Afdeling strafrecht Parketnummer: 23-002380-18 Datum uitspraak: 11 juni 2020 TEGENSPRAAK (gemachtigde raadsman) Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 22 juni 2018 in de strafzaak onder parketnummer 15-700401-15 tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats], adres: [woonplaats]. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 28 mei 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht. Vonnis waarvan beroep Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve -met een aanvulling van de bewijsmotivering- bevestigen behalve ten aanzien van opgelegde straffen en de beslissingen inzake de vorderingen van de benadeelde partijen. In zoverre zal het vonnis worden vernietigd. Aanvulling van de bewijsmotivering In aanvulling op hetgeen de rechtbank heeft overwogen over de betrouwbaarheid van de herkenningen van de verdachte overweegt het hof dat de verbalisant [verbalisant] de verdachte, die hem ambtshalve bekend was, heeft herkend op een foto en daarbij specifiek heeft benoemd aan welke gelaatskenmerken hij de verdachte herkend heeft. Ook de inrichtingswerkers [inrichtingswerker 1] en [inrichtingswerker 2], die in de PI werken waar de verdachte op het moment van de verklaring van deze getuigen bij de politie al enige tijd gedetineerd was, hebben de verdachte herkend aan door hun specifiek genoemde gelaatskenmerken. Op grond hiervan ziet het hof geen reden aan de betrouwbaarheid van de verklaringen te twijfelen. Het raadsman heeft nog aangevoerd dat de herkenningen “zodanig zijn gestuurd dat artikel 359a Sv in beeld komt”. Voor zover de raadsman heeft bedoeld een verweer als in artikel 359a Sv te voeren, passeert het hof dit verweer, nu de onderbouwing van dit verweer niet voldoet aan de eisen die aan het voeren van een dergelijke verweer gesteld mogen worden (vgl. HR 30 maart 2004, NJ 2004/376). Oplegging van straf De rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder feit 1, feit 2 en feit 3 bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en een taakstraf voor de duur van 180 uren subsidiair 90 dagen hechtenis. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder feit 1, feit 2 en feit 3 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier maanden met een proeftijd van twee jaren. De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting medegedeeld dat de verdachte een maand geleden is opgenomen in een crisisopvang. De verdachte is paranoïde en verkeert in de veronderstelling dat zijn buren het op hem gemunt hebben en dat hij bespioneerd wordt. Dit is geëscaleerd en heeft geresulteerd in gedwongen opname. De verdachte verblijft momenteel weer in zijn woning, maar is nog steeds warrig en paranoïde, dat is ook waarom de verdachte niet bij de behandeling van onderhavige zaak aanwezig is. Er leven zorgen over hem bij zijn buren en de wijkagent. De raadsman heeft hier nog aan toegevoegd dat de verdachte een taakstraf zou willen uitvoeren, maar dat het hem onduidelijk is of de verdachte hier momenteel toe in staat is. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft zich gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd schuldig gemaakt aan een woninginbraak. Bij deze inbraak zijn meerdere goederen weggenomen, namelijk autosleutels, bankpassen, een telefoon, creditcards, een rijbewijs, een fiets en een personenauto. Met één van de creditcards, waarvan het slachtoffer de pincode in haar portemonnee bewaarde, heeft de verdachte een bedrag van € 2.000,00 gepind. Het handelen van de verdachte was kennelijk enkel gericht op eigen geldelijk gewin, zonder dat hij zich rekenschap heeft gegeven van de gevolgen ervan voor de slachtoffers. Hij heeft een inbreuk gemaakt op de beschermde leefomgeving van de slachtoffers, hun eigendomsrecht geschonden en hun gevoel van veiligheid aangetast. De slachtoffers waren gedurende de inbraak in de woning aanwezig en lagen nietsvermoedend op de bovenverdieping te slapen. Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van dergelijke strafbare feiten zich nog lang onveilig kunnen voelen in hun eigen woning. Het gepleegde strafbare feit kan bovendien gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving teweegbrengen. Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 4 mei 2020 is hij eerder ter zake van vermogensdelicten vele malen onherroepelijk veroordeeld. Het strafblad omvat inmiddels 28 pagina’s. Het hof is dan ook van oordeel dat in beginsel niet meer kan worden volstaan met een voorwaardelijke gevangenisstraf en ook is een taakstraf niet aan de orde, waarbij het nog maar de vraag is of de verdachte deze, gelet op wat de raadsman naar voren heeft gebracht, kan uitvoeren. Het is aan de andere kant duidelijk dat de verdachte een aanzienlijke persoonlijke problematiek heeft. Er is momenteel sprake van een zeer fragiele basis. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zal deze basis doorkruisen. Het hof zal voor de afdoening van deze zaak nu volstaan met het opleggen van een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf. Het hof heeft bij de bepaling van de straf daarnaast rekening gehouden met de ouderdom van de feiten. Ten aanzien van de redelijke termijn overweegt het hof als volgt. Als uitgangspunt heeft in deze zaak te gelden dat de behandeling ter terechtzitting per instantie dient te zijn afgerond met een einduitspraak binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals de ingewikkeldheid van een zaak, de invloed van de verdachte en/of zijn raadsman op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld. De dagvaarding in eerste aanleg is aan de verdachte betekend op 29 mei 2018, nu op dat moment vanwege de Nederlandse Staat jegens de verdachte een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat tegen hem terzake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zou worden ingezet. Op deze datum nam aldus de op de redelijkheid te beoordelen termijn een aanvang. Op 22 juni 2018 heeft de politierechter vervolgens vonnis gewezen. Het hof wijst arrest op 11 juni
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.