GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling civiel recht en belastingrecht, team I zaaknummer : 200.264.531/01 SKG zaaknummer rechtbank Amsterdam : C/13/667456 / KG ZA 19-608 arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 7 januari 2020 inzake 1 [appellant sub 1] , 2. [appellante sub 2], beiden wonend te [woonplaats] , appellanten, advocaat: mr. M. Goedhart te Amsterdam, tegen GEMEENTE AMSTERDAM, zetelend te Amsterdam, geïntimeerde, advocaat: mr. B.M. Breedijk te Amsterdam. 1Het geding in hoger beroep Partijen worden hierna [appellanten] en de gemeente genoemd. [appellanten] zijn bij dagvaarding van 6 augustus 2019 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Amsterdam van 10 juli 2019, in kort geding gewezen tussen [appellanten] als eisers en de gemeente als gedaagde. De appeldagvaarding bevat de grieven. Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend: - memorie overeenkomstig de appeldagvaarding; - memorie van antwoord; - akte aan de zijde van [appellanten] ; - antwoordakte aan de zijde van de gemeente. [appellanten] hebben geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en alsnog hun vordering zal toewijzen, met veroordeling van de gemeente tot terugbetaling van al hetgeen zij op grond van het bestreden vonnis aan haar hebben betaald, met beslissing over de proceskosten. De gemeente heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met beslissing over de proceskosten. Ten slotte is arrest gevraagd. 2Feiten De voorzieningenrechter heeft in het vonnis onder 2.1 tot en met 2.8 de feiten opgesomd die zij bij de beoordeling van de zaak tot uitgangspunt heeft genomen. De grieven I en II zijn gericht tegen de, volgens [appellanten] , onvolledige feiten onder 2.2 en 2.3, respectievelijk 2.8. Het hof zal de feiten aanvullen; de toelichting op deze grieven komt bij de inhoudelijke overwegingen nader aan de orde. Voor het overige zijn de feiten niet in geschil en deze dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt. Voor zover van belang en waar nodig aangevuld met andere feiten die volgen uit niet weersproken stellingen van partijen dan wel de niet (voldoende) bestreden inhoud van producties waarnaar zij ter staving van hun stellingen verwijzen, komen de feiten neer op het volgende. 2.1. [appellanten] hebben van de gemeente in het verleden een uitkering ontvangen op grond van de Wet Werk en Bijstand (WWB). 2.2. Bij besluit van 6 oktober 2010 heeft de gemeente aan [appellanten] meegedeeld dat over de periode van 17 april 2006 tot en met 9 december 2006 een bedrag van € 9.395,19 (netto) teveel aan bijstand is verleend, omdat zij hebben nagelaten de gemeente in kennis te stellen dat zij in die periode de beschikking hadden over een vermogen boven de vrijstellingsgrens. In het besluit staat vermeld dat [appellanten] daarom binnen zes weken een bedrag van € 10.695,59 (bruto) aan de gemeente moeten terugbetalen en dat een dwangbevel zal worden uitgevaardigd, als zij daartoe niet vrijwillig overgaan. 2.3. De gemeente heeft bij besluit van 11 februari 2011 een bedrag van € 789,20 van [appellanten] teruggevorderd, omdat dit bedrag ten onrechte was verstrekt in verband met deurwaarderskosten voor kinderopvang. 2.4. Bij brief van 26 september 2013 heeft de gemeente [appellanten] onder meer het volgende geschreven: De Dienst Werk en Inkomen heeft van u te vorderen: Wegens een verstrekte geldlening voor deurwaarderskosten in verband met kinderopvang een bedrag van € 789,20. (…) Wegens ten onrechte ontvangen bijstand over de periode van 17 april 2006 tot en met 9 december 2006 een bedrag van € 10.695,59. Op deze vordering is reeds een deel afgelost. Er resteert nu een bedrag van € 7.409,42. Totaal dient u aan de Dienst Werk en Inkomen te betalen een bedrag van € 8.198,62. (…) Mocht u van mening zijn de opgelegde betaalverplichting niet te kunnen nakomen, dan dient u voor 17 oktober 2013 telefonisch of schriftelijk contact op te nemen met Handhaving, afdeling Terugvordering en Verhaal. 2.5. Bij brief van 16 oktober 2013 heeft de Dienst Werk en Inkomen van de gemeente [appellanten] , naar aanleiding van een op die dag met [appellanten] gevoerd telefoongesprek, onder meer het volgende geschreven: Bij besluit van 26 september 2013 hebben wij u verzocht de uitkering, die aan u teveel of ten onrechte is uitgekeerd, ineens en terstond binnen zes weken na verzenden van het terugvorderingsbesluit terug te betalen. Het gaat om een bedrag van € 8.198,62. U hebt aangegeven dat u de schuld niet ineens kunt terugbetalen en u heeft daarom om een betalingsregeling verzocht. Wij verlenen u uitsluitend voor de duur dat u de betalingsregeling nakomt, uitstel van betaling voor de hoofdsom ineens. Het aflossingsbedrag wordt met ingang van 1 november 2013 opnieuw vastgesteld op € 150,00 per maand. (…) Uw betaling dient voor de 27e van elke maand ontvangen te zijn. 2.6. In de periode van oktober 2013 tot en met november 2015 hebben [appellanten] maandelijks een bedrag van € 150,= aan de gemeente betaald en daarnaast in de maanden november 2018 en januari 2019 telkens een bedrag van € 50,=. 2.7. De gemeente heeft op 15 april 2019 een dwangbevel uitgevaardigd, met het bevel om een bedrag van € 4.348,62 (volgens het dwangbevel het restant van de onder 2.2 genoemde schuld) binnen zeven dagen te voldoen. In het dwangbevel is aangekondigd dat bij niet betaling invorderingsmaatregelen zullen worden getroffen. 3Beoordeling 3.1. Gelet op de zogenoemde tweeconclusie regel in hoger beroep wordt de akte van [appellanten] alsnog geweigerd. Gesteld noch gebleken is dat aanleiding bestaat op deze regel een uitzondering te maken. Dat betekent dat de akte van [appellanten] geen deel uitmaakt van de processtukken. In het verlengde daarvan wordt ook de antwoordakte van de gemeente geweigerd; deze behoort dus evenmin tot de processtukken. 3.2. In de eerste aanleg van deze procedure hebben [appellanten] gevorderd de gemeente te verbieden (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.