GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling civiel recht en belastingrecht, team I zaaknummer : 200.239.832/01 zaaknummer rechtbank Noord-Holland : C/15/263553/HA ZA 17-624 arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 10 maart 2020 inzake [appellant] , wonend te [woonplaats] , appellant, advocaat: mr. C.J.J.C. Arnouts te Amsterdam, tegen HBB GROEP B.V., gevestigd te Heemstede, HBB ONTWIKKELING B.V., gevestigd te Heemstede, HBB ONTWIKKELGROEP B.V. gevestigd te Heemstede, MELCO ONTWIKKELING B.V. gevestigd te Broek op Langedijk, gemeente Langedijk, [geïntimeerde sub 5] , wonend te [woonplaats] , geïntimeerden, advocaat: mr. J.P. Koets te Haarlem. 1Het geding in hoger beroep Partijen worden hierna [appellant] en HBB Groep c.s. genoemd. Geïntimeerden worden ieder afzonderlijk HBB Groep, HBB Ontwikkeling, HBB Ontwikkelgroep en [geïntimeerde sub 5] genoemd. [appellant] is bij dagvaarding van 30 april 2018 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 31 januari 2018, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [appellant] als eiser en HBB Groep c.s. als gedaagden. Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend: - memorie van grieven; - memorie van antwoord. Partijen hebben de zaak ter zitting van 10 september 2019 doen bepleiten, [appellant] door mr. Arnouts voornoemd en HBB Groep c.s. door mr. M.W.J. Ariëns, advocaat te Haarlem, ieder aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd. [appellant] heeft nog een productie in het geding gebracht. Ten slotte is arrest gevraagd. [appellant] heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en - uitvoerbaar bij voorraad - alsnog de vorderingen van [appellant] zal toewijzen, met beslissing over de proceskosten. HBB Groep c.s. hebben geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met - uitvoerbaar bij voorraad - beslissing over de proceskosten. Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden. 2Feiten De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 2.1 tot en met 2.18 de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt. Aangevuld met feiten die als enerzijds gesteld en anderzijds als niet dan wel niet voldoende weersproken zijn komen vast te staan, komen deze feiten op het volgende neer. 2.1 [appellant] houdt zich bezig met het ontwikkelen en herontwikkelen van vastgoedprojecten en het bemiddelen daarin. In 2013 heeft hij vernomen dat de gemeente Heiloo plannen had om de locatie van het Campina-terrein (hierna: terrein) te ontwikkelen. Eigenaar van dat terrein was Friesland Campina Nederland BV (hierna: Campina). 2.2 HBB Ontwikkeling is onderdeel van HBB Groep en houdt zich bezig met de ontwikkeling en realisatie van (bijzondere) bouwprojecten. [geïntimeerde sub 5] is bestuurder van HBB Groep. 2.3 Op 1 oktober 2013 heeft [appellant] een gesprek gehad met [geïntimeerde sub 5] , waarin [appellant] de mogelijkheden tot herontwikkeling van het terrein heeft toegelicht. HBB Ontwikkeling had belangstelling voor het herontwikkelen van dit terrein in samenwerking met het aannemingsbedrijf [X] Bouw B.V. (hierna: [X] Bouw). 2.4 Op 18 oktober 2013 hebben [appellant] en [geïntimeerde sub 5] het terrein bezichtigd. Daarbij was ook [X] (hierna: [X] ), directeur van [X] Bouw, aanwezig. Na de bezichtiging heeft [appellant] [geïntimeerde sub 5] en [X] in contact gebracht met de makelaar van Campina, [A] (hierna: [A] ), contactpersoon van 3Stone Real Estate B.V. 2.5 Op 31 oktober 2013 hebben [geïntimeerde sub 5] en [X] met [A] gesproken. Bij dat gesprek was [appellant] ook aanwezig. 2.6 Op 12 november 2013 hebben [appellant] en [geïntimeerde sub 5] wederom met elkaar gesproken. Na deze bespreking heeft [appellant] bij e-mail van gelijke datum aan [geïntimeerde sub 5] het volgende meegedeeld: ‘Naar aanleiding van het gesprek van hedenmiddag op je kantoor in [plaats] hierbij mijn reactie op hetgeen we besproken hebben (…) Om de verwachte winst verwachting in beeld te brengen, lijkt het mij dan ook logisch en noodzakelijk dat jullie ook de begroting tonen cq inbrengen. Zodoende kunnen wij gezamenlijk een reële winstverwachting berekenen. Om een en ander nogmaals duidelijk te maken, wil ik op basis van deze winstverwachting in overleg, mijn fee bepalen. Het lijkt mij verstandig om na het gesprek a.s. Vrijdag de 15e november met wethouder de heer [B] van de gemeente Heiloo, hierna nog te overleggen.’ 2.7 In een e-mail van 13 november 2013 heeft [geïntimeerde sub 5] aan [appellant] geantwoord: ‘Uitgangspunt kan voor ons alleen maar zijn, vaste successfee, 50% direct af te rekenen bij koopakte en 50% bij oplevering. Dit kan in mijn beleving maximaal 250.000,= zijn.’ 2.8 Op 15 november 2013 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen de gemeente, [geïntimeerde sub 5] , [X] en [appellant] . 2.9 Per brief van 28 november 2013 gericht aan [A] heeft HBB Ontwikkeling een bieding gedaan betreffende het terrein. 2.10 Per brief van 3 december 2013 heeft [A] namens Campina dit bod afgewezen. Deze brief vermeldt onder meer: ‘Hartelijk dank voor de door HBB Groep en [X] Bouw uitgebrachte bieding d.d. 28 november jl inzake het Campinaterrein te Heilo (…) Wij hebben deze bieding met onze opdrachtgever Friesland Campina Nederland B.V. besproken en kunnen u als volgt berichten. Zoals reeds in een eerder stadium aangegeven wil FrieslandCampina de locatie slechts verkopen indien de koper en opstallen “as-is” afneemt tegen een minimale koopsom van € 4,5 mio kosten koper. Deze koopsom dient in zijn geheel betaald te worden op een nader overeen te komen transportdatum. Overdracht vindt plaats binnen 3 (drie) maanden na afronding Due Diligence door koper. De door u geboden koopsom van € 4,35 mio en de voorgestelde gefaseerde betaling van deze koopsom vormen op dit moment helaas nog geen aanleiding voor FrieslandCampina om exclusief met u in gesprek te gaan en op de door u gestelde uitgangspunten in te gaan. Indien voornoemde koopsom en moment van betaling voor koper bespreekbaar zijn kunnen de genoemde uitgangspunten en voorbehouden door u onderzocht worden gedurende een gangbaar Due Diligence traject. Hierbij denkt verkoper aan een maximale termijn van 2 (twee) maanden. Voor start Due Diligence wenst verkoper wel inzicht te krijgen in de verhouding vreemd vermogen/eigen vermogen op basis waarvan u de financiering wenst te verkrijgen. De haalbaarheid van het laten vervallen van het financieringsvoorbehoud is voor FrieslandCampina van zwaarwegend belang om, in combinatie met de hoogte koopsom en moment van betaling, exclusiviteit aan een koper te geven, dit gezien de recente concrete belangstelling voor het project. Mocht u aan voornoemde voorwaarden & toelichting tegemoet kunnen komen dan vernemen wij het graag schriftelijk van u. Tot het moment verstrekking van exclusiviteit door Friesland Campina bent u vanzelfsprekend vrij op ‘eigen titel’ nader onderzoek te verrichten naar de door u geformuleerde uitgangspunten.’ 2.11 [appellant] heeft op enig moment ten behoeve van een derde partij, [Y] Bouw, een herontwikkelingsproject uitgewerkt en namens [Y] Bouw aan Campina een bieding gedaan die op 4 december 2013 is ontvangen. Tevens heeft [appellant] onderhandeld met het bedrijf Babsou Investments Group. 2.12 Per e-mail van 12 december 2013 heeft [geïntimeerde sub 5] aan [appellant] onder meer het volgende bericht: ‘Nut van enig overleg en nabellen blijkt nu dat jij parallel aan ons overleg met een derde partij parallel dezelfde acquisitie in Heiloo hebt doorlopen. Wij kunnen jouw ethiek niet inschatten maar het komt ons zeer vreemd voor, zeker gezien de inspanningen die door ons, onze ontwikkelaar en de gemeente Heiloo zijn verricht. Voor ons nu ook aanleiding om de gemeente Heiloo hierover te informeren. Het kan immers toch niet zo zijn dat HBB op wethoudersniveau overlegt en dat jij met een tweede partij bezig bent. Let wel, de ethiek staat bij ons hoog in het vaandel, en al onze samenwerkingen zijn op basis van vertrouwen en transparantie. Ik vertrouw erop jou hiermee voldoende te hebben geïnformeerd. De heer [A] is inmiddels geïnformeerd over hoe HBB tegen deze gang van zaken aankijkt.’ 2.13 Per e-mail van 13 december 2013 heeft [appellant] aan [geïntimeerde sub 5] onder meer geantwoord: ‘Vanaf het moment dat ik HBB benaderd heb (1 oktober 2013) tot het moment dat jullie een bieding hebben uitgebracht (28 november 2013) zijn door mij absoluut geen partijen benaderd. Het is mij een raadsel hoe je hier bijkomt (…) Natuurlijk heb ik regelmatig contact met [A] van 3 Stone Real estate gehad, betreffende jullie bieding. Pas nadat ik te horen kreeg dat jullie voorstel aangaande de bieding niet zou leiden tot een L.O.I. ben ik verder gaan rondkijken.’ 2.14 In een brief van 13 december 2013 hebben HBB Ontwikkeling en [X] Bouw aan [A] onder meer geschreven: ‘Bedankt voor uw voorstel van 3 december 2013 inzake de bieding van [X] Bouw en HBB Ontwikkeling op het Campinaterrein te Heiloo. Wij kunnen u berichten dat wij, in aanvulling op ons schrijven van 28 november 2013, tegemoet kunnen komen aan uw voorstel.’ 2.15 Een jaar later, op 10 december 2014, hebben HBB Ontwikkeling en [X] Bouw een gesprek gehad met Campina. Campina heeft hen daarin uitgenodigd om een nieuwe bieding voor het terrein te doen. 2.16 Bij brief van 18 december 2014 hebben HBB Ontwikkeling en [X] Bouw een bod op het terrein gedaan van € 4.500.000,=. 2.17 Op 13 juli 2015 is tussen HBB Ontwikkeling en de Exploitatie- en Projectontwikkeling Maatschappij Brolan B.V. (hierna: Brolan) als kopers en Campina als verkoopster een koopovereenkomst met betrekking tot het terrein gesloten. 2.18 Bij brief van 24 augustus 2015 heeft [appellant] bij HBB Groep aanspraak gemaakt op betaling van een succesfee van € 250.000,=. Bij brief van 25 augustus 2015 heeft HBB Ontwikkeling deze vordering betwist. 2.19 Op 29 september 2016 is het terrein geleverd aan Melco Ontwikkeling BV. HBB Ontwikkeling en Brolan zijn beide bestuurders van deze vennootschap. 2.20 Bij e-mail van 23 mei 2017 heeft [appellant] namens Rimal Vastgoed B.V. een factuur aan HBB Ontwikkeling gezonden van € 250.000,=, exclusief BTW. 3Beoordeling 3.1 In deze procedure vordert [appellant] , samengevat, primair een verklaring voor recht dat tussen [appellant] enerzijds en HBB Groep c.s, dan wel een van de entiteiten van HBB Groep c.s. anderzijds, een overeenkomst tot stand is gekomen uit hoofde waarvan HBB Groep c.s. hoofdelijk jegens [appellant] gehouden zijn tot nakoming van de uit die overeenkomst voortvloeiende verplichtingen, met hoofdelijke veroordeling van HBB Groep c.s. tot betaling aan [appellant] van een bedrag van € 250.000,= met rente, alsmede de buitengerechtelijke kosten, en, subsidiair, een verklaring voor recht dat HBB Groep c.s. dan wel een van de entiteiten van HBB Groep c.s. onrechtmatig hebben gehandeld jegens [appellant] en uit dien hoofde hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de daarvoor veroorzaakte schade, met hoofdelijke veroordeling van HBB Groep c.s. tot betaling aan [appellant] van een bedrag van € 250.000,= met rente, alsmede de buitengerechtelijke kosten. 3.2 De rechtbank heeft de vorderingen afgewezen en [appellant] veroordeeld in de proceskosten. Daartoe heeft zij onder meer overwogen dat er tussen partijen een overeenkomst van opdracht (bemiddeling) tot stand is gekomen maar dat partijen nog geen overeenstemming hadden bereikt over de aan [appellant] verschuldigde vergoeding. Een redelijke vergoeding op grond van art. 7:405, tweede lid, BW komt [appellant] niet toe, omdat de overeenkomst ertoe strekte dat [appellant] recht heeft op een vergoeding indien en nadat door zijn bemiddeling een overeenkomst tussen HBB Groep c.s. en Campina tot stand is gekomen en hij geen inhoudelijke bijdrage heeft geleverd aan de totstandkoming van de uiteindelijke overeenkomst tussen Campina en HBB Groep c.s., aldus de rechtbank. Verder valt de handeling waarmee HBB Groep c.s. een tweede bieding hebben gedaan op het terrein (en de handelwijze van [geïntimeerde sub 5] daarbij) in de gegeven omstandigheden niet aan te merken als een onrechtmatige daad jegens [appellant] . Tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt [appellant] met negen grieven op. De kern van het betoog van [appellant] is dat HBB Groep c.s. het terrein dankzij zijn inspanningen en werkzaamheden uiteindelijk hebben verworven en daarvoor de tussen hen overeengekomen vergoeding, althans, op z’n minst een redelijke vergoeding, verschuldigd zijn jegens [appellant] . HBB Groep c.s. daarentegen menen, primair, dat er geen bemiddelingsovereenkomst met [appellant] tot stand is gekomen, en, subsidiair, dat de totstandkoming van de koopovereenkomst met Campina helemaal niet de verdienste van [appellant] is, maar enkel en alleen de verdienste van HBB Groep c.s. zelf. 3.3 Met grief I komt [appellant] op tegen het oordeel van de rechtbank dat [appellant] zijn stelling dat tussen partijen een vergoeding van € 250.000,= is overeengekomen onvoldoende heeft onderbouwd (rov. 4.3 van het bestreden vonnis). Met grief II en III betoogt [appellant] dat de rechtbank ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan artikel 7:411 BW. Op grond van dat artikel had de rechtbank moeten oordelen dat [appellant] tenminste een naar redelijkheid vast te stellen deel van het overeengekomen loon had moeten ontvangen voor de reeds door hem verrichte werkzaamheden. De grieven IV tot en met VIII zijn gericht tegen de overwegingen van de rechtbank die hebben geleid tot de beslissing dat [appellant] geen redelijk loon toekomt in de zin van art. 7:405 lid 2 BW. Dat loon was immers niet alleen verschuldigd indien en nadat door bemiddeling van [appellant] een overeenkomst met de eigenaar van het terrein tot stand zou zijn gekomen, zo stelt [appellant] . [appellant] had immers de nodige inspanningen verricht waarvan HBB Groep c.s. dan de vruchten zouden plukken. Zo is het [appellant] geweest die HBB Groep c.s. heeft gewezen op het terrein, hen in contact heeft gebracht met de eigenaar, samen met HBB Groep c.s. een bezoek heeft gebracht aan het terrein, hen de juiste documentatie heeft verstrekt en hen heeft bijgestaan tijdens de bespreking met de eigenaar op 31 oktober 2013 en bewerkstelligd dat de gemeente ermee akkoord ging dat ‘hal 1’ niet meer behouden hoefde te blijven en advies gegeven over de insteek van de uit te brengen bieding. Ook stelt [appellant] dat hij HBB Groep c.s. heeft bijgestaan tijdens een gesprek met de gemeente Heiloo op 15 november 2013 in verband met die hal. Pas bij de tweede bieding in 2014, zonder medeweten van [appellant] , hebben HBB Groep c.s. de eerdere adviezen van [appellant] opgevolgd en om die reden is uiteindelijk de overeenkomst tot stand gekomen met de eigenaar, aldus [appellant] . Die tweede bieding wijkt slechts op twee punten af van de bieding van 28 november
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.