afdeling strafrecht parketnummer: 23-003252-19 datum uitspraak: 18 november 2020 TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman) Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 29 augustus 2019 in de strafzaak onder parketnummer 13-006332-19 tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] (Pakistan) op [geboortedag] 1978, adres: [adres 1]. [adres 2] Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 4 november 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsman naar voren heeft gebracht. Tenlastelegging Aan de verdachte is tenlastegelegd dat: primair hij op of omstreeks 2 mei 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen een of meerdere malen (met kracht) een glazen pot, althans een hard voorwerp, op/tegen het hoofd, althans het lichaam, van voornoemde [benadeelde] heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; subsidiair hij op of omstreeks 2 mei 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, [benadeelde] heeft mishandeld door die [benadeelde] een of meerdere malen (met kracht) met een glazen pot, althans een hard voorwerp, op/tegen het hoofd, althans het lichaam, te slaan; Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd. Vrijspraak primair tenlastegelegde Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte primair is tenlastegelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken. Bewijsoverweging subsidiair tenlastegelegde De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep gesteld dat de verdachte ook moet worden vrijgesproken van het subsidiair ten laste gelegde feit. De verdachte heeft ontkend te hebben geslagen en heeft ook verklaard niets mee te hebben genomen toen hij uit de woning naar de aangever toeging, ook geen – zo begrijpt het hof – plastic tas. Het dossier bevat weliswaar voldoende wettig bewijs, maar dit bewijs is niet overtuigend gelet op de omstandigheid dat de verklaringen in het dossier lijnrecht tegenover elkaar staan. Bovendien: het aantreffen van glas op de plaats van het incident is geen bewijs van slaan met een pindakaaspot, nu niet kan worden vastgesteld dat het glas daar niet al eerder lag. Het hof verwerpt het verweer van de raadsman, omdat hetgeen daaraan ten grondslag is gelegd wordt weerlegd door de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen, waarbij het hof overweegt dat het geen reden ziet aan de waarnemingen en verklaringen van aangever [benadeelde], getuige [getuige] en verbalisant [verbalisant] te twijfelen. [getuige] heeft verklaard gezien te hebben dat er stukken glas op de grond vielen en dat deze afkomstig waren van een pindakaaspot waarmee de verdachte aangever [benadeelde] op het hoofd heeft geslagen. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: subsidiair hij op 2 mei 2016 te Amsterdam [benadeelde] heeft mishandeld door hem met een glazen pot op het hoofd te slaan. Hetgeen subsidiair meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het subsidiair bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het subsidiair bewezenverklaarde levert op: mishandeling. Strafbaarheid van de verdachte Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het subsidiair bewezenverklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is. Oplegging van straf De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 80 uren subsidiair 40 dagen hechtenis, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, waarvan 40 uren subsidiair 20 dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. De aftrek vindt plaats volgens de maatstaf: twee uren werkstraf per dag voorarrest, dus in totaal vier uren. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg is opgelegd. De raadsman heeft verzocht, indien het hof tot een bewezenverklaring komt, een geheel voorwaardelijke straf op te leggen. Voorts merkt de raadsman op dat de verdachte nu in het Verenigd Koninkrijk woont, maar op termijn wil terugkeren naar Nederland. Mocht het hof overwegen een onvoorwaardelijke taakstraf op te leggen, dan is de verdachte in staat hier een taakstraf te verrichten. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de aard en ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling. Hij heeft met een glazen pot op het hoofd van aangever geslagen. Aldus heeft hij de lichamelijke integriteit van het slachtoffer geschonden en hem pijn en letsel toegebracht. Het incident zal niet alleen het slachtoffer angst hebben ingeboezemd, maar ook bij zijn vriendin – die getuige ervan was – gevoelens van ontzetting teweeg hebben gebracht. Tegen deze achtergrond is de straf die de eerste rechter heeft opgelegd passend. Het hof acht, alles afwegende, een (gedeeltelijk voorwaardelijke) taakstraf van na te melden duur passend en geboden. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde] De benadeelde partij [benadeelde] heeft zich ter zake van het ten laste gelegde in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding van € 1.130,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.