Vervolgens werd op een zelfde wijze de houten dakbalk, die ter plaatse van de dakdoorvoer tot tegen de rookgasafvoer kwam, tot ontbranding gebracht. Daarbij kan de extra hitte die ontstond hij de brand in de balklaag van de zoldervloer, via geleiding in de stalen buitenmantel van de rookgasfvoer een inleidende rol hebben gespeeld. Het is echter niet geheel uit te sluiten dat de brand, onafhankelijk van elkaar, vrijwel gelijktijdig op beide plaatsen ontstond. (…) 9 VOORSCHRIFTEN 9.1 Voorschriften Bouwbesluit In het bouwbesluit is in afdeling 2.11.1, artikel 2.81 lid 1 (nieuwbouw), bepaald: ‘Een te bouwen bouwwerk is zodanig dat het ontstaan van een brandgevaarlijke situatie voldoende wordt beperkt’ M.b.t. rookafvoeren is in artikel 2.84 lid 1 bepaald dat een voorziening voor de afvoer van rook brandveilig is. Volgens lid 2 moet het materiaal waaruit een voorziening voor de afvoer van rook is samengesteld onbrandbaar zijn. Dit geldt uitsluitend indien dat materiaal een temperatuur, bepaald volgens NEN 6062, kan optreden van meer dan 363 K (=90 ºC). Uit de NEN 6062 blijkt dat de buitenwand van een rookkanaal maximaal 75 ºC stijging van temperatuur mag hebben. Bij een omgevingstemperatuur van 20 ºC mag deze dus maximaal 95 ºC worden. Uit proeven van TNO blijkt dat alleen afvoerkanalen van het merk Isoduct aan deze norm voldoen. Voor alle andere kanalen geldt dat deze een extra onbrandbare omkokering moeten krijgen om aan de eis te voldoen. 9.2 Voorschriften fabrikanten Op de website van Schiedel, van welk merk de door Aannemersbedrijf [X] geïnstalleerde rookgasafvoer is, werden de installatievoorschriften gevonden m.b.t. de dubbelwandige rookgasafvoer. Daaruit blijkt dat bij doorvoeren door wanden, vloeren en daken rondom een minimale afstand moet worden aangehouden van 20 cm tot brandbare materialen. (…) Uit de op internet aangetroffen installatievoorschriften van Holetherm, de door de verzekeringsnemer extra aangebrachte kanaallengte, blijkt dat een minimale afstand tussen pijp en brandbaar materiaal wordt geadviseerd van 7,5 cm (…). Omkokering Binnenshuis moet vanaf de eerste verdieping – uit oogpunt van brandveiligheid – daar waar contact met de schoorsteen mogelijk is deze voorzien zijn van een omkokering van onbrandbare materialen met een dikte van minimaal 12 mm. De ruimte tussen het kanaal en de omkokering dient dan minstens 75 mm te bedragen. Gebruik bij omkokering omkokeringsbeugels i.p.v. muurbeugels. In geval van een brandbare vloer of dak moet de omkokering hier doorheen lopen. Maak in de omkokering geen gebruik van brandseparatieplaten. Daar waar geen contact mogelijk is dient er een afstand tussen de buitenbuis van de schoorstee en de brandbare materialen te worden aangehouden van tenminste 75 mm. Werk een doorvoer van een brandbaar dak of vloer af met brandwerend materiaal. 9.3 Conclusie Gelet op de eisen zoals opgenomen in het bouwbesluit en in de installatievoorschriften van de fabrikant(en), voldeed het rookgasafvoerkanaal in onderhavige situatie daar niet aan. Er was in ieder geval geen sprake van een brandveilige situatie zoals bedoeld in het bouwbesluit. Die situatie ontstond doordat Aannemersbedrijf [X] bij de installatie niet voldeed aan het voorschrift van de fabrikant om minimaal een afstand van 20 cm te houden tussen de pijp en brandbaar materiaal. Vastgesteld werd dat tussen de pijp en het brandbare materiaal, te weten de underlayment vloerplaat, maximaal 2 cm ruimte aanwezig was en de pijp plaatselijk zelfs de brandbare vloer raakte (foto 33). Dit gold ook voor de dakdoorvoer van het rookkanaal, waarbij tussen het rookkanaal en het houten dakbeschot c.q. een houten dakbalk, maximaal enkele milliliters vrije ruimte was ( foto’s 24 en 25). Ook de door verzekeringsnemer [ [appellant] , hof] uitgevoerde werkzaamheden, te weten het leggen van de plankenzoldervloer, zijn niet conform de voorschriften uitgevoerd. Hij hield een minimale ruimte tussen pijp en rookkanaal van 1,5 vrij (foto 32). Deze ruimte is, gelet op de voorschriften van de fabrikant, weliswaar veel te weinig om te spreken van een brandveilige situatie, maar in onderhavig geval werd daardoor niet de brand ingeleid. 10 CAUSAAL VERBAND / VERWIJTBAARHEID 10.1 Causaal verband Uit het onderzoek blijkt dat er zonder twijfel sprake is van een causaal verband tussen de aanwezigheid van een rookgaskanaal en het ontstaan van de brand. Doordat niet werd voldaan aan de installatievoorschriften was sprake van een veel te kleine afstand tussen brandbaar materiaal en de dubbelwandige rookgasafvoer. Door rechtstreekse hittestraling vanuit de rookgasafvoer, al dan niet in combinatie met pyrolyse van het hout rondom het rookgaskanaal, kwam de underlayment zoldervloer tot ontbranding. Deze brandbare underlayment vloer kwam plaatselijk zelfs tot tegen de buitenmantel van de rookgasafvoer. De maximale afstand tussen rookgaskanaal en de brandbare zoldervloer was ongeveer 2 cm, veel minder dan de voorgeschreven 20cm. 10.2 Verwijtbaarheid Naar de mening van rapporteur is sprake van verwijtbaarheid aan de zijde van Aannemersbedrijf [X] die het dubbelwandige rookkanaal op de omschreven wijze installeerde. Doordat [X] zich niet hield aan de voorschriften van de fabrikant van het geïnstalleerde kanaal kwam brandbaar materiaal veel te dicht tot zelfs tegen de hete buitenmantel van de pijp, waardoor de brand ontstond. 10.3 Conclusie m.b.t. werkzaamheden verzekeringsnemer Vooralsnog blijkt niets van een causaal verband tussen de werkzaamheden zoals door verzekeringsnemer uitgevoerd en het ontstaan van de brand. Hem kan wel worden verweten dat hij te weinig afstand hield tussen de rookgasafvoer en brandbaar materiaal, te weten de planken van de door hem gelegde zoldervloer, maar dit leidde niet tot het ontstaan van de brand en/of schade. (…)” 2.10. In opdracht van de aansprakelijkheidsverzekeraar van [appellant] (ASR) heeft bureau Clensch aan de hand van het procesdossier en de tijdens het brandtechnisch onderzoek gemaakte foto’s een rapport opgesteld over de toedracht van de brand. Dat rapport bevat de volgende bevindingen: 3CONSTRUCTIE (…) Haard Afgaande op de thermometer die was geplaatst in de rookgasafvoer, was de haard die is geplaatst in de Woning een speksteenkachel van het merk Altech. De temperatuur van rookgassen van dergelijke kachels is bij nominale belasting ca. 280oC. Echter, de rookgastemperaturen kunnen door het hoog opstoken van een dergelijke kachel aanmerkelijk hoger worden dan 280oC. NEN 6062:1991 schrijft voor dat een (dubbelwandig) rookgaskanaal aangesloten op een dergelijke haard een continue bedrijfstemperatuur van 600oC moet kunnen doorstaan (T600). (…) Schoorsteen De haard was aangesloten op een gemetselde schoorsteen die tot de balkenlaag van de zolder liep (…) In de schoorsteen was de haard aangesloten op een enkelwandige flexibele RAK (…) dat overgaat in een (door [appellant] aangebracht) dubbelwandig geïsoleerde RAK van het merk Holetherm met een lengte van 1 meter (...). Bij de overgang van het enkelwandige naar het dubbelwandige deel van het RAK is de ruimte tussen het RAK en de schoorsteen met vuurvast cement gevuld (...). [appellant] heeft het dubbelwandig RAK (Holetherm) aangesloten op het bestaande, door [X] geplaatste RAK (…). Constructie RAK vanaf het dak naar beneden tot door de zolder Het RAK is blijkens de typeaanduiding van het merk Schiedel (…). Uit de typeaanduiding van het RAK blijkt dat het gaat om het type T450[…]G75. Hieruit valt af te leiden dat dit RAK geschikt is voor een continue bedrijfstemperatuur van 450 oC (‘T450’). Daarnaast valt uit de typeaanduiding af te leiden dat de minimale afstand van brandbare materialen tot de RAK 75 millimeter moet bedragen (‘G75’) om een schoorsteenbrand te doorstaan (‘G’) en dat deze afstand dus bij montage van brandbare materialen in acht moet worden genomen. Het RAK had een binnendiameter van 200 millimeter. De Buitendiameter van een dergelijk kanaal van Schiedel is 260 millimeter. (…) 4BEVINDINGEN (…) Beide onderzoeksbureaus [Biesboer en Gorissen en Van der Zande – hof], en ook Clensch, gaan ervan uit dat zowel onder de vloer van de zolder als in het dak van de zolder een brand heeft gewoed. Brand onder de vloer van de zolder De brand onder de vloer van de zolder is vrijwel zeker ontstaan doordat het spaanplaat waarop de verdiepingsvloerondersteuning was geplaatst is ontstoken. Aangezien het spaanplaat voor een belangrijk deel, weliswaar verkoold, nog op de vloer van de zolder aanwezig is, gaat Clensch ervan uit dat de verbranding aan de onderzijde van het spaanplaat heeft plaatsgevonden. (…) De enige hittebron ter plaatse van het ontstaan van de brand is het dubbelwandige RAK. De vloerdoorvoer van dit RAK voldeed niet aan de van toepassing zijnde NEN norm 6062:1991, zowel niet op het punt van de minimale afstand tot brandbare materialen (spaanplaat) zijnde minder dan 75 millimeter, als op het punt van de thermische belastbaarheid van het RAK, zijnde minder dan 600 oC (T450). Daardoor kan, zowel onder ‘normale bedrijfsomstandigheden’ als extreme omstandigheden (schoorsteenbrand) de temperatuur van de buitenkant van het RAK hoger oplopen dan het geval zou zijn geweest bij toepassing van een RAK met typeaanduiding T600. (…) 5CONCLUSIES Er was sprake van twee branden in de Woning (één onder de vloer van de zolder en één in het dak), die beide zijn ontstaan in de directe omgeving van het RAK. De afstand tussen het RAK en brandbare materialen was op beide ontstaanslocaties onvoldoende. Geen van de ontstaanslocaties kennen een andere nabij aanwezig energiebron dan het RAK. Beide branden zijn dus ontstoken door thermische energie afkomstig van het RAK. De constructie van het RAK vanaf de vloer van de zolder tot en met de doorvoer in het dak voldeed niet aan de normen en eisen die aan een dergelijk RAK worden gesteld; - Er was onvoldoende afstand (minder dan 75 millimeter) tussen het RAK en brandbare materialen, te weten; o spaanplaat in de zoldervloer, o hout, isolatiemateriaal en dampopen folie in de dakconstructie. - Op de zolder voldeed het RAK niet aan de afstand/de eis dat deze geschikt moest zijn voor een afstand van 0 millimeter tot brandbare materialen. - Er was onvoldoende thermische prestatie van het RAK, doordat gebruik was gemaakt van een RAK met typeaanduiding T450 in plaats van T600. De temperatuur aan de buitenkant van een RAK met typeaanduiding T450 wordt bij bepaalde temperaturen van de rookgassen hoger dan bij een RAK met typeaanduiding T600. - Er waren geen maatregelen genomen die waarborgen dat brandbare materialen op voldoende afstand van het RAK worden geplaatst (omkokering). Omdat de brand klaarblijkelijk gelijktijdig op twee plaatsen is ontstoken, moet er sprake zijn geweest van een abnormale bedrijfssituatie, dat wil zeggen dat de temperaturen van de rookgassen veel hoger dan 280 oC moeten zijn geweest. Dit kan alleen een schoorsteenbrand zijn geweest. 2.11. Achmea heeft zowel [X] als [appellant] aansprakelijk gesteld voor de schade. 3. Beoordeling 3.1. Achmea heeft [X] en [appellant] in rechte betrokken en heeft gevorderd dat zij hoofdelijk worden veroordeeld tot schadevergoeding, bestaande uit verschillende schadeposten, in hoofdsom optellend tot een bedrag van € 214.242,98, telkens te vermeerderen met wettelijke rente, met nevenvorderingen. Aan haar vorderingen heeft Achmea samengevat het volgende ten grondslag gelegd. [X] zou zorgdragen voor een rookgasafvoer door het dak. Met [appellant] is afgesproken dat hij de afbouw van het RAK en de aansluiting op de kachel zou verzorgen. Vast staat dat geen deugdelijk RAK tot stand is gekomen. [X] is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst door een niet-brandveilig RAK te installeren. Ook [appellant] heeft te weinig ruimte gelaten tussen het RAK en de door hem gelegde planken vloer op zolder. Bovendien heeft [appellant] isolatiemateriaal aangebracht in de nabijheid van het RAK. Voorts was hij op grond van art. 7:954 BW gehouden [A] te waarschuwen voor de onjuiste wijze waarop het eerste deel van het RAK door [X] was afgelegd. 3.2. In het tussenvonnis van 4 april 2018 heeft de rechtbank geoordeeld dat de brand is ontstaan rondom het RAK ter hoogte van de doorvoer van de zoldervloer en gelijktijdig of binnen korte tijdspanne van elkaar ook bij of in de houten dakbalk, die ter plaatse van de dakdoorvoer tot tegen de rookgasafvoer aankwam doordat het rookafvoerkanaal zonder omkokering en niet op de minimaal voorgeschreven afstand tot brandbare materialen was geplaatst (rov. 4.9). Op basis van de rapporten van de experts van Achmea en [appellant] heeft de rechtbank geoordeeld dat (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.