afdeling strafrecht parketnummer: 23-004425-18 datum uitspraak: 20 augustus 2020 TEGENSPRAAK Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 10 december 2018 in de strafzaak onder parketnummer 15-165508-17 tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1999, adres: [adres]. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 6 augustus 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht. Tenlastelegging Aan de verdachte is tenlastegelegd dat: 1.hij op of omstreeks 12 juli 2017 te Assendelft, gemeente Zaanstad, althans in Nederland, [benadeelde 1] heeft mishandeld door die [benadeelde 1] één of meerdere malen te slaan/stompen in het gezicht/althans tegen het lichaam en/of te slaan met een scooterhelm in het gezicht/althans tegen het lichaam en/of een scooter/helm naar hem te gooien. 2.hij op of omstreeks 12 juli 2017 te Assendelft, gemeente Zaanstad, althans in Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk een (tuin)deur en/of (tuin)deurslot, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] toebehoorde, heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot andere beslissingen komt dan de politierechter. Bewijsoverweging De raadsman heeft vrijspraak van de aan de verdachte onder 1 tenlastegelegde mishandeling bepleit. Hij heeft daartoe aangevoerd dat sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding tegen zijn vriendin [naam 1] (hierna: [naam 1]) door de aangever [benadeelde 1]. De verdachte heeft [naam 1] ontzet en is vervolgens zelf in gevecht geraakt met de aangever. Om die reden komt de verdachte een beroep op noodweer c.q. noodweerexces toe. De verdachte zelf heeft daarnaast betwist de aangever met de helm – zoals aan hem is tenlastegelegd – te hebben geslagen. Het hof overweegt als volgt. Het hof leidt uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting het volgende af. Op 12 juli 2017 vond een gesprek plaats tussen de aangever en zijn ex-vriendin [naam 1] op de [plek] te Assendelft. Tijdens dit gesprek heeft de aangever [naam 1] (hardhandig) beetgepakt. De verdachte, de nieuwe vriend van [naam 1], zag dit gebeuren en rende naar de aangever en [naam 1] toe. Over wat er toen gebeurde verschillen de lezingen van de verdachte en de aangever. Het hof gaat evenwel uit van de verklaring van de aangever – dat hij wegrende toen hij de verdachte op zich af zag komen en vervolgens meermalen door hem met een helm werd geslagen – en acht deze betrouwbaar, nu deze wordt ondersteund door de verklaringen van de getuigen [naam 1] en [naam 2]. De verklaring van de verdachte daarentegen is wisselend: zowel wat betreft het door de aangever jegens de getuige [naam 1] gehanteerde geweld (bij de politie heeft de verdachte verklaard dat de aangever de getuige [naam 1] op de grond gooide, hetgeen hij ter terechtzitting in hoger beroep heeft betwist) als wat betreft het moment van ontzetting van [naam 1] (bij de politie heeft de verdachte verklaard dat de aangever boven [naam 1] stond toen de verdachte op hem af liep en eerst is weggerend en daarna is teruggekomen, terwijl hij ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard dat hij de aangever van [naam 1] heeft afgetrokken, waarna de aangever hem heeft geslagen en hij zich zelf heeft verdedigd). Het hof is gelet daarop van oordeel dat de gedragingen van de aangever voorafgaand aan het tenlastegelegde feit weliswaar gekwalificeerd kunnen worden als een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van anders lijf, namelijk van [naam 1], maar dat van deze aanranding in ieder geval geen sprake meer was op het moment dat de aangever wegrende toen hij de verdachte zag aankomen. De handelingen van de verdachte kunnen om die reden niet worden aangemerkt als verdedigingshandelingen maar moeten – naar de kern bezien – als aanvallend worden aangemerkt. Nu het hof geen noodzaak tot verdediging aanneemt komt het ook niet toe aan de bespreking van het verweer tot noodweerexces. Het hof verwerpt de door de raadsman gevoerde verweren en acht het onder 1 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: 1.hij op 12 juli 2017 te Assendelft, gemeente Zaanstad [benadeelde 1] heeft mishandeld door die [benadeelde 1] meerdere malen te slaan met een scooterhelm. 2.hij op 12 juli 2017 te Assendelft, gemeente Zaanstad opzettelijk en wederrechtelijk een (tuin)deur, toebehorend aan [benadeelde 2], heeft beschadigd. Hetgeen onder 1 en 2 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het onder 1 bewezen verklaarde levert op: mishandeling. Het onder 2 bewezen verklaarde levert op: opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen. Strafbaarheid van de verdachte Het beroep op noodweerexces ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde wordt, onder verwijzing naar de bovenstaande bewijsoverweging, verworpen. Nu geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde uitsluit, is de verdachte strafbaar. Oplegging van straf De politierechter in de rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 en 2 bewezenverklaarde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de mishandeling van de aangever door hem meermalen met een helm op zijn hoofd te slaan. Hiermee heeft hij inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de aangever. Na de mishandeling is de verdachte naar het huis van de aangever gereden en heeft tegen de tuindeur geschopt waardoor deze is beschadigd. De vader van de aangever heeft hierdoor financiële schade geleden. Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 16 juli 2020 is hij niet eerder strafrechtelijk veroordeeld. Gelet op straffen die in soortgelijke zaken voor first offenders worden opgelegd en de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht in aanmerking genomen, acht het hof de straf zoals opgelegd door de politierechter passend en geboden. Voor oplegging van een geldboete of een deels voorwaardelijke taakstraf, zoals door de raadsman bepleit, ziet het hof gelet op de ernst van met name het onder 1 tenlastegelegde, geen aanleiding. Het hof acht, alles afwegende, een taakstraf van na te melden duur passend en geboden. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 650,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.