← Nederland

ECLI:NL:GHAMS:2020:3136

afdeling strafrecht parketnummer: 23-001948-19 datum uitspraak: 18 november 2020 TEGENSPRAAK Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 20 mei 2019 in de strafzaak onder parketnummer 15-214236-17 tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1966, adres: [adres]. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 4 november 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht. Tenlastelegging Aan de verdachte is tenlastegelegd dat: zij op of omstreeks 21 september 2017 te Sint Maartensvlotbrug, gemeente Schagen opzettelijk en wederrechtelijk een voorportierruit, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [benadeelde] toebehoorde, heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt. Het hof leest in de tenlastelegging, zoals op de terechtzitting besproken en met instemming van de advocaat-generaal en de raadsman, ‘voorportierruit’ als ‘voorruit’. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de politierechter. Vordering van het openbaar ministerie De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke geldboete ter hoogte van € 450,00, bij niet voldoening te vervangen door negen dagen vervangende hechtenis. Vrijspraak Het hof stelt vast dat zich op 21 september 2017 een ernstig incident heeft voorgedaan, waarbij drie personen waren betrokken: de verdachte, mevrouw [getuige] en de heer [benadeelde]. De verdachte en mevrouw [getuige] bevonden zich in een Hyundai. Uit een door mevrouw [getuige] tijdens het rijden in de Hyundai opgenomen video blijkt dat de verdachte, die deze auto bestuurde, (onder andere) riep: ‘ik ram hem op zijn snuit’ en ‘ik ram hem straks zijn kar uit’. De verbalisant, die deze video bekeek, beschreef dat nadat de verdachte dit had geroepen, het geluid van een aanrijding was te horen. De verdachte reed tegen de Audi van de heer [benadeelde] aan, met aanzienlijke schade aan beide auto’s tot gevolg. De verdachte en mevrouw [getuige] zijn na de aanrijding (en het klemzetten van de Audi door mevrouw [getuige]) beiden naar de Audi gerend, de verdachte met een stoeltje in haar hand. De voorruit van de Audi is vernield. De verbalisant, die met de heer [benadeelde] sprak, hoorde hem zeggen dat hij heel erg geschrokken was van de aanrijding en zag dat hij met trillende handen zat. Er is voor gekozen om van dit incident alleen de vernieling van de voorruit aan de verdachte ten laste te leggen. Op de terechtzitting in hoger beroep is mevrouw [getuige] als getuige gehoord over de vernieling van de voorruit en zij heeft onder ede verklaard dat niet de verdachte, maar zijzelf de ruit heeft vernield. De verdachte heeft – zoals eerder ook bij de politie en ook in eerste aanleg – verklaard dat zij weliswaar (twee keer) met haar elleboog op het voorruit heeft geslagen, maar dat de voorruit al kapot was op het moment dat zij dit deed: ‘er zat een barst in de ruit en daar gaf ik een klap op’. Niet is tenlastegelegd dat de verdachte tezamen en in vereniging met een ander de ruit heeft vernield. Het hof is van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte degene is geweest die de voorruit heeft vernield, nu de precieze gang van zaken niet kan worden vastgesteld en de inhoud van het dossier de mogelijkheid openlaat dat de vernieling door een ander is aangebracht. De verdachte zal daarom worden vrijgesproken. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde] De verdachte wordt niet schuldig verklaard ter zake van het tenlastegelegde handelen waardoor de gestelde schade zou zijn veroorzaakt. De benadeelde partij kan daarom in de vordering niet worden ontvangen. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht. Verklaart niet bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij. Vernietigt de eerder uitgevaardigde strafbeschikking d.d. 9 november 2017 onder CJIB nummer 4132542003098489. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde] Verklaart de benadeelde partij [benadeelde] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding. Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen. Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M. Lolkema, mr. S. Clement en mr. P. Greve, in tegenwoordigheid van mr. N.M. Simons, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 18 november 2020. ========================================================================= […]

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.