GERECHTSHOF AMSTERDAM Afdeling civiel recht en belastingrecht Team III (familie- en jeugdrecht) zaaknummer: 200.280.543/ 01 zaaknummer rechtbank: C/13/677103 / FA RK 19-7907 beschikking van de meervoudige kamer van 3 november 2020 inzake [de tante] , wonende te [woonplaats] , gemeente [gemeente] , verzoekster in hoger beroep, verder te noemen: de tante, advocaat: mr. D. Klein te IJmuiden, en Raad voor de Kinderbescherming, gevestigd te Den Haag, locatie Haarlem, verweerder in hoger beroep, verder te noemen: de raad. Als belanghebbenden zijn aangemerkt: - [de moeder] (hierna: de moeder); - [de vader] (hierna: de vader); - William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering (hierna: WSS); - de minderjarige [kind A] ; - de minderjarige [kind B] . 1Het verloop van het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) van 4 maart 2020, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. 2Het geding in hoger beroep 2.1 De tante is op 9 juli 2020 in hoger beroep gekomen van een gedeelte van de beschikking van 4 maart 2020. De moeder en de vader zijn de ouders van [kind A] en [kind B] (hierna gezamenlijk: de kinderen) en de tante is de tante van de kinderen van moederszijde. Bij voornoemde beschikking is, voor zover thans van belang, het ouderlijk gezag van de moeder over de kinderen beëindigd. Het zelfstandig verzoek van de vader en het ter zitting in eerste aanleg gedane verzoek van de tante om haar met de voogdij over de kinderen te benoemen, zijn afgewezen. WSS is benoemd tot voogd over de kinderen. 2.2 Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen: - een brief van de zijde van de moeder van 3 augustus 2020, ingekomen op 4 augustus 2020; - een brief van de zijde van de raad van 18 september 2020, ingekomen op 22 september 2020; - een bericht van de zijde van WSS van 28 september 2020. 2.3 De mondelinge behandeling heeft op 30 september 2020 plaatsgevonden waarbij, zoals het hof van tevoren aan betrokkenen had laten weten, uitsluitend de ontvankelijkheid van het hoger beroep aan de orde is geweest. De tante is verschenen, bijgestaan door haar advocaat. De moeder, WSS en de raad hebben het hof (bij de onder 2.2 vermelde stukken) bericht niet te zullen verschijnen. De vader is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, evenmin ter zitting verschenen. 3De ontvankelijkheid van het hoger beroep 3.1 De tante stelt dat zij, hoewel zij door de rechtbank was aangemerkt als belanghebbende, geen afschrift van de bestreden beschikking heeft ontvangen en dat de vader deze haar evenmin heeft toegestuurd. Op 14 april 2020 heeft een bespreking plaatsgevonden met mr. D. Klein over de beroepsmogelijkheden van de vader. De tante was hierbij (als contactpersoon van de vader) aanwezig en raakte pas toen bekend met de bestreden beschikking. Haar beroepstermijn van drie maanden is dus op 14 april 2020 aangevangen en door haar appelschrift in te dienen op 9 juli 2020 heeft zij dan ook tijdig hoger beroep ingesteld, aldus de tante. 3.2 In deze zaak is, nu het hier gaat om een zaak van personen- en familierecht, niet zijnde een scheidingszaak, artikel 806 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) van toepassing. Op grond van lid 1 van dit artikel kan van een beschikking hoger beroep worden ingesteld (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.