afdeling strafrecht parketnummer: 23-003596-18 datum uitspraak: 22 september 2020 TEGENSPRAAK Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 2 oktober 2018 in de strafzaak onder parketnummer 13-075336-15 tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1979, adres: [adres 1]. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 8 september 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht. Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep De verdachte is door de politierechter in de rechtbank Amsterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 3 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak. Tenlastelegging Aan de verdachte is tenlastegelegd – voor zover in hoger beroep aan de orde – dat: feit 1.hij op of omstreeks 15 april 2015 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft/hebben geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft/hebben gehad (in een pand aan [adres 2]) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 128 hennepplanten, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet; feit 2.hij op of omstreeks 15 april 2015 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning (perceel [adres 2]) heeft weggenomen 1.379 kWh stroom, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Liander, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal – voor zover in hoger beroep aan de orde – worden vernietigd, omdat het hof ten aanzien van feit 2 anders dan de politierechter tot een vrijspraak komt. Vrijspraak feit 2 Naar het oordeel van het hof bevat het dossier onvoldoende bewijs dat de verdachte zich zou hebben schuldig gemaakt aan diefstal van de elektriciteit en kan het onder feit 2 tenlastegelegde om die reden niet wettig en overtuigend bewezen worden, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken. Bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 1 Formeel verweer verdediging De raadsman heeft bepleit dat de verklaring, zoals deze door de verdachte is afgelegd bij (een derde) verhoor van 17 april 2015 te 16.48 uur, dient te worden uitgesloten van het bewijs nu de verdachte niet (opnieuw) op zijn consultatierecht is gewezen. De verdachte werd gehoord ten aanzien van een nieuwe verdenking (overtreding Opiumwet) zodat hij gewezen had moeten worden op de mogelijkheid om zijn raadsman te raadplegen. Het hof is van oordeel dat dit verweer onbesproken kan blijven, nu de inhoud van deze verklaring door het hof niet als bewijsmiddel zal worden gebruikt. Inhoudelijke verweren De raadsman heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep primair op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde, omdat verdachte de woning aan de [adres 2] te Amsterdam had onderverhuurd en geen wetenschap had van de kennelijk door die onderhuurder in de woning aangelegde hennepplantage. Daarnaast heeft de verdediging aangevoerd dat de verdachte in de periode dat de hennepplantage zou zijn aangelegd en geëxploiteerd ziek was en het om die reden weinig aannemelijk is dat hij zich bezig hield met het opzetten en verzorgen van een hennepplantage. Tot slot is aangevoerd dat notities in de woning zijn aangetroffen met daarop verschillende handschriften waaruit kan worden afgeleid dat meerdere – en andere – personen betrokken waren bij de hennepplantage. Voor zover het hof van oordeel is dat de verdachte (op eigen houtje) de hennepplantage heeft gehad, heeft de verdediging het voorwaardelijk verzoek gedaan tot een vergelijkend handschriftonderzoek en onderzoek naar dactyloscopische en/of DNA-sporen op de in de woning aangetroffen notities. Het hof overweegt als volgt. Op 15 april 2015 is in de door de verdachte gehuurde woning, op het adres waar hij ook ingeschreven stond, een hennepplantage met 128 hennepplanten aangetroffen. Het hof is van oordeel dat het door de verdachte geschetste alternatieve scenario dat hij elders woonde, de woning had onderverhuurd en dat de hennepplantage zou zijn aangelegd door die onderhuurder buiten de wetenschap en medewerking van de verdachte niet aannemelijk is geworden. Verdachte heeft geen andere gegevens verstrekt van de gestelde onderhuurder dan een enkele voornaam om dit alternatieve scenario ook maar enigszins controleerbaar of aannemelijk te maken, terwijl dit in de omstandigheden van dit geval wel op zijn weg had gelegen. Daar komt bij dat de verdachte over zijn aanwezigheid in de woning aan de [adres 2] voorafgaand aan de datum van het aantreffen van de hennepplanten niet consistent heeft verklaard en dat bovendien is gerelateerd dat hij toestemming voor een doorzoeking van die woning heeft geweigerd. Onder die omstandigheden moet de ontkenning van de verdachte dat hij de op 15 april 2015 in de door hem gehuurde woning aangetroffen hennepplanten aanwezig heeft gehad, als onaannemelijk terzijde geschoven worden. Gelet op het voorgaande acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat het de verdachte is geweest die op 15 april 2015 de aangetroffen hennepplanten aanwezig heeft gehad. Dat de verdachte aan depressieve klachten leed, maakt dit oordeel niet anders. Niet is gebleken dat hij ten gevolge daarvan niet in staat was tot het bewezen te verklaren aanwezig hebben van de hennepplanten. Het hof zal niet bewezen verklaren dat sprake is geweest van het medeplegen van het aanwezig hebben van hennep op 15 april
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.