GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling civiel recht en belastingrecht, team I zaaknummer: 200.172.338/01 zaak- en rolnummer rechtbank Amsterdam: C/13/538133/HA ZA 13-302 arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 11 februari 2020 inzake de rechtspersoon naar het recht van Turkije BRENER INŞAAT TAAHHÜT A.S., gevestigd te Istanbul (Turkije), appellante in principaal appel, geïntimeerde in incidenteel appel, advocaat: mr. E.B. Doganer te Rotterdam, t e g e n HOTEL DOWNTOWN B.V., gevestigd te Amsterdam, geïntimeerde in principaal appel, appellante in incidenteel appel, advocaat: mr. H. Dogan te Amsterdam (geschrapt van het tableau). 1Het verdere verloop van het geding in hoger beroep Partijen worden hierna wederom Brener en Downtown genoemd. Het hof heeft op 5 juni 2018 een derde tussenarrest uitgesproken. De bij voormeld arrest gelaste comparitie van partijen heeft plaatsgevonden op 28 maart 2019 (in het hotel). Van deze zitting is proces-verbaal opgemaakt. Vervolgens heeft Brener een akte uitlaten genomen, waarna Downtown eveneens een akte uitlating heeft genomen. Ten slotte is wederom arrest gevraagd. 2Verdere beoordeling 2.1. Het hof zal thans allereerst overgaan tot de verdere behandeling van grief 3 in incidenteel appel. Daarmee komt Downtown op tegen overweging 4.6 van het bestreden vonnis, waarin de rechtbank heeft geoordeeld dat de schadevergoedingsvordering van Downtown ter hoogte van € 333.500,00 wegens de door haar gestelde gebreken van het door Brener gepresteerde, niet toewijsbaar is. 2.2. Tussen partijen staat niet ter discussie dat naar (te dezen toepasselijk) Turks recht (artikel 474 TBK) geldt dat de opdrachtgever na de oplevering binnen een redelijke termijn gebreken kenbaar moet maken op straffe van verval van zijn vordering. 2.3. De rechtbank heeft geoordeeld, samengevat, dat de oplevering geacht wordt op 2 september 2012 te hebben plaatsgevonden (en dat de in artikel 474 TBK bedoelde redelijke termijn toen is aangevangen) omdat het hotel per die datum is geopend en in gebruik is genomen en Downtown ten tijde van de opening tot behoorlijke controle in staat moet zijn geweest. Downtown voert in de toelichting op de grief terecht aan dat uit de eigen stellingen van Brener volgt dat oplevering niet vóór 30 september 2012 heeft plaatsgevonden. Brener heeft immers bij herhaling gesteld dat [X] (haar directeur) op 30 september 2012 voor de oplevering naar Amsterdam is gekomen. Uit het vervolg van dit arrest zal overigens blijken dat ook het hof niettemin groot gewicht hecht aan het feit dat Downtown het hotel per 2 september 2012 is gaan exploiteren. 2.4. Vaststaat dat op 1 oktober 2012 een gesprek tussen partijen heeft plaatsgevonden. Over wat er tijdens dat gesprek precies is gebeurd, lopen de lezingen van partijen uiteen. Wat daarvan zij, mede in aanmerking genomen dat Downtown niet althans niet voldoende gemotiveerd heeft betwist dat [X] op 30 september 2012 voor de oplevering naar Amsterdam is gekomen, dient ervan te worden uitgegaan dat het de bedoeling van partijen was dat het werk op 1 oktober 2012 zou worden opgeleverd. Er is geen proces-verbaal van oplevering opgemaakt. 2.5. Artikel 13 van de hoofdovereenkomst luidt (in het Nederlands): “Nadat de oplevering van de werkzaamheden schriftelijk door de aannemer aan de opdrachtgever bekend is gemaakt, zal de opdrachtgever of diens vertegenwoordiger vaststellen of de opdracht conform de overeenkomst is uitgevoerd.” Anders dan Downtown in de toelichting op de grief lijkt te betogen houdt dit artikel niet in dat de oplevering (zelf) schriftelijk moet geschieden, maar (slechts) dat de aannemer aan de opdrachtgever schriftelijk moet bekend maken dat (volgens hem) het werk klaar voor oplevering is. Nu tussen partijen vaststaat dat [X] op 30 september 2012 naar Amsterdam is gekomen voor de oplevering, heeft Downtown er geen redelijk belang bij zich erop te beroepen dat Brener voormelde schriftelijke mededeling niet heeft gedaan. 2.6. Downtown heeft niet althans onvoldoende duidelijk gegriefd tegen het oordeel van de rechtbank dat niet aannemelijk is dat al in oktober 2012 (lees: op 1 oktober 2012) door partijen uitgebreid is gesproken over de (door Downtown gestelde) gebreken. Downtown heeft dienaangaande in appel ook geen concrete feiten en omstandigheden gesteld. Haar desbetreffende bewijsaanbod wordt daarom verworpen. Waar Downtown bij pleidooi in appel (wel) heeft gesteld dat partijen op 1 oktober 2012 over diverse gebreken hebben gesproken (en daarvan wederom bewijs heeft aangeboden), heeft zij deze stelling onvoldoende feitelijk toegelicht, mede in het licht van de hierna te citeren e-mail, waarin niet wordt gerept van concrete gebreken, laat staan van in het gesprek van 1 oktober 2012 aan de orde gekomen gebreken. 2.7. Een op 1 oktober 2012, kennelijk na voormeld gesprek, door [Y] van Downtown aan Brener verzonden e-mail luidt (in het Nederlands): “2 oktober 12 € 20.000= verzonden En 16 oktober 12 € 25.000= 23 oktober 12 € 25.000= 30 oktober 12 € 30.000= Moet worden betaald aan Brener En al het werk dat tot nu toe (1 oktober 12) door brener is uitgevoerd en gefactureerd zal conform de overeenkomst worden gecontroleerd op levering, gebreken, pluspunten. Waarbij defecten geïnspecteerd zullen worden en in rekening zullen worden gebracht door aftrek van het totaalbedrag. Als er ontbrekende producten zijn zullen deze worden besteld of hier worden aangekocht en afgetrokken worden van het totaalbedrag. (…) In de eerste week van november zal [A] of [B] ( [X] respectievelijk [X] ; hof) naar Nederland komen om deze procedure samen met mij te doorlopen. (…)” Hoezeer in deze e-mail op zichzelf rekening wordt gehouden met nog vast te stellen gebreken (en de financiële afwikkeling daarvan), gaat het hof er op grond van de volgende omstandigheden van uit dat het werk op 1 oktober 2012 is opgeleverd althans als opgeleverd heeft te gelden:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.