afdeling strafrecht parketnummer: 23-000815-20 datum uitspraak: 14 december 2020 TEGENSPRAAK Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 10 maart 2020 in de strafzaak onder parketnummer 15-279369-19 tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1978, thans gedetineerd in het Justitieel Complex Zaanstad te Westzaan. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 30 november 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsvrouw naar voren is gebracht. Tenlastelegging Aan de verdachte is tenlastegelegd dat: 1 hij op of omstreeks 13 maart 2019 te Heemskerk, gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, te weten rond 1.10 uur, in/uit een woning, gelegen aan de [adres 1], met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een kussen met sloop met daarin (onder meer) sleutels en/of een portemonnee met inhoud, te weten (onder meer) ongeveer 60 euro en/of twee bankpassen en/of een identiteitskaart, alle op naam van [benadeelde], in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [benadeelde], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, en/of met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [benadeelde] heeft gedwongen tot de afgifte van een kussen met sloop met met daarin (onder meer) sleutels en/of een portemonnee met inhoud, te weten (onder meer) ongeveer 60 euro en/of twee bankpassen en/of een identiteitskaart, alle op naam van [benadeelde], in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde] in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond dat verdachte zich heeft begeven naar de slaapkamer van die [benadeelde] en/of naast het bed van die [benadeelde] is gaan staan en/of (vervolgens) die [benadeelde] op gebiedende en intimiderende toon (meermalen) de woorden "Je geld, ik weet dat je geld hebt" en/of "Waar is het en geef het aan mij" heeft toegevoegd en/of (hierna) (onverhoeds) voornoemd kussen uit de handen van die [benadeelde] heeft getrokken en/of vanaf het bed van die [benadeelde] heeft weggepakt, waarbij hij, verdachte, zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming; 2 hij op of omstreeks 13 maart 2019 te Heemskerk gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, te weten rond 1.10 uur, in/uit een woning, gelegen aan de [adres 1], diverse sieraden en/of een bruin houten kistje en/of een hartvormig stenen bakje en/of een houten mandje en/of dameshorloge, merk Francis Delon, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [benadeelde], heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming; 3 hij op of omstreeks 20 november 2019 te Beverwijk een wapen van categorie I, onder 7° van de Wet wapens en munitie, te weten een door de Minister van Justitie en Veiligheid aangewezen voorwerp dat een ernstige bedreiging van personen kon vormen en/of dat zodanig op een wapen geleek dat deze voor bedreiging of afdreiging geschikt was, te weten een veerdrukwapen, dat voor wat betreft zijn vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis vertoonde met een vuurwapen van het merk Walther, model P99, voorhanden heeft gehad. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring en kwalificatie komt dan de rechtbank. Bewijsoverweging ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde Anders dan door de raadsvrouw is bepleit, is het hof van oordeel dat de onder 1 bewezenverklaarde diefstal werd vergezeld van “bedreiging met geweld” als bedoeld in artikel 312 van het Wetboek van Strafrecht. Daartoe overweegt het hof het volgende. De verdachte heeft zich midden in de nacht doelbewust begeven naar de slaapkamer van een alleenstaande 77-jarige vrouw, alwaar hij voor haar is gaan staan en meermalen op gebiedende wijs tegen haar heeft geschreeuwd: “Je geld, ik weet dat je geld hebt” en het kussen waarin zij waardevolle spullen bewaarde naar zich toe trok. Door aldus te handelen heeft de verdachte een dermate dreigende situatie gecreëerd dat de vrees van het slachtoffer voor geweld gerechtvaardigd was, zodat sprake is geweest van bedreiging met geweld in vorenbedoelde zin (vgl. HR 4 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:657). Bespreking van het verweer ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde De raadsvrouw heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep – net als de advocaat-generaal – op het standpunt gesteld dat de verdachte van het onder 3 tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken. Daartoe is door de raadsvrouw, kort gezegd, aangevoerd dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte zich er bewust van was dat het veerdrukwapen dat hij voorhanden had zodanig op een origineel wapen leek dat dit verboden was. Het hof overweegt als volgt. Bij een doorzoeking van de woning van de verdachte op 20 november 2019 is een “(veerdruk) balletjes pistool Walther P99” aangetroffen, dat een vrijwel exacte replica betreft van een bestaand vuurwapen zijnde de Walther P99. Daarmee betreft het een wapen zoals onder 3 tenlastegelegd. De door de raadsvrouw in hoger beroep overgelegde stukken, die onder meer inhouden dat de betreffende replica “haast niet van een echt exemplaar te onderscheiden is”, brengen het hof in dit verband bepaald niet op andere gedachten. De verdachte heeft het balletjespistool op de Zwarte Markt gekocht en dit vervolgens in zijn woning bewaard. Daarmee heeft hij het voorhanden gehad als bedoeld in artikel 13 van de Wet wapens en munitie. Voor een veroordeling van het voorhanden hebben van een wapen is ‘slechts’ vereist dat een verdachte het wapen bewust aanwezig heeft gehad. Daarvan is sprake als een verdachte zich bewust is geweest van de (waarschijnlijke) aanwezigheid van het wapen of de munitie, zonder dat die bewustheid zich hoeft uit te strekken tot de specifieke eigenschappen en kenmerken van het wapen of de munitie (vgl. HR 31 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:504). Evenmin is vereist dat het opzet van een verdachte op het verboden karakter van het wapen gericht is geweest. Het verweer, dat kennelijk van een andere opvatting uitgaat, wordt daarom verworpen. Voor zover de raadsvrouw heeft willen aanvoeren dat de verdachte een beroep kan doen op afwezigheid van alle schuld, omdat hij in de overtuiging verkeerde en mocht verkeren dat het bezit van het wapen niet ongeoorloofd was, volgt het hof haar niet. Onder de geschetste omstandigheden en gelet op de uiterlijke kenmerken van het balletjespistool, had de verdachte zich minst genomen moeten laten voorlichten over de voor dit voorwerp toepasselijke regels, alvorens er op te vertrouwen dat het een geoorloofd voorwerp was. De opgevoerde dwaling is derhalve niet verontschuldigbaar. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: 1 hij op 13 maart 2019 te Heemskerk, gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, uit een woning, gelegen aan de [adres 1], met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een kussen met sloop met daarin sleutels en een portemonnee met inhoud, te weten onder meer 60 euro en twee bankpassen en een identiteitskaart, toebehorende aan [benadeelde], welke diefstal werd vergezeld van bedreiging met geweld tegen [benadeelde], gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, welke bedreiging met geweld hierin bestond dat verdachte - zich heeft begeven naar de slaapkamer van die [benadeelde] en - naast het bed van die [benadeelde] is gaan staan en - vervolgens die [benadeelde] op gebiedende en intimiderende toon de woorden "Je geld, ik weet dat je geld hebt" heeft toegevoegd en - hierna onverhoeds voornoemd kussen vanaf het bed van die [benadeelde] heeft weggepakt, en waarbij hij, verdachte, zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak; 2 hij op 13 maart 2019 te Heemskerk gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd uit een woning, gelegen aan de [adres 1], diverse sieraden en een bruin houten kistje en een hartvormig stenen bakje en een houten mandje en dameshorloge, merk Francis Delon, die toebehoorden aan [benadeelde], heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak; 3 hij op 20 november 2019 te Beverwijk een wapen van categorie I, onder 7° van de Wet wapens en munitie, te weten een voorwerp dat zodanig op een wapen geleek dat deze voor bedreiging of afdreiging geschikt was, te weten een veerdrukwapen, dat voor wat betreft zijn vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis vertoonde met een vuurwapen van het merk Walther, model P99, voorhanden heeft gehad. Hetgeen onder 1, 2 en 3 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het onder 1 en 2 bewezenverklaarde levert op: de voortgezette handeling van diefstal, vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning en terwijl de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak; en diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak, gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning, door iemand die zich aldaar buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevindt. Het onder 3 bewezenverklaarde levert op: handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie. Strafbaarheid van de verdachte Ook overigens is er geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is. Oplegging van straf De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 32 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en aftrek van het voorarrest. Daarbij heeft de rechtbank bijzondere voorwaarden gesteld. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 en 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. Ook heeft hij gevorderd dat daarbij bijzondere voorwaarden worden gesteld. De raadsvrouw heeft het hof verzocht een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden op te leggen en in dat verband gewezen op de straffen die zijn opgelegd in zaken die in haar optiek vergelijkbaar kunnen worden geacht. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een woningoverval. Daarbij heeft hij een 77-jarige vrouw in het holst van de nacht in haar slaapkamer bedreigd met geweld, nadat hij zich de toegang tot de woning had verschaft door een ruit van een achterdeur in te slaan. Vervolgens heeft hij diverse waardevolle voorwerpen buitgemaakt, waaronder sierraden waaraan het slachtoffer emotioneel verknocht was, en aldus inbreuk gemaakt op haar eigendomsrecht. Hij heeft haar bovendien in haar privacy aangetast en gevoelens van angst en onbehagen bezorgd. Een woning is immers bij uitstek de plek waar iemand zich veilig en geborgen moet kunnen voelen. Het handelen van de verdachte draagt voorts bij aan in de samenleving heersende gevoelens van onveiligheid, bij die van omwonenden in het bijzonder. De verdachte heeft zich aan die gevolgen voor de slachtoffers en de samenleving niets gelegen laten liggen. Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een voorwerp dat zodanig op een wapen gelijkt dat deze voor bedreiging of afdreiging geschikt was. Dergelijke wapens kunnen leiden tot, voor potentiële slachtoffers, bedreigende situaties. Dat het niet om een echt wapen gaat, doet daaraan niet af, omdat die onechtheid niet zonder meer kenbaar is voor iemand die niet deskundig is op het gebied van wapens. Het ongecontroleerde bezit van dergelijke voorwerpen leidt tot gevoelens van onveiligheid in de maatschappij. De verdachte is blijkens een uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 12 november 2020 eerder onherroepelijk veroordeeld voor misdrijven, hetgeen in zijn nadeel weegt. De ernst van de bewezenverklaarde feiten rechtvaardigt, mede in het licht van de recidive van de verdachte en gelet op de straffen die door rechters in soortgelijke gevallen plegen te worden opgelegd, de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur. Een straf zoals voorgesteld door de raadsvrouw komt daarbij op geen enkele wijze in beeld. Uit het rapport van 18 december 2019 van [naam], als reclasseringswerker verbonden aan GGZ reclassering Fivoor, komt naar voren dat de verdachte al jaren kampt met een alcoholverslaving. Ook zijn gebruik van cannabis, speed en cocaïne wordt zorgelijk geacht. Naast behandeling van de verslavingsproblematiek, acht de reclassering een onderzoek naar de psychische gesteldheid van de verdachte geïndiceerd. De reclassering heeft, kort gezegd, geadviseerd de verdachte door het stellen van bijzondere voorwaarden te verplichten tot (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.