Afdeling strafrecht Parketnummer: 23-001689-19 Datum uitspraak: 7 augustus 2020 TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman) Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 19 april 2019 in de strafzaak onder parketnummer 15-871031-15 tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] ([geboorteland]) op [geboortedag] 1967, adres: [adres]. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 24 juli 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht. Vonnis waarvan beroep Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen, behalve ten aanzien van de bestraffing – in zoverre zal het vonnis worden vernietigd – en met dien verstande dat de gronden worden aangevuld met een bespreking en vervolgens verwerping van het in hoger beroep gevoerde verweer. In hoger beroep gevoerd verweer Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat voor het bestanddeel ‘van enig misdrijf afkomstig’ geen bewijs in het dossier voorhanden is en de verdachte dus moet worden vrijgesproken. Het hof overweegt als volgt. Uit jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat voor een bewezenverklaring van het in de tenlastelegging opgenomen onderdeel ‘afkomstig uit enig misdrijf” niet is vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid door wie, wanneer en waar dit misdrijf concreet is begaan. Dat er geen direct bewijs is voor een criminele herkomst van het onder de verdachte in beslag genomen geld, is ook door de rechtbank vastgesteld. Vervolgens heeft de rechtbank gemotiveerd en in overeenstemming met de geldende jurisprudentie op dit punt vastgesteld dat er feiten en omstandigheden waren die een vermoeden van witwassen rechtvaardigen, dat in dat geval van de verdachte een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring over de herkomst van het geld mag worden verlangd en dat de verdachte daarin niet is geslaagd, welk oordeel door het hof wordt overgenomen. De rechtbank heeft daarop geconcludeerd dat de verdachte het vermoeden van witwassen onvoldoende heeft weerlegd en dat het daarom niet anders kan zijn dan dat het onder de verdachte aangetroffen geldbedrag - middellijk of onmiddellijk - uit enig misdrijf afkomstig is als bedoeld in art. 420bis, eerste lid onder b, Sr. Aldus is de rechtbank op juiste wijze en op goede gronden tot een bewezenverklaring gekomen zodat het vonnis in zoverre voor bevestiging in aanmerking komt. Oplegging van straffen De rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven maanden met aftrek van voorarrest, met verbeurdverklaring van het onder de verdachte in beslag genomen geldbedrag. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen, met inbegrip van de opgelegde straffen. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon en de draagkracht van de verdachte, voor zover daarvan is gebleken. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het witwassen van een geldbedrag van € 115.335,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.