afdeling strafrecht parketnummer: 23-001571-19 datum uitspraak: 17 november 2020 TEGENSPRAAK Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 5 april 2019 in de strafzaak onder parketnummer 13-669123-17 tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] (Marokko) op [geboortedag] 1976, adres: [adres 1]. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 12 december 2019 en 3 november 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsvrouw naar voren is gebracht. Tenlastelegging Aan de verdachte is tenlastegelegd dat: primairhij op of omstreeks 29 oktober 2017 te Amsterdam aan [benadeelde] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken neus en/of ander zwaar lichamelijk letsel, heeft toegebracht, door voornoemde [benadeelde] met dat opzet (met kracht): - een duw tegen het lichaam te geven (waardoor die [benadeelde] ten val kwam) en/of - meerdere malen, althans eenmaal, met zijn, verdachtes, hand en/of met de achterkant (het handvat) van een mes, tegen tegen de neus, althans het gezicht, en/of tegen de borst, althans het bovenlichaam, te slaan en/of - meerdere malen, althans eenmaal, tegen de borst en/of het hoofd en/of de zijkant van het lichaam, in elk geval tegen het lichaam, te schoppen; subsidiairhij op of omstreeks 29 oktober 2017 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet, (met kracht): - een duw tegen het lichaam van die [benadeelde] heeft gegeven (waardoor die [benadeelde] ten val kwam) en/of - meerdere malen, althans eenmaal, met zijn, verdachtes, hand en/of met de achterkant (het handvat) van een mes, tegen tegen de neus, althans het gezicht, en/of tegen de borst, althans het bovenlichaam, van die [benadeelde] heeft geslagen en/of - meerdere malen, althans eenmaal, tegen de borst en/of het hoofd en/of de zijkant van het lichaam, in elk geval tegen het lichaam van die [benadeelde] heeft geschopt; meer subsidiairhij op of omstreeks 29 oktober 2017 te Amsterdam opzettelijk mishandelend [benadeelde], (met kracht): - een duw tegen het lichaam heeft gegeven (waardoor die [benadeelde] ten val kwam) en/of - meerdere malen, althans eenmaal, met zijn, verdachtes, hand en/of met de achterkant (het handvat) van een mes, tegen tegen de neus, althans het gezicht, en/of tegen de borst, althans het bovenlichaam, heeft geslagen en/of - meerdere malen, althans eenmaal, tegen de borst en/of het hoofd en/of de zijkant van het lichaam, in elk geval tegen het lichaam, heeft geschopt; waardoor voornoemde [benadeelde] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank. Bewijsoverweging De raadsvrouw heeft integrale vrijspraak bepleit. Daartoe heeft zij, kort samengevat, aangevoerd dat op grond van de door aangever afgelegde verklaringen niet tot een bewezenverklaring kan worden gekomen, nu deze tegenstrijdigheden bevatten en dat niet met zekerheid is vast te stellen dat het bij aangever geconstateerde letsel is ontstaan door toedoen van de verdachte. De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van de subsidiair tenlastegelegde poging zware mishandeling. Het hof overweegt als volgt. Het hof neemt op grond van het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting als vaststaand aan dat op 29 oktober 2017 een fysieke confrontatie heeft plaatsgevonden tussen de aangever en de verdachte in de woning gelegen aan de [adres 2] te Amsterdam en dat de aangever ten gevolge hiervan letsel heeft opgelopen, waaronder drukpijn op het borstbeen en de borstholte, een wond op het jukbeen en een gebroken neus. Het hof constateert dat de feitelijke toedracht, ondanks het getuigenverhoor van de aangever bij de raadsheer-commissaris en de uitvoerige bespreking en uitbeelding van het incident door de verdachte, met behulp van zijn raadsvrouw, ter zitting in hoger beroep, onduidelijk is gebleven. De lezing van de verdachte over wat er precies gebeurd is in de woning staat op veel punten haaks op de lezing van de aangever. Het hof is het met de raadsvrouw eens dat de aangever bovendien op enkele niet onbelangrijke punten niet consistent – en soms tegenstrijdig – heeft verklaard. Een belangrijke overeenkomst in beide lezingen is evenwel dat de aangever, door toedoen van de verdachte, voorover de badkamer is ingeduwd, waardoor de aangever letsel aan zijn gezicht heeft opgelopen. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte deze gang van zaken bevestigd en verklaard dat hij de arm van de aangever vastpakte en deze draaide naar de rug van de aangever toe (waardoor het gezicht van de aangever van verdachte afstond), waarop hij hem wegduwde en de aangever vervolgens met zijn gezicht naar voren in de badkamer is gevallen. Andere geweldshandelingen zouden door hem niet zijn toegepast. Het hof zal bij deze stand van zaken de lezing van de verdachte over de wijze waarop het slachtoffer letsel heeft bekomen volgen. Dat betekent dat het hof enkel bewezen acht dat de verdachte de aangever op voren omschreven wijze heeft geduwd, ten gevolge waarvan de aangever letsel heeft bekomen, zoals in de tenlastelegging telkens onder het eerste gedachtestreepje is opgenomen. De gedragingen die telkens onder het tweede en derde gedachtestreepje in de tenlastelegging zijn opgenomen, acht het hof niet bewezen. Het hof zal de verdachte daarvan vrijspreken. Vrijspraak van het primair en subsidiair tenlastegelegde De vraag is voorts welk strafbaar feit het geven van deze duw oplevert. Naar het oordeel van het hof is het bij de aangever geconstateerde letsel niet aan te merken als zwaar lichamelijk letsel, gelet op de eisen die de jurisprudentie van de Hoge Raad daaraan stelt. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. Evenmin kan naar het oordeel van het hof worden bewezen dat de verdachte het opzet heeft gehad, ook niet in voorwaardelijke vorm, tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, zodat de verdachte ook van de subsidiair tenlastegelegde poging zware mishandeling zal worden vrijgesproken. Slotsom Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de meer subsidiair tenlastegelegde mishandeling. Door de aangever te duwen op de wijze waarop de verdachte dit gedaan heeft, is aangever ten val gekomen waardoor hij een neusfractuur en daarmee pijn en letsel heeft bekomen. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het meer subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: hij op 29 oktober 2017 te Amsterdam opzettelijk [benadeelde] heeft mishandeld, door hem een duw tegen het lichaam te gegeven, waardoor die [benadeelde] ten val kwam en waardoor die [benadeelde] letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden. Hetgeen meer subsidiair meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het meer subsidiair bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het meer subsidiair bewezenverklaarde levert op: mishandeling. Strafbaarheid van de verdachte Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het meer subsidiair bewezenverklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is. Oplegging van straf De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het subsidiair tenlastegelegde veroordeeld tot een taakstraf van 180 uren, te vervangen door 90 dagen hechtenis en met aftrek van het voorarrest waarvan 60 uren voorwaardelijk, te vervangen door 30 dagen hechtenis, met een proeftijd van 1 jaar met algemene en bijzondere voorwaarden. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 120 uren, te vervangen door 60 dagen vervangende hechtenis, waarvan 60 uren, te vervangen door 30 dagen vervangende hechtenis voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. De raadsvrouw heeft bepleit om in het geval van een veroordeling rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. De verdachte heeft sinds dit feit geen strafbare feiten meer gepleegd en kent recidive in de vorm van slechts een feit uit
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.