← Nederland

ECLI:NL:GHAMS:2020:3253

afdeling strafrecht parketnummer: 23-003157-18 datum uitspraak: 20 november 2020 TEGENSPRAAK Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 30 augustus 2018 in de strafzaak onder parketnummer 15-123427-18 tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1978, adres: [adres]. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 20 november 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht. Tenlastelegging Aan de verdachte is tenlastegelegd dat: hij op of omstreeks 8 juni 2018 te Purmerend, [benadeelde] heeft mishandeld door die [benadeelde] tweemaal, althans eenmaal, in zijn buik te stompen. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de politierechter. Vrijspraak De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden vrijgesproken. De verdediging heeft zich eveneens op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken. Ook naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte is tenlastegelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken. Het hof overweegt daartoe als volgt. Op 8 juni 2018 is de verdachte naar de turnzaal aan de [straat] in Purmerend gegaan om verhaal te halen bij aangever [benadeelde], de turnleraar van zijn zoontje. Aldaar heeft in de kleedkamer een woordenwisseling plaatsgevonden. [benadeelde] heeft verklaard dat de verdachte hem tijdens de woordenwisseling twee stompen in zijn buik gaf. De verdachte heeft dit ontkend. Hij heeft in dit verband verklaard dat de rode plekken die naderhand bij [benadeelde] op zijn buik zijn geconstateerd, kunnen zijn ontstaan doordat [benadeelde] bij het wegglippen door de deur van de kleedkamer die de verdachte wilde dichthouden in aanraking is gekomen met de deurklink. Het hof is van oordeel dat het dossier geen bewijsmateriaal bevat dat ontegenzeggelijk doorslaggevend kan zijn bij de beantwoording van de vraag of [benadeelde] door de verdachte in de buik is gestompt. De bij de raadsheer-commissaris gehoorde getuigen [getuige] en de politieambtenaar [verbalisant] kunnen op dat punt geen uitsluitsel geven en de enkele omstandigheid dat de aangever rode plekken had op zijn buik maakt het voorgaande niet anders, nu het letsel ook op een andere manier kan zijn ontstaan, in het bijzonder op de wijze zoals door de verdachte verklaard. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde] De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 350,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen. De verdachte wordt niet schuldig verklaard ter zake van het tenlastegelegde handelen waardoor de gestelde schade zou zijn veroorzaakt. De benadeelde partij kan daarom in de vordering niet worden ontvangen. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: Verklaart niet bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart de benadeelde partij [benadeelde] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding. Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen. Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. J.H.C. van Ginhoven, mr. M.L.M. van der Voet en mr. C.J. van der Wilt, in tegenwoordigheid van mr. C.H. Sillen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 20 november 2020.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.