GERECHTSHOF AMSTERDAM zaaknummer : 200.279.383/02 zaaknummers hoofdzaak : 23-004599-19 beslissing van de wrakingskamer van 15 december 2020 inzake het verzoek tot wraking van de wrakingskamer van 5 oktober 2020, gedaan door: [verzoeker] (hierna: verzoeker), wonende te [plaats]. 1Het geding 1.1 Verzoeker heeft op 2 juni 2020 een verzoek tot wraking gedaan op de openbare terechtzitting van de strafkamer van het gerechtshof Amsterdam in de hoofdzaak. Het verzoek tot wraking betreft de raadsheer mr. M.F.J.M. de Werd. 1.2 De mondelinge behandeling van bovengenoemd wrakingsverzoek heeft plaatsgevonden op 29 september 2020 door de wrakingskamer, bestaande uit mrs. H.J.M. Quaedvlieg, M.J.G.B Heutink en mr. G.C.C. Lewin (hierna: de raadsheren). Aldaar is verschenen de verzoeker. De gewraakte raadsheer is niet ter zitting verschenen. 1.3 Na de sluiting van de behandeling ter zitting op 29 september 2020 heeft de wrakingskamer van verzoeker een e-mail van diezelfde datum ontvangen. In deze e-mail verzoekt de verzoeker de wraking van de raadsheren van de genoemde wrakingskamer. 1.4 De raadsheren hebben op 1 oktober 2020 laten weten niet te berusten in het wrakingsverzoek en op 13 oktober 2020 een schriftelijke toelichting doen toekomen. 1.4 Op 15 december 2020 heeft de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek van de wrakingskamer plaatsgevonden. De verzoeker is verschenen. Tevens is verschenen mr. D.E. Kruimel, advocaat-generaal bij het gerechtshof Amsterdam, die het woord heeft gevoerd en heeft geconcludeerd tot afwijzing van het wrakingsverzoek. De gewraakte raadsheren zijn niet ter zitting verschenen. 2Het wrakingsverzoek 2.1 Het verzoek tot wraking komt – naar de wrakingskamer begrijpt – in de kern op het volgende neer: i. De oudste en jongste raadsheer waren, anders dan de voorzitter, zwijgzaam tijdens de behandeling van het wrakingsverzoek. ii. Tijdens de behandeling van het wrakingsverzoek is bewust voorbijgegaan aan de door verzoeker aangevoerde feiten, is het feitencomplex bewust niet behandeld of is men er niet op ingegaan. iii. Verzoeker is tijdens de zitting bewust belemmerd het feitencomplex aan te voeren door hem steeds te manen niet zijn volledige verhaal te vertellen. iv. De wrakingskamer heeft verzuimd te reageren op vragen en opmerkingen van verzoeker over de plaats van het openbaar ministerie in de zittingszaal en over het maken van (beeld)opnames. Naar aanleiding van voornoemde wrakingsgronden is bij verzoeker de overtuiging, althans de vrees ontstaan, dat de raadsheren in de wrakingskamer van 29 september 2020, een vooringenomenheid jegens hem koesterden. 2.2 De verzoeker heeft voornoemde wrakingsgronden ter zitting van 15 december 2020 – kort samengevat – als volgt toegelicht. De verzoeker is volgens hem zowel tijdens de behandeling van zijn strafzaak in hoger beroep op 2 juni 2020 als tijdens de behandeling van het wrakingsverzoek op 29 september 2020 onvoldoende in de gelegenheid gesteld om zijn standpunt ten aanzien van het feitencomplex in de hoofdzaak toe te lichten. Het standpunt van de verzoeker komt er in de kern op neer dat sprake is van willekeur bij de vervolging van het strafbare feit waarvoor hij wordt vervolgd. Volgens hem wordt er, als het gaat om de grenzen van de vrijheid van meningsuiting – hij wijst als voorbeeld op de zaak Wilders – met twee maten gemeten. 2.3 De gewraakte raadsheren hebben in hun schriftelijke reactie het volgende aangevoerd: Verzoeker heeft aangevoerd dat hij vreest voor partijdigheid en er naar zijn mening een schijn van vooringenomenheid bestond om de volgende redenen: de bijzitters waren zwijgzaam; er is bewust voorbijgegaan aan de aangevoerde feiten, het feitencomplex is bewust niet behandeld of men is er niet op ingegaan; tijdens de zitting is hij bewust belemmerd het feitencomplex aan te voeren, hem is herhaald gezegd dat hij niet het volledige verhaal moest vertellen; er is geen reactie gegeven op vragen of opmerkingen over de plaats van het openbaar ministerie in de zittingszaal en op de vraag of er (beeld)opnamen werden gemaakt en zo nee, waarom niet. Wij berusten niet in de wraking om de navolgende redenen: gelet op de uitgebreide behandeling van het wrakingsverzoek door de voorzitter was er voor de bijzitters geen enkele reden om aan verzoeker vragen te stellen of opmerkingen te maken; verzoeker heeft alle gelegenheid gekregen en benut om zijn verzoek tot wraking van de voorzitter van de strafkamer toe te lichten; bij zijn toelichting op het wrakingsverzoek is verzoeker op diverse momenten ingegaan op de inhoud van de strafzaak zelf. De voorzitter van de wrakingskamer heeft verzoeker daarvoor enige ruimte gegeven en hem vervolgens een aantal keren rustig uitgelegd dat de wrakingskamer alleen over het wrakingsverzoek beslist en dat het feitencomplex bij de inhoudelijke behandeling nog aan de orde zal komen; verzoeker hield een betoog over de zitplaats van de advocaat-generaal; daarover heeft de voorzitter opgemerkt dat het een staatkundig betoog was waar de wrakingskamer niet over gaat; op de vraag van verzoeker over opgenomen camerabeelden heeft de voorzitter toegelicht dat de in de zittingszaal aanwezige camera's bedoeld zijn voor de beveiliging, maar dat er, voor zover hij weet, geen opnamen mee worden gemaakt; Dit alles blijkt ook uit het proces-verbaal van de behandeling van het wrakingsverzoek door de wrakingskamer op 29 september
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.