afdeling strafrecht parketnummer: 23-004282-17 datum uitspraak: 16 december 2020 TEGENSPRAAK Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 23 november 2017 in de gevoegde strafzaken onder de parketnummers 15-129849-17 (zaak A) en 15-211237-17 (zaak B) tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1997, adres: [adres]. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 2 december 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1, 2, 3, 4, 5 en 6 (zaak A) en het onder 1 en 2 (zaak B) tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden. Vonnis waarvan beroep Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen met dien verstande dat het hof de strafmotivering aanvult. Aanvullende strafmotivering Het hof acht op grond van de ernst van de feiten in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van acht maanden zoals gevorderd door de advocaat-generaal passend. Gelet op de toepassing van artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht en de uitspraak van heden in de strafzaak van de verdachte in hoger beroep met parketnummer 23-000341-17 ziet het hof aanleiding om een deel van de straf, drie maanden, in voorwaardelijke vorm op te leggen. Het hof stelt daarnaast vast dat de redelijke termijn, zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), in hoger beroep is overschreden. Gelet op de overschrijding van de redelijke termijn zal het hof de opgelegde straf verder matigen tot een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren. Anders dan de raadsman is het hof van oordeel dat, gelet op de aard en de ernst van de bewezenverklaarde feiten, slechts een straf die vrijheidsbeneming met zich brengt passend is, en niet kan worden volstaan met een taakstraf. BESLISSING Het hof: Bevestigt het vonnis waarvan beroep met inachtneming van het hiervoor overwogene. Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. P. Greve, mr. M. Lolkema en mr. A. Dantuma-Hieronymus, in tegenwoordigheid van mr. A. Ivanov, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 16 december 2020. ========================================================================= […]
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.