afdeling strafrecht parketnummer: 23-001857-18 datum uitspraak: 24 januari 2020 TEGENSPRAAK Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 15 mei 2018 in de strafzaak onder de parketnummers 15-045631-18 en 15-106951-16 (TUL) tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1983, adres: [adres 1]. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 10 januari 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht. Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd dat: hij op meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 17 februari 2017 tot en 19 januari 2018 in de gemeente Purmerend en/of (elders) in Nederland, (telkens) wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [benadeelde] in elk geval van een ander, (telkens) met het oogmerk die [benadeelde] in elk geval die ander te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen, immers heeft verdachte (telkens) * die [benadeelde] een grote hoeveelheid, althans meerdere, brieven gestuurd en/of * die [benadeelde] een grote hoeveelheid, althans meerdere e-mails gestuurd en/of * die [benadeelde] een grote hoeveelheid, althans meerdere, sms-berichten/imessage gestuurd en/of * die [benadeelde] met grote regelmaat, althans meermalen telefonisch benaderd en/of * met grote regelmaat, althans meermalen, voor en/of in de nabije omgeving van de woning van die [benadeelde] en/of haar familieleden te staan en/of; * op andere wijze contact gezocht met die [benadeelde] (door middel van bankoverschrijvingen en/of advertenties van [website]) Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot andere beslissingen komt dan de politierechter. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat: hij op meerdere tijdstippen in de periode van 17 februari 2017 tot en 19 januari 2018 in de gemeente Purmerend en/of elders in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [benadeelde], met het oogmerk die [benadeelde] te dwingen iets te doen, te dulden en vrees aan te jagen, immers heeft verdachte * die [benadeelde] een grote hoeveelheid brieven gestuurd en * die [benadeelde] een grote hoeveelheid e-mails gestuurd en * die [benadeelde] een grote hoeveelheid, sms-berichten/imessage gestuurd en * die [benadeelde] meermalen telefonisch benaderd en * met grote regelmaat voor en/of in de nabije omgeving van de woning van die [benadeelde] en/of haar familieleden te staan en * op andere wijze contact gezocht met die [benadeelde] (door middel van bankoverschrijvingen en/of advertenties van [website]). Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. Het bewezen verklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest. Strafbaarheid van het bewezen verklaarde Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het bewezen verklaarde levert op: belaging. Strafbaarheid van de verdachte Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is. Oplegging van straf en maatregelen De politierechter in de rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden, waarvan drie voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. De politierechter heeft daarnaast een contactverbod en gebiedsverbod met betrekking tot (het huis van) het slachtoffer opgelegd voor de duur van twee jaren, dadelijk uitvoerbaar, met een vervangende hechtenis voor de duur van maximaal twee weken per overtreding. Tot slot heeft de politierechter de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] grotendeels toegewezen, de schadevergoedingsmaatregel opgelegd, en de gedeeltelijke tenuitvoerlegging gelast van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 29 juli 2016 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf van twee weken. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot dezelfde straf en maatregelen als door de politierechter zijn opgelegd, met dien verstande dat het contactverbod en gebiedsverbod dienen te worden verlengd tot de duur van drie jaren. De raadsvrouw heeft verzocht tot oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf en (eventueel) een taakstraf, gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf en maatregelen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft bij de keuze tot het opleggen van de vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft zich gedurende een periode van bijna een jaar schuldig gemaakt aan belaging van aangeefster [benadeelde]. De verdachte heeft stelselmatig op allerlei manieren contact met haar gezocht en heeft daarbij ook bedreigingen geuit tegen [benadeelde]. De verdachte heeft hierdoor een grote inbreuk op het persoonlijke leven van [benadeelde] gemaakt en haar gevoel voor veiligheid ernstig aangetast. Uit het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep volgt dat zij hier nog steeds onder lijdt. Het hof rekent dit de verdachte aan. Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 2 januari 2020 is hij eerder onherroepelijk veroordeeld voor een groot aantal feiten, waaronder voor mishandeling van een partner (in 2016) en voor bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht (eveneens in 2016). Dit weegt in zijn nadeel. Het hof acht, alles afwegende, uitsluitend het opleggen van een gevangenisstraf van substantiële duur - die de door de politierechter opgelegde en door de advocaat-generaal geëiste straf overstijgt - een passende reactie op het bewezenverklaarde. Gelet op de door de raadsvrouw en verdachte naar voren gebrachte persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zal het hof deze straf wel grotendeels voorwaardelijk opleggen en hier een proeftijd van drie jaren aan verbinden. Het hof zal daarnaast aan de verdachte een contactverbod en gebiedsverbod betreffende (het adres van) het slachtoffer opleggen voor de duur van drie jaren en bepalen dat deze maatregelen dadelijk uitvoerbaar zijn. Ondanks dat de verdachte in de aanloop naar de terechtzitting in hoger beroep, ondersteund door de dadelijke uitvoerbaarheid van de door de politierechter opgelegde maatregel, geen contact meer heeft opgenomen met het slachtoffer, dient er naar het oordeel van het hof te worden voorkomen dat de verdachte zich opnieuw belastend zal gedragen jegens het slachtoffer. Het hof baseert dit oordeel op de ernst en stelselmatigheid van de bewezen verklaarde feiten, alsmede de persoonlijkheid van de verdachte zoals die tijdens de terechtzitting in hoger beroep is gebleken. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde] De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 3.054,37, bestaande uit zowel materiële (€ 554,37) als immateriële schade (€ 2.500,00), vermeerderd met wettelijke rente over dit bedrag. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 2.514,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.