GERECHTSHOF AMSTERDAM Afdeling civiel recht en belastingrecht Team III (familie- en jeugdrecht) Zaaknummer: 200.279.900/01 Zaaknummer rechtbank: C15/290136 / FA RK 19-3515 Beschikking van de meervoudige kamer van 10 november 2020 inzake [de moeder] , wonende te [woonplaats] , gemeente [gemeente] , verzoekster in principaal hoger beroep, verweerster in incidenteel hoger beroep, verder te noemen: de moeder, advocaat: mr. B. Wernik te Haarlem, en [de vader] , wonende te [woonplaats] , verweerder in principaal hoger beroep, verzoeker in incidenteel hoger beroep, verder te noemen: de vader, advocaat: mr. J.S. Dijkstra te Den Haag. Als informanten zijn aangemerkt: - mevrouw H.S. Koppejan-Luitze (bijzondere curator ten tijde van de procedure in eerste aanleg, hierna te noemen: Koppejan); - Bureau Jeugdzorg Limburg, regio Zuid-Limburg (hierna te noemen: BJZ). In zijn adviserende taak is in de procedure gekend: de Raad voor de Kinderbescherming, gevestigd te Den Haag, locatie Haarlem, hierna te noemen: de raad. 1Het verloop van het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem (hierna te noemen: de rechtbank) van 10 juni 2020, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. 2Het geding in hoger beroep 2.1 De moeder is op 23 juni 2020 in hoger beroep gekomen van voornoemde beschikking van 10 juni 2020 (zaaknummer bij het hof: 200.279.900/01). Zij verzoekt tevens de werking van de bestreden beschikking te schorsen (zaaknummer bij het hof: 200.279.900/02). 2.2 De vader heeft op 7 augustus 2020 een verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep ingediend. 2.3 De vader heeft op 24 augustus 2020 aanvullend in incident verzocht de werking van de bestreden beschikking voor wat betreft het bepaalde onder 3.3 te schorsen en een verzoek tot voorlopige voorziening ex artikel 223 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) inhoudende begeleide omgang ingediend (zaaknummer bij het hof: 200.279.900/03). De vader heeft daarbij verzocht BJZ voor de zitting op te roepen, primair als deskundige en subsidiair als informant in de zaken, en Koppejan, - naar het hof begrijpt - primair als deskundige waarbij zij in incident als bijzondere curator wordt benoemd, subsidiair als deskundige en meer subsidiair als informant in het incident. 2.4 De vader heeft op 17 september 2020 een wijziging en aanvulling van het verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep ingediend. 2.5 De moeder heeft op 21 september 2020 een verweerschrift op het incidenteel hoger beroep ingediend. Zij verzoekt voorts alle provisionele verzoeken van de vader af te wijzen. 2.6 Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen: - een e-mailbericht van de zijde van Koppejan van 11 september 2020, waarin is verzocht om toezending van de stukken in hoger beroep, welk verzoek door het hof op 15 september 2020 is afgewezen; - een brief van de zijde van de moeder van 22 september 2020 met bijlagen (een bij NIP ingediende klacht tegen bijzondere curator met producties), ingekomen op 23 september 2020; - een e-mailbericht van de zijde van Koppejan van 24 september 2020. 2.7 De mondelinge behandeling heeft op 28 september 2020 plaatsgevonden. Verschenen zijn: - de moeder, bijgestaan door haar advocaat; - de vader, bijgestaan door zijn advocaat; - de raad, vertegenwoordigd door de heer V. Aelbers en mevrouw C. van den Brink (gedragswetenschapper). Tevens zijn verschenen Koppejan en mevrouw [X] namens BJZ, die beiden als informant door het hof zijn opgeroepen en gehoord. De advocaat van de vader heeft ter zitting een pleitnotitie en enkele processtukken uit de procedure in eerste aanleg overgelegd. In verband met quarantainemaatregelen in verband met indamming van het coronavirus / COVID-19 heeft de oudste raadsheer de mondelinge behandeling via een videobeeldverbinding bijgewoond. 2.8 Ter zitting heeft het hof mondeling uitspraak gedaan ten aanzien van de door beide partijen verzochte incidenten en het verzoek ex artikel 223 Rv (zaaknummers bij het hof: 200.279.900/02 en 200.279.900/03). Het hof heeft de werking van de bestreden beschikking geschorst ten aanzien van de onder 3.3 in die beschikking vastgestelde onbegeleide omgangsregeling met de moeder en bepaald dat een begeleid contact tussen de moeder en [de minderjarige] vanaf 16 oktober 2020 zal worden opgestart via Skype, dan wel via telefonisch contact, welk contact door BJZ zal worden begeleid, totdat is beslist in de hoofdzaak (zaaknummer bij het hof: 200.279.900/01). Het verzoek van de moeder tot schorsing van de werking van de bestreden beschikking is afgewezen. Deze beslissing is in een proces-verbaal als bedoeld in artikel 30p Rv vastgelegd. 2.9 Na afloop van de zitting heeft Koppejan, zoals ter zitting is besproken, de gecorrigeerde versie van het rapport van 23 april 2020 aan het hof gezonden. Het hof heeft dit rapport aan beide advocaten verstuurd. 3De feiten 3.1 Partijen zijn [in] 2008 gehuwd. Dit huwelijk is op 13 april 2010 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 3 november 2009 in de registers van de burgerlijke stand. Uit dit huwelijk is geboren: - [de minderjarige] (roepnaam, hierna te noemen: [de minderjarige] ) [in] 2009 te [geboorteplaats] . De ouders oefenden tot de bestreden beschikking gezamenlijk het gezag uit over [de minderjarige] . In de echtscheidingsprocedure is de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij de moeder bepaald. De moeder heeft daarnaast nog een zoon, te weten [kind A] , geboren [in] 2013. 3.2 Bij beschikking van de kinderrechter van 26 maart 2014 is een regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna te noemen: zorgregeling) tussen [de minderjarige] en de vader vastgesteld. Deze regeling is gewijzigd bij beschikking van de kinderrechter van 10 augustus 2016. Bepaald is daarbij dat [de minderjarige] in de maanden oktober tot en met maart eenmaal per veertien dagen en in de maanden april tot en met september eenmaal per drie weken van vrijdag uit school tot maandagochtend naar school bij de vader verblijft. Daarnaast is een vakantieregeling vastgesteld en is verder bepaald dat de vader en [de minderjarige] elke woensdag van 18:30 tot maximaal 19:00 uur telefonisch contact hebben. Bij beschikking van dit hof van 18 juli 2017 is met betrekking tot de zomervakantie bepaald dat [de minderjarige] in de even jaren in week 1, 4 en 5 en in de oneven jaren in de week 2, 3 en 6 bij de vader verblijft. Voorts is het de moeder verboden om zich bij de school van [de minderjarige] te bevinden op die maandagochtenden en vrijdagmiddagen waarop de vader [de minderjarige] ingevolge de zorgregeling komt halen of brengen en is de vader gemachtigd om het locatieverbod met behulp van de sterke arm van politie en justitie ten uitvoer te leggen, indien de moeder in gebreke blijft om aan het locatieverbod te voldoen. 3.3 Bij tussenbeschikking van de kinderrechter van 8 januari 2020 is Koppejan benoemd tot bijzondere curator met het verzoek de in die beschikking vermelde onderzoeksvragen te beantwoorden. De behandeling van de zaak is pro forma aangehouden tot 11 maart 2020. 3.4 Koppejan heeft op 12 april 2020 een rapport opgesteld. Bij de bestreden beschikking is Koppejan ontslagen van haar verplichtingen als bijzondere curator voor [de minderjarige] . 3.5 Bij vonnis in kort geding van 4 augustus 2020 is - voor zover thans van belang - de moeder veroordeeld tot nakoming van de bestreden beschikking door overdracht van [de minderjarige] op 7 augustus 2020, waarbij de vader is gemachtigd de moeder te doen gijzelen wanneer zij hieraan niet voldoet. Voorts is de werking van de bestreden beschikking ten aanzien van de onder 3.3 van die beschikking vastgelegde zorgregeling met de moeder tot 16 oktober 2020 geschorst en bepaald dat de in de bestreden beschikking vastgelegde zorgregeling per 16 oktober 2020 ingaat. 3.6 Met ingang van 7 augustus 2020 verblijft [de minderjarige] - op grond van de bestreden beschikking -bij de vader, zijn partner en hun [in] 2019 geboren zoon ( [kind B] ). 4De omvang van het geschil 4.1 Bij de bestreden, uitvoerbaar bij voorraad verklaarde, beschikking zijn - voor zover thans van belang - de verzoeken van de vader toegewezen, in die zin dat: - de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] met ingang van 27 juni 2020 bij de vader wordt bepaald, met dienovereenkomstige wijziging van de beschikking van de rechtbank van 3 november 2009; - het gezamenlijk gezag van partijen over [de minderjarige] met ingang van 27 juni 2020 wordt beëindigd en de vader alleen het gezag over [de minderjarige] toekomt; - een omgangsregeling tussen de moeder en [de minderjarige] wordt vastgesteld, met dienovereenkomstige wijziging van de beschikking van de rechtbank van 10 augustus 2016 en die van het hof van 18 juli 2017, op grond waarvan [de minderjarige] in de periode van 27 juni 2020 tot 11 september (naar het hof begrijpt: 2020) niet bij de moeder zal verblijven, en vervolgens met ingang van 11 september 2020 bij de moeder verblijft: in de oneven weken van vrijdag 17:00 uur (moeder haalt) tot zondag 17:00 uur (vader haalt); in de schoolvakanties van één week: gedurende het reguliere omgangsweekend verlengd met drie dagen en nachten; in de schoolvakanties van twee weken: in de even jaren de tweede week van de vakantie en in de oneven jaren de eerste week van de vakantie; in de zomervakantie: in de even jaren in de weken 2, 3 en 6 en in de oneven jaren in de weken 1, 4 en 5; waarbij de overdrachten zullen plaatsvinden bij McDonalds [plaats a] ( [naam] ). Deze beschikking is mede gegeven op het verzoek van de moeder te bepalen dat, met dienovereenkomstige wijziging van de beschikking van 10 augustus 2016, de vader en [de minderjarige] omgang met elkaar hebben eenmaal per drie weken van zaterdag na voetbal tot zondag 19:00 uur, waarbij de vader [de minderjarige] haalt en brengt bij de McDonalds te [plaats b] . 4.2 De moeder verzoekt in principaal hoger beroep, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, de door haar in eerste aanleg verzochte zorgregeling tussen de vader en [de minderjarige] toe te wijzen en aldus de tegenverzoeken van de vader af te wijzen. 4.3 De vader verzoekt primair de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in haar principaal hoger beroep en subsidiair de bestreden beschikking - naar het hof begrijpt - te bekrachtigen voor wat betreft de hoofdverblijfplaats en het gezag. In incidenteel hoger beroep verzoekt de vader, na wijziging, te bepalen dat: I. met vernietiging van de bestreden beschikking voor wat betreft het bepaalde onder 3.3: primair: [de minderjarige] niet bij de moeder verblijft gedurende een periode van tenminste tien weken vanaf 7 augustus 2020 zodat de omgangsregeling dan vanaf 16 oktober 2020 zal ingaan, met dien verstande dat vanaf dat moment eerst begeleide omgang plaatsvindt op een wijze zoals BJZ Limburg meent dat dit behoort met een door BJZ Limburg te bepalen opbouw en overgang daarin naar onbegeleide omgang en waarbij de onbegeleide omgang dan middels een door BJZ Limburg te bepalen opbouw zal resulteren in de omgangsregeling zoals de rechtbank die bepaalde voor zover BJZ Limburg meent dat dit in het belang van [de minderjarige] is; subsidiair: de moeder het recht op omgang wordt ontzegd, althans dat de omgang wordt bepaald dan wel een ontzegging van omgang wordt opgelegd op een wijze zoals het hof juist zal achten; II. met aanvulling van de bestreden beschikking: de moeder zich uiterlijk binnen twee weken na afgifte van de in deze te geven beschikking onder begeleiding zal doen stellen van een gedragswetenschapper, bijvoorbeeld een klinisch psycholoog, die kennis krijgt van het rapport van de bijzondere curator en deskundig is op het gebied van ouderonthechting, waarbij ook de angstklachten van de moeder worden behandeld, een en ander voor zover de moeder zich na overdracht van [de minderjarige] nog niet onder begeleiding liet stellen, althans een bepaling te geven die het hof meent dat dit behoort, en tevens de vader te machtigen de moeder in gijzeling te doen stellen wanneer zij de in deze te geven bepaling niet nakomt voor de duur van maximaal drie maanden; III. bij toewijzing van het verzoek onder I primair, dan wel bepaling van omgang op een wijze zoals het hof meent dat behoort, die bepaling aan te vullen met het machtigen van de vader de moeder in gijzeling te doen stellen bij iedere keer dat de moeder [de minderjarige] tijdens begeleide omgang onttrekt aan het gezag van de vader door [de minderjarige] onbegeleid mee te nemen, alsmede bij iedere keer dat de moeder [de minderjarige] niet terug overdraagt na een (onbegeleid) omgangsweekend, telkens voor de duur van drie maanden; IV. met vernietiging van de bestreden beschikking voor wat betreft het bepaalde onder 3.3 op het onderdeel van halen en brengen: de moeder [de minderjarige] bij aanvang van elk (onbegeleid) omgangsmoment zal ophalen bij McDonalds [plaats a] ( [naam] ) en dat de vader [de minderjarige] ophaalt bij McDonalds te [plaats b] aan het einde van elk omgangsmoment. V. Voor zover het hof voornemens is zich door een deskundige te laten adviseren over de verzoeken in deze zaak, mevrouw H.S. Koppejan-Luitze te benoemen tot bijzondere curator over [de minderjarige] dan wel over te gaan tot benoeming van een andere bijzondere curator met specifieke deskundigheid op het gebied van oudervervreemding. 4.4 De moeder verzoekt het door de vader in incidenteel hoger beroep verzochte af te wijzen, met dien verstande dat wordt toegewezen het onder IV. verzochte in die zin dat dat de bedoeling moet zijn geweest van de kinderrechter. 5. De motivering van de beslissing Ontvankelijkheid van het hoger beroep 5.1 Het hof dient eerst de ontvankelijkheid van het hoger beroep te beoordelen. De vader voert samengevat primair aan dat de moeder niet-ontvankelijk is in haar verzoek in hoger beroep, omdat zij in hoger beroep niet het gehele procesdossier in eerste aanleg heeft overgelegd en daarmee niet voldoet aan het procesreglement. 5.2 De advocaat van de moeder heeft gesteld dat F-formulieren nooit worden ingediend in hoger beroep en stelt dat de bijbehorende brieven wel zijn overgelegd. 5.3 Het hof stelt voorop dat de wet (artikel 34 lid 1 Rv) geen sanctie verbindt aan het niet compleet of onjuist indienen van het procesdossier van de eerste aanleg. Niettemin kan het hof daaraan gevolgen verbinden, indien dit tevens een ernstige schending van de goede procesorde oplevert, of een schending van de verplichting om feiten volledig en naar waarheid aan te voeren betekent (artikel 21 Rv). Het hof constateert dat de moeder in hoger beroep heeft verzuimd de gecorrigeerde versie van het rapport van Koppejan van 23 april 2020 over te leggen, alsmede een aantal F-formulieren, al dan niet met bijlagen. Een aantal stukken is door de advocaat van de vader ter zitting overgelegd. Zoals ter zitting met partijen is besproken, heeft Koppejan na afloop van de zitting de gecorrigeerde versie van het rapport alsnog aan het hof toegezonden. 5.4 Het hof is van oordeel dat het door de moeder ingediende procesdossier incompleet bij het hof is aangeleverd. Hoewel het door de moeder ingediende procesdossier niet voldoet aan de vereisten die daaraan door het procesreglement en artikel 34 Rv worden gesteld, levert dit naar het oordeel van het hof in deze procedure echter geen zodanige schending van de goede procesorde op, dat dit de niet-ontvankelijkheid van de moeder in het hoger beroep tot gevolg moet hebben. Het hof overweegt daartoe dat een aantal stukken ter zitting zijn overgelegd en dat Koppejan alsnog na afloop van de zitting in hoger beroep het gecorrigeerde rapport aan het hof heeft toegezonden. Het procesbelang van de vader is in zoverre niet geschaad. Daarnaast was en is voor de vader voldoende duidelijk waartegen hij zich in hoger beroep dient te verweren. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de moeder ontvankelijk is in haar hoger beroep. Horen van [de minderjarige] 5.5 De moeder verzoekt het hof [de minderjarige] te horen, omdat hij ruim elf jaar oud is en een VWO leerniveau heeft. Hij is goed in staat om aan te geven wat hij wil en dit houdt in dat hij niet bij de vader wil wonen. Het is voor [de minderjarige] belangrijk dat hij zich gehoord voelt en zijn mening kan geven. 5.6 De vader is van mening dat voorzichtig omgegaan moet worden met het horen van [de minderjarige] en hij wijst er op dat de moeder het verzoek tot het horen van [de minderjarige] niet in het petitum van het beroepschrift heeft neergelegd, zodat daarop niet hoeft te worden beslist. 5.7 De raad heeft opgemerkt dat [de minderjarige] enerzijds op basis van zijn leeftijd en het beeld dat de raad van hem heeft, goed in staat zal zijn te kunnen verwoorden wat hij wil. Anderzijds ziet de raad een contra-indicatie in het horen van [de minderjarige] , omdat hij het gevoel zou kunnen hebben dat de verantwoordelijkheid voor de beslissing bij hem wordt neergelegd. 5.8 Het hof overweegt als volgt. Een verzoek tot het horen van een kind behoeft niet in het petitum van het hoger beroepschrift gedaan te worden, zodat het hof hierop zal beslissen. Uitgangspunt is dat, zoals ook in artikel 809 eerste lid Rv is verwoord, in zaken als de onderhavige, een minderjarige van twaalf jaar of ouder in de gelegenheid wordt gesteld zijn mening kenbaar te maken. Weliswaar geeft de tweede volzin de rechter de bevoegdheid om ook jongere kinderen te horen, maar het hof ziet in deze zaak geen aanleiding om van deze bevoegdheid gebruik te maken. Het hof neemt bij zijn oordeel in aanmerking dat in eerste aanleg de bijzondere curator reeds met [de minderjarige] heeft gesproken en het hof het belangrijk vindt dat [de minderjarige] niet het gevoel krijgt dat hij verantwoordelijk is voor de beslissing over zijn hoofdverblijfplaats. Dit te meer omdat [de minderjarige] al last heeft van loyaliteitsproblematiek. Bovendien zal het horen door het hof belastend voor hem zijn en onrust met zich brengen. Het hof acht het daarom niet in het belang van [de minderjarige] om hem te horen. Het daartoe gedane verzoek van de moeder zal daarom worden afgewezen. Hoofdverblijfplaats 5.9 Aan de orde is de vraag bij wie [de minderjarige] zijn hoofdverblijfplaats zal hebben. Het hof stelt voorop dat ingevolge het bepaalde in artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (BW) de rechter in geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het gezag, waaronder het onderhavige geschil omtrent de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] , een zodanige beslissing dient te nemen als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt. 5.10 De moeder stelt dat er geen gronden zijn tot wijziging van de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] . Tot en met medio 2019 was sprake van een redelijk goedlopende zorgregeling tussen de vader en [de minderjarige] . De in het verleden gevoerde procedures zijn bovendien niet alleen toe te rekenen aan de moeder. Zij heeft met haar inleidend verzoek uitsluitend beoogd een wijziging in de zorgregeling te bewerkstelligen waarbij rekening wordt gehouden met de steeds zwaarder wegende wens van [de minderjarige] om alles uit zijn voetbaltalent en -carrière te halen. De door haar voorgestelde regeling houdt bovendien rekening met de grote afstand, de reis is namelijk te belastend voor ieder weekend. Het is onbegrijpelijk dat de rechtbank daaruit heeft afgeleid dat de moeder een reguliere zorgregeling tussen [de minderjarige] en zijn vader niet zou steunen. De moeder realiseert zich ten volle dat een door haar ondersteunde zorgregeling, die ook intrinsiek wordt geaccepteerd door [de minderjarige] , de kans op psychische schade voor [de minderjarige] in de toekomst zo gering mogelijk maakt. Ten gevolge van de wijze waarop de vader op zaken reageert, te weten dominant en intimiderend, heeft [de minderjarige] angst om naar de vader te gaan. De overdracht laat zien hoe zeer [de minderjarige] in een zeer traumatische situatie is geplaatst. Het is dan ook volstrekt niet in zijn belang om weggerukt te worden uit zijn vertrouwde omgeving. Van ongefundeerde angsten bij de moeder is geen sprake. De moeder denkt dat [de minderjarige] het liefst weer bij haar wil komen wonen in zijn vertrouwde omgeving, om zijn laatste jaar school af te maken op zijn oude school en weer bij zijn oude voetbalvereniging te kunnen voetballen. 5.11 De vader voert aan dat de rechtbank terecht en op juiste gronden de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij hem heeft bepaald. De moeder heeft de omgang tussen de vader en [de minderjarige] de afgelopen tien jaren tegengewerkt. Slechts in de periode van februari 2017 tot medio 2019 verliep de regeling enigszins redelijk, maar in september 2019 is de omgang weer geheel gestaakt. Daarnaast heeft de moeder na de bestreden beschikking welbewust niet meegewerkt aan de overdracht van [de minderjarige] aan de vader. Een spoed kort geding, interventie van de politie, het Openbaar Ministerie, de raad, Veilig Thuis en tussenkomst van BJZ waren nodig om de overdracht te bewerkstelligen. Na de overdracht vertoonde [de minderjarige] typische symptomen van ouderonthechting. De eerste periode na de overdracht is door de vader als zeer zwaar ervaren, maar het gedrag van [de minderjarige] veranderde snel en na circa vier weken was sprake van een stabiele situatie waarin [de minderjarige] het naar zijn zin heeft bij de vader. De vader had het liever ook anders gezien, maar hij vreest dat hij [de minderjarige] niet meer te zien krijgt als de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] weer bij de moeder wordt bepaald. 5.12 De raad heeft ter zitting geen advies kunnen geven over de hoofdverblijfplaats. Voor een advies is van belang te onderzoeken bij wie van de ouders [de minderjarige] de beste mogelijkheid krijgt om gesteund te worden om met beide ouders contact te mogen hebben. De raad heeft ter zitting aangeboden een onderzoek te verrichten naar de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] , alsmede de zorgregeling. De raad vraagt zich af wat voor gevolgen het voor [de minderjarige] zou hebben als de situatie weer zou worden teruggedraaid, zoals door de moeder is verzocht en hij zijn verblijfplaats bij de moeder zal hebben, te meer omdat hij zich nu heeft ingesteld op het feit dat hij bij zijn vader woont. 5.13 Het hof overweegt als volgt. Op basis van de stukken en het verhandelde ter terechtzitting is het hof van oordeel dat de rechtbank op goede gronden het verzoek van de vader tot wijziging van de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij de vader heeft toegewezen. Het hof neemt de gronden over en maakt deze tot de zijne. In hoger beroep zijn geen feiten of omstandigheden aangevoerd die tot een ander oordeel zouden moeten leiden. Daarbij neemt het hof het volgende in aanmerking. 5.14 Vaststaat dat er sprake is van een jarenlange (juridische) strijd tussen de ouders, waarbij het de ouders niet lukt rekening te houden met de belangen van [de minderjarige] . Beide ouders ervaren zeer veel stress als gevolg van de situatie en ervaren wantrouwen, verdriet en angst jegens de ander. Deze stress vertaalt zich naar stress bij [de minderjarige] . Sinds het uiteengaan van partijen, kort na de geboorte van [de minderjarige] , is een patroon te zien van uiterst moeizaam verlopen zorgregelingen waarbij de moeder mondjesmaat de afspraken nakwam en geen oog lijkt te hebben voor de belangen van de vader. De moeder stelt dat de zorgregeling tussen de vader en [de minderjarige] in de periode van 2016 tot en met 2019 goed is verlopen. De vader heeft echter onbetwist gesteld dat de zorgregeling tussen 8 november 2016 en 23 februari 2017 stil lag en slechts vanaf 23 februari 2017 tot medio 2019 enigszins redelijk is verlopen. Daarbij dient opgemerkt te worden dat de moeder reeds in augustus 2018 via haar advocaat een wijziging van de zorgregeling aan de vader heeft voorgesteld en in juni 2019 daadwerkelijk een verzoek tot wijziging heeft ingediend bij de rechtbank. [de minderjarige] heeft zijn vader sinds september 2019 helemaal niet meer gezien. Ter zitting van de kinderrechter van de rechtbank van 16 december 2019 hebben partijen afgesproken dat de uitvoering van de op dat moment bestaande zorgregeling in het weekend van 20 op 21 december 2019 zou worden hervat. Partijen hebben een tijdelijke zorgregeling afgesproken tot aan de beschikking in de bodemprocedure. De moeder heeft toegezegd dat zij hieraan haar medewerking zou verlenen, maar diezelfde middag werd duidelijk dat de moeder zich niet aan die toezegging zou houden, omdat [de minderjarige] een paniekaanval had gehad. 5.15 De rechtbank heeft in eerste aanleg Koppejan als bijzondere curator benoemd om de belangen van [de minderjarige] te behartigen. De moeder heeft weliswaar een klacht ingediend jegens Koppejan, maar heeft daaraan niet de conclusie verbonden dat het rapport niet gebruikt kan worden in de huidige procedure. Ook zijn de grieven in het hoger beroepschrift niet gericht tegen het rapport van Koppejan, zodat het hof het rapport in zijn oordeel zal meenemen. Het hof ziet geen aanleiding om aan te nemen dat Koppejan de belangen van de minderjarige onjuist heeft vertolkt. Koppejan rapporteert in het rapport van 23 april 2020 dat de moeder en de grootouders (moederszijde, hierna
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.