afdeling strafrecht parketnummer: 23-002680-19 datum uitspraak: 26 november 2020 TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsvrouw) Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 1 juli 2019 in de gevoegde strafzaken onder de parketnummers 13-129792-19 (zaak A) en 13-137650-19 (zaak B) en 13-142617-19 (zaak C) en 13-142724-19 (zaak D) tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] ([geboorteland]) op [geboortedag] 1982, adres: [adres]. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 12 november 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsvrouw naar voren is gebracht. Vonnis waarvan beroep Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen behalve ten aanzien van de strafoplegging. In zoverre zal het vonnis worden vernietigd. Oplegging van maatregel De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg in zaak A, B, C en D bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier weken en aan hem is op grond van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht een gebiedsverbod voor de duur van één jaar opgelegd, welke maatregel dadelijk uitvoerbaar is verklaard. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het in zaak A, B, C en D tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier weken en dat aan de verdachte de maatregel strekkende tot een gebiedsverbod voor de duur van twee jaar wordt opgelegd. De raadsvrouw heeft verzocht de verdachte schuldig te verklaren zonder oplegging van straf. Daarnaast heeft zij aangevoerd dat zij geen bezwaar heeft tegen de door de advocaat-generaal gevorderde oplegging van de maatregel strekkende tot een gebiedsverbod. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft zich viermaal schuldig gemaakt aan het negeren van een gebiedsverbod, uitgevaardigd door en namens de burgemeester van Amsterdam. Door aldus te handelen heeft hij er blijk van gegeven zich niets gelegen te laten liggen aan een besluit van het bevoegde gezag, dat is genomen met het oog op handhaving van de openbare orde in de betreffende gebieden. Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 2 november 2020 is hij eerder vele malen ter zake van het niet voldoen aan een ambtelijk bevel onherroepelijk veroordeeld, hetgeen in zijn nadeel weegt. De hoeveelheid en ernst van de bewezenverklaarde feiten, mede in het licht van de recidive, rechtvaardigen in beginsel de oplegging van een gevangenisstraf zoals opgelegd door de politierechter. Het hof houdt echter sterk rekening met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals deze ter terechtzitting in hoger beroep door de raadsvrouw naar voren zijn gebracht en volgen uit het door de raadsvrouw toegestuurde Reclasseringsadvies van Leger des Heils van 16 december
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.