← Nederland

ECLI:NL:GHAMS:2020:4000

Afdeling strafrecht Parketnummer: 23-002986-18 Datum uitspraak: 25 maart 2020 TEGENSPRAAK Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 15 augustus 2018 in de strafzaak onder parketnummer 13-701367-18 tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] ([geboorteland]) op [geboortedag] 1983, adres: [adres]. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 11 maart 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht. Vonnis waarvan beroep Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen behalve ten aanzien van de opgelegde gevangenisstraf en de strafmotivering. In zoverre zal het vonnis worden vernietigd. Voorts zal het hof er rekening mee houden dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is. Oplegging van straf De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder subsidiair bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes weken met aftrek van het voorarrest. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder subsidiair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft een vals bankbiljet van € 50 aan een serveerster overhandigd om daar consumpties mee te betalen. Hij heeft zich hiermee schuldig gemaakt aan het uitgeven van vals geld. Hierdoor heeft de verdachte het vertrouwen dat men in chartaal geld moet kunnen hebben geschaad. Hij heeft hij ten behoeve van zijn eigen financieel gewin gehandeld en overlast bezorgd aan de betreffende serveerster. Voorts rekent het hof het de verdachte aan dat hij blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 18 februari 2020 reeds meerdere malen, namelijk drie maal, is veroordeeld in verband met vals geld. De verdachte lijkt het kwalijke van zijn handelen niet in te zien en blijft zijn strafbare gedrag herhalen. Gelet op de ernst van het feit en de recidive van de verdachte kan met geen andere straf worden volstaan dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Gelet hierop is het hof van oordeel dat de gevangenisstraf, zoals is opgelegd door de rechtbank, geen recht doet aan de onderhavige zaak en zal het hof een hogere straf opleggen dan in eerste aanleg. Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden. Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straf is gegrond op artikelen 63 en 213 van het Wetboek van Strafrecht. Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de strafoplegging en de strafmotivering en doet in zoverre opnieuw recht. Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) weken. Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht. Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene. Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M. Lolkema, mr. S. Clement en mr. P. Greve, in tegenwoordigheid van mr. J.M. van Riel, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 25 maart 2020. mrs. M. Lolkema en P. Greve zijn buiten staat dit arrest te ondertekenen.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.