afdeling strafrecht parketnummer: 23-000957-17 datum uitspraak: 7 februari 2020 TEGENSPRAAK Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 9 maart 2017 in de strafzaak onder parketnummer 13-650660-15 tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1986, adres: [adres]. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 24 januari 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht. Vonnis waarvan beroep Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen behalve ten aanzien van de opgelegde straffen en de beslissingen ten aanzien van de vordering benadeelde partij. In zoverre zal het vonnis worden vernietigd. Oplegging van straffen en maatregel De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 en 2 bewezen verklaarde veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden met een proeftijd van 2 jaren en een taakstraf voor de duur van 240 uren subsidiair 120 dagen hechtenis met aftrek. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 en 2 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 150 uren subsidiair 75 dagen hechtenis met aftrek en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden met een proeftijd van 2 jaren. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. Van de verdachte en zijn vriendin, medeverdachte [medeverdachte], is een substantieel geldbedrag uit de ouderlijke woning van de medeverdachte, weggenomen. Zij verdenken de zus van de medeverdachte, [naam ] en haar vriend [benadeelde 1] van de diefstal van het geld. Nadat [naam ] en [benadeelde 1] dit in alle toonaarden ontkenden, liepen de spanningen op 17 september 2015 hoog op. De verdachte en de medeverdachte zijn toen verhaal gaan halen bij de woning van [naam ], [benadeelde 1], en diens moeder, [benadeelde 2]. Al bij aankomst in de openbare hal van de flat escaleerde het conflict, waarbij met name door de verdachte zoveel geweld is gebruikt dat [naam ] zich genoodzaakt zag om te vluchten en [benadeelde 1] en [benadeelde 2] letsel aan het hoofd hebben opgelopen. [benadeelde 2] voelde zich vervolgens gedwongen een bedrag van 1.000 euro te gaan pinnen en als afbetaling aan de verdachte en de medeverdachte mee te geven om zo te zorgen dat haar en haar zoon niets meer zou worden aangedaan. Het hof rekent het de verdachte en de medeverdachte zwaar aan dat zij hun familieruzie over het geld op een dergelijke, gewelddadige wijze en in een publieke ruimte hebben laten escaleren. Daarbij zijn [naam ], maar met name [benadeelde 1] en [benadeelde 2], dusdanig mishandeld dat [benadeelde 2], nadat zij en haar zoon door de verdachte en de medeverdachte waren meegenomen, zich gedwongen voelde om 1.000 euro aan hen te overhandigen. Dat er geld van de verdachte en de medeverdachte was weggenomen, rechtvaardigt op geen enkele wijze het gebruik van geweld en afpersing. Hoewel het begrijpelijk is dat de emoties bij de verdachte ten tijde van onderhavig feit hoog waren opgelopen, is agressie of geweld nooit de oplossing. In dat opzicht stelt het strafrecht grenzen aan hoe conflicten kunnen worden afgedaan, die de verdachte in dit geval ernstig heeft overschreden. Het hof houdt bij de strafoplegging voorts rekening met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, in het bijzonder zijn gezondheidstoestand. Door zijn hartproblemen is de verdachte niet meer in staat te werken en geniet hij een WIA uitkering, waar hij met de medeverdachte [medeverdachte] en hun beider zoontje van moet rondkomen. Verder heeft het hof acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 10 januari 2020, waaruit blijkt dat hij – zij het in een ver verleden – eerder onherroepelijk is veroordeeld voor gewelds- en vermogensdelicten, maar ook dat de verdachte sinds onderhavig feit niet meer met justitie in aanraking is geweest. Het hof houdt voorts rekening met de omstandigheid dat als gevolg van mediation de verhouding tot de familie [medeverdachte] is genormaliseerd en afspraken zijn gemaakt met betrekking tot het terugbetalen van (een deel van) het door [benadeelde 1] en [naam ] weggenomen geldbedrag. Een dergelijke normalisering heeft ten opzichte van de familie [benadeelde 1] echter niet plaatsgevonden. Tevens houdt het hof rekening met de omstandigheid dat de aanhouding van de verdachte door het arrestatieteam in onderhavige zaak voor hem een ingrijpende gebeurtenis is geweest. Tot slot houdt het hof in de strafmaat, zowel bij het op te leggen aantal uren taakstraf als de duur van de voorwaardelijke gevangenisstraf, rekening met de overschrijding van de redelijke termijn in de hoger beroepsprocedure in onderhavige zaak, nu tussen het indienen van het hoger beroep en de inhoudelijke behandeling ter terechtzitting bijna drie jaren zijn verstreken. Gelet op het bovenstaande acht het hof, evenals de advocaat-generaal, een gevangenisstraf en taakstraf van na te melden duur passend en geboden. Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 56, 57, 300, en 317 van het Wetboek van Strafrecht. Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot immateriële schadevergoeding. Deze bedraagt € 1.300,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.