afdeling strafrecht parketnummer: 23-002817-18 datum uitspraak: 11 februari 2020 TEGENSPRAAK Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 23 juli 2018 in de gevoegde strafzaken onder de parketnummers 15-097438-18 en 15-097937-18 tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1993, thans uit anderen hoofde gedetineerd in P.I. Veenhuizen, gevangenis Norgerhaven te Veenhuizen. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 28 januari 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht. Vonnis waarvan beroep Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen behalve ten aanzien van de strafoplegging – in zoverre zal het vonnis worden vernietigd – en met dien verstande dat het hof zal ingaan op het door de raadsman gevoerde verweer. Ter terechtzitting gevoerd verweer De raadsman van de verdachte betoogt dat het openbaar ministerie niet tot vervolging van het feit met parketnummer 15-097937-18 over had mogen gaan, aangezien de verdachte voor de overtreding van artikel 2:1D van de Algemene Plaatselijke Verordening Haarlemmermeer 2018 vervolgd had moeten worden. De raadsman betoogt dat vervolging van het in artikel 184 van het Wetboek van Strafrecht genoemde feit slechts plaats mag vinden, indien vervolging op basis van de APV onmogelijk is. Op grond van art. 167, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering is aan het Openbaar Ministerie de bevoegdheid toegekend zelfstandig te beslissen of naar aanleiding van een ingesteld opsporingsonderzoek vervolging moet plaatsvinden. De beslissing van het Openbaar Ministerie om tot vervolging over te gaan leent zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing in die zin dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging op de grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde (vgl. HR 6 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX4280). Een uitzonderlijk geval als zojuist bedoeld doet zich onder meer voor wanneer de vervolging wordt ingesteld of voortgezet terwijl geen redelijk handelend lid van het Openbaar Ministerie heeft kunnen oordelen dat met (voortzetting van) de vervolging enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn. In het geval van een zodanige, aperte onevenredigheid van de vervolgingsbeslissing is de (verdere) vervolging onverenigbaar met het verbod van willekeur. Dat de officier van justitie heeft besloten de verdachte in deze te vervolgen op grond van het bepaalde in artikel 184 van het Wetboek van Strafrecht is gelet op de inhoud van het dossier niet onverenigbaar met de beginselen van een goede procesorde. Evenmin kan gesteld worden dat sprake is van een aperte onevenredigheid van de vervolgingsbeslissing die onverenigbaar is met het verbod van willekeur. De omstandigheid dat de verdachte kennelijk op een ander moment voor een soortgelijk feitencomplex ter zake van een ander strafbaar feit is vervolgd, maakt dit niet anders, ook niet het feit dat het daarbij om een overtreding ging en niet zoals in dit geval om een misdrijf. Oplegging van straf De politierechter in de rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een geldboete van € 1000,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.