Afdeling strafrecht Parketnummer: 23-001041-19 Datum uitspraak: 20 juli 2020 TEGENSPRAAK (gemachtigde raadsvrouw) Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 15 maart 2019 op de vordering van het openbaar ministerie ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht in de ontnemingszaak met nummer 13-701973-18 tegen de betrokkene [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1968, adres: [adres]. Procesgang Het openbaar ministerie heeft in eerste aanleg gevorderd dat aan de betrokkene de verplichting zal worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, geschat tot een bedrag van € 47.371,
- De betrokkene is bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 15 maart 2019 veroordeeld ter zake van – kort gezegd – twee Opiumwetfeiten, een Wet Wapens Munitie feit en witwassen. Voorts heeft de rechtbank Amsterdam bij vonnis van 15 maart 2019 de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 47.371,25 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen beide vonnissen. De betrokkene is bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van 20 juli 2020 veroordeeld ter zake van – kort gezegd – twee Opiumwetfeiten, een Wet Wapens en Munitie feit en witwassen. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 6 juli 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsvrouw naar voren is gebracht. Vonnis waarvan beroep Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen, met dien verstande dat het hof een motivering ten aanzien van de in hoger beroep gevoegde stukken zal toevoegen zoals hierna weergegeven en met dien verstande dat het hof de duur van de gijzeling in geval van niet-betaling bepaalt op grond van de per 1 januari 2020 in werking getreden Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen. In hoger beroep gevoegde stukken De raadsvrouw van de betrokkene heeft in hoger beroep een e-mail naar het hof gestuurd met in de bijlage een (groot) aantal bankafschriften. Het hof heeft deze e-mail op de dag van de zitting ontvangen. De raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat in de periode die de ontnemingsvordering beslaat € 8.700,00 is gepind door de verdachte, maar heeft verder niet toegelicht met concrete feiten en omstandigheden wat dit voor concrete invloed zou moeten hebben op de resultaten van de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel. De enkele stelling dat de contant opgenomen bedragen in de betreffende periode vallen en dus zouden moeten worden meegewogen bij de opstelling van de kasopstelling, kan dan ook, zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, niet worden gevolgd. BESLISSING Het hof: Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd in geval van niet-betaling op 947 dagen. Bevestigt het vonnis waarvan beroep, met in achtneming van het bovenstaande. Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.P.M. van Rijn, mr. M. Jurgens en mr. N.J.M. de Munnik, in tegenwoordigheid van mr. J.M. van Riel, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 20 juli
- mrs. M. Jurgens en N.J.M. de Munnik zijn buiten staat dit arrest te ondertekenen.