GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling civiel recht en belastingrecht, team I zaaknummer : 200.254.531/01 zaak-/rolnummer rechtbank Noord-Holland : C/15/228492 / HA ZA 15-441 arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 10 maart 2020 1Holland Lift International B.V., 2. SMP International B.V., beide gevestigd te Hoorn, appellanten, eiseressen in het incident, advocaat: mr. M.H.S. Verhoeven te Rotterdam, tegen JAN©Accountants en Belastingadviseurs B.V., gevestigd te Purmerend, geïntimeerde, gedaagde in het incident, advocaat: mr. J.F. Garvelink te Amsterdam. 1Het geding in hoger beroep Partijen worden hierna Holland Lift, SMP (gezamenlijk Holland Lift c.s.) en JAN genoemd. Holland Lift c.s. is bij dagvaarding van 30 januari 2019 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 31 oktober 2018, onder bovenvermeld zaak-/rolnummer gewezen tussen Holland Lift en SMP als eiseressen in conventie en verweersters in reconventie, en [X] (hierna: [X] ) als gedaagde in conventie en JAN als gedaagde in conventie en eiseres in reconventie. De dagvaarding in hoger beroep, waarin zowel [X] als JAN als partijen zijn betrokken, bevat tevens een - uitsluitend tegen JAN ingestelde) -incidentele vordering tot inzage in en/of afgifte van bescheiden ex artikel 843a Rv en/of artikel 7:403 BW, alsmede producties. JAN heeft daarna een memorie van antwoord in het incident ex artikel 843a Rv, met producties ingediend. Partijen hebben het incident ter zitting van 17 december 2019 doen bepleiten, Holland Lift c.s. door mr. Verhoeven voornoemd en door mr. P.L.J. van den Berg, advocaat te Rotterdam, en JAN door mr. Garvelink voornoemd, ieder aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd. Ten slotte is arrest in het incident gevraagd. Holland Lift c.s. heeft in het incident geconcludeerd dat – voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: primair 1. JAN wordt veroordeeld om binnen zeven dagen na dit arrest aan Holland Lift c.s. te verstrekken, zowel in papieren als digitale vorm, een afschrift van de gehele controledossiers over de jaren 2007, 2008 en 2008 van Holland Lift, een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 10.000 voor iedere dag of dagdeel dat JAN niet voldoet tot aan de dag van voldoening; subsidiair 2. JAN wordt veroordeeld om binnen zeven dagen na dit arrest aan Holland Lift c.s. te verstrekken, zowel in papieren als digitale vorm, een afschrift van de bescheiden, vermeld in randnummer 69 van de dagvaarding in hoger beroep, tevens houdende incidentele vordering, een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 10.000 voor iedere dag of dagdeel dat JAN niet voldoet tot aan de dag van voldoening; primair en subsidiair 3. wordt bepaald dat Holland Lift c.s. in de hoofdzaak een termijn van zestien weken verkrijgt voor het indienen van haar memorie van grieven, te rekenen vanaf de dag dat JAN een afschrift van de gevorderde bescheiden aan Holland Lift c.s. heeft verstrekt, althans op een door het hof in goede justitie te bepalen roldatum; 4. JAN wordt veroordeeld in de proceskosten in het incident met nakosten en rente. JAN heeft geconcludeerd tot afwijzing van de vordering in het incident, met – uitvoerbaar bij voorraad – beslissing over de proceskosten. 2Feiten De rechtbank heeft in het vonnis van 31 oktober 2018 onder 2 de feiten weergegeven die zij als vaststaand heeft aangenomen. Deze feiten zijn in dit incident niet in geschil. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten die als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist zijn komen vast te staan, zal in het incident van de volgende feiten worden uitgegaan. 2.1. Holland Lift ontwikkelt, produceert en verkoopt schaarliften. Vanaf 2002 was Stoneham Equipment B.V. (hierna: Stoneham) de enig aandeelhouder van Holland Lift. 2.2. SMP is opgericht op 14 juni 2007. Sinds 1 november 2007 houdt SMP alle aandelen in Holland Lift, eerst indirect als enig aandeelhouder van Stoneham en sinds 20 december 2013 rechtstreeks. 2.3. 45% 45% van de aandelen in SMP werd gehouden door [X] en [Y] (hierna: [Y] ). Sinds 19 november 2013 is ProDelta Investments Partners B.V. (hierna: ProDelta) de enig aandeelhouder van SMP. 2.4. [X] is krachtens een schriftelijke arbeidsovereenkomst van 8 januari 2001 per 1 januari 2001 in dienst getreden bij Holland Lift. 2.5. [X] is op 10 december 2001, 31 december 2002 en 14 juni 2007 benoemd tot statutair bestuurder van Holland Lift, respectievelijk Stoneham, respectievelijk SMP. In deze periode was ook [Y] statutair bestuurder van deze vennootschappen. Op 9 februari 2012 zijn beiden als bestuurders van deze vennootschappen teruggetreden. 2.6. [X] is op 11 maart 2013 bij Holland Lift uit dienst getreden. 2.7. Bij Holland Lift functioneerde [Y] als algemeen directeur en [X] als financieel directeur. Onder leiding van [X] is Holland Lift met ingang van 2007 overgestapt van Exact DOS naar Exact Globe als het nieuwe financieel administratie systeem. Bij registratie in Exact Globe waren blijkens het memorandum Voorraadproces van JAN van oktober 2007 mede betrokken de magazijnmeester, de administratief medewerkers, de inkoopmedewerker, allen onder [X] als eindverantwoordelijke. 2.8. JAN is een accountants- en belastingadvieskantoor. JAN heeft in opdracht van Holland Lift en SMP in de boekjaren 2007, 2008 en 2009 als controlerend accountant opgetreden. In het kader van de accountantscontrole van Holland Lift zijn namens JAN bij e-mails van 22 juni 2007, 18 juli 2007, 18 januari 2008, 14 maart 2008 en 13 juli 2009 vragen gesteld over de voorraadadministratie en is gewezen op de noodzaak dat het grootboek aansluit op de subadministratie. JAN heeft uiteindelijk goedkeurende verklaringen afgegeven betreffende de jaarrekeningen van Holland Lift en SMP voor de boekjaren 2007, 2008 en 2009. 2.9. Voor het boekjaar 2010 heeft Ernst & Young (hierna: EY) in eerste instantie een ongeclausuleerde goedkeurende verklaring afgegeven betreffende de jaarrekeningen van Holland Lift en SMP. EY heeft die goedkeurende verklaring naderhand ingetrokken. 2.10. In 2011 en de jaren daarna hebben Holland Lift en SMP dan wel hun aandeelhouders onderzoek gedaan naar de financiële administratie van Holland Lift. Daarvoor is eerst door Krüger & Partners in 2011 een quick scan uitgevoerd naar het ontstaan van liquiditeitstekorten bij Holland Lift. Daarna hebben Holland Lift en SMP (dan wel hun indirecte aandeelhouder) aan PricewaterhouseCoopers Advisory N.V. (hierna: PwC) opdracht gegeven een (boeken)onderzoek te doen naar de financiële gang van zaken binnen Holland Lift en SMP en naar de rol die zowel [X] als JAN daarbij hebben vervuld. PwC heeft op 30 mei 2013 rapport uitgebracht van haar bevindingen (hierna: het onderzoeksrapport). Die bevindingen zijn, samengevat, dat er in de boekhouding van Holland Lift verschillen zijn in de waarde van de voorraad zoals die is opgenomen in het grootboek en zoals die is opgenomen in de subadministratie. Bovendien hebben er onjuiste boekingen plaatsgevonden, waardoor het resultaat van Holland Lift en SMP te hoog werd voorgesteld en hun financiële positie te rooskleurig. Dit is gebeurd door toedoen van [X] , terwijl JAN hiervan wist dan wel hiervan op de hoogte had kunnen raken indien zij haar werk volgens de geldende normen had gedaan, aldus het onderzoeksrapport. 2.11. Op 29 december 2014 zijn [X] en JAN door Holland Lift en SMP aansprakelijk gesteld voor de schade die zij stellen hierdoor te hebben geleden. 3Beoordeling 3.1. Holland Lift c.s. heeft in eerste aanleg gevorderd, samengevat en voor zover thans van belang, dat JAN wordt veroordeeld tot betaling van (in hoofdsom) € 7.966.044 met rente en kosten. Holland Lift c.s. legt aan haar vordering ten grondslag dat JAN toerekenbaar is tekortgeschoten in haar verplichtingen dan wel dat zij onrechtmatig jegens Holland Lift c.s. heeft gehandeld en dat Holland Lift c.s. daardoor schade heeft geleden. Naar Holland Lift c.s. betoogt, zijn de voorraden van Holland Lift te hoog gewaardeerd, waardoor het resultaat veel te positief werd voorgesteld. JAN had geen genoegen mogen nemen met gedeeltelijke aanlevering door [X] van (volgens Holland Lift c.s.: gemanipuleerde) excel-bestanden. Daarmee heeft JAN niet gehandeld zoals van een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot mag worden verwacht, aldus Holland Lift c.s.. 3.2. De rechtbank heeft de vorderingen van Holland Lift c.s. afgewezen, kort gezegd op de grond dat uit hetgeen zij heeft aangevoerd niet blijkt dat JAN de voor haar geldende voorschriften heeft overtreden of anderszins niet heeft gehandeld zoals van een redelijk vakbekwaam en redelijk handelend controlerend accountant mag worden verwacht. 3.3. In het incident heeft Holland Lift c.s. samengevat het volgende aangevoerd. In het grootboek van Holland Lift zijn de voorraden voor een te hoog bedrag opgenomen vergeleken met de subadministratie. In de jaren 2007, 2008 en 2009 gaat het om bedragen van € 2.599.200, € 3.143.378, respectievelijk € 5.131.607. Dit zijn substantiële bedragen, niet alleen in verhouding tot de gehele voorraad, maar ook tot de totale balans van Holland Lift. Omdat haar controlewerkzaamheden ontoereikend waren, heeft JAN de verschillen in de voorraadadministratie niet ontdekt, dit terwijl zij deze wel had kunnen en moeten ontdekken. JAN heeft niet inzichtelijk gemaakt welke controle-informatie zij heeft verzameld, op welke wijze Holland Lift deze aan haar ter beschikking heeft gesteld en hoe JAN deze informatie heeft gecontroleerd. Omdat Holland Lift c.s. niet beschikt over voldoende stukken om vast te kunnen stellen of JAN haar controlewerkzaamheden naar behoren heeft uitgevoerd, vordert zij in dit incident de controledossiers over de boekjaren 2007-2009. Omdat in de hoofdprocedure op Holland Lift c.s. de stelplicht en bewijslast rust, heeft zij een rechtmatig belang bij de gevorderde stukken. Gelet op de overeenkomsten van opdracht in deze boekjaren is bovendien sprake van een rechtsbetrekking als bedoeld in artikel 843a Rv, aldus steeds Holland Lift c.s. Algemene verweren 3.4. JAN voert enkele algemene verweren die, indien gegrond, ertoe kunnen leiden dat de vordering in het incident geen inhoudelijke beoordeling behoeft. Het hof zal deze als eerste behandelen. 3.5. Volgens JAN is in dit stadium van de procedure geen plaats meer voor een vordering op grond van artikel 843a Rv. Nu de bodemrechter al uitvoerig is ingegaan op de controlewerkzaamheden, dient de vordering in incident in beginsel te worden afgewezen. Evenals de kortgedingrechter dient het hof in dit incident zijn oordeel af te stemmen op dat van de bodemrechter, zo stelt JAN. 3.5.1. Dit betoog wordt verworpen. Een 843a-vordering als de onderhavige kan niet op een lijn worden gezet met een kortgedingprocedure ter zake van een geschil waarover reeds in een bodemprocedure is geoordeeld. Dit incident ziet op een andere vraag: het gaat hier om de gevorderde afgifte van bescheiden en niet om een oordeel over een tekortkoming. Anders dan JAN betoogt, dient de rechter niet, zoals in kort geding, zijn oordeel in dit incident af te stemmen op het oordeel van de rechter in de bodemprocedure. Gelet op de herstelfunctie van het hoger beroep bestaat op voorhand ook geen bezwaar tegen een 843a-vordering voordat van grieven wordt gediend. De uitkomst in dit incident doet ook niet toe of af aan het uiteindelijke oordeel in de hoofdzaak. 3.6. JAN doet ook een beroep op verweren die zij in het bodemgeschil tegen de vorderingen van Holland Lift c.s. heeft aangevoerd. Het gaat om verweren die door de rechtbank niet zijn beoordeeld maar die wel aan toewijzing van de hoofdvordering in de weg zouden staan. Het gaat hier onder meer om een beroep op verjaring, schending van de klachtplicht, ontbrekende relativiteit en schade, ontbrekend causaal verband en ‘eigen schuld’ als bedoeld in artikel 6:101 BW, en een beroep op een exoneratiebeding. Gelet op deze verweren kan de vordering in incident evenmin slagen, aldus JAN. 3.6.1. Ook dit betoog faalt. Het gaat hier om verweren die in de bodemzaak op hun merites kunnen worden beoordeeld, maar die in het kader van dit incident terzijde kunnen blijven. JAN heeft onvoldoende concreet onderbouwd, dat, gelet op de inhoud van die weren, moet worden geoordeeld dat niet is voldaan aan de (hierna onder 3.7 genoemde) voorwaarden voor toewijzing van een vordering op de voet van art. 843a Rv. Daarbij moet overigens worden bedacht dat de exhibitievordering, naar Holland Lift c.s. heeft betoogd, niet slechts wordt ingesteld met het oog op de (gepretendeerde) vordering jegens JAN, maar ook ter nadere onderbouwing van de vordering jegens [X] . Op die vordering hebben de weren geen betrekking. Voorwaarden voor toewijzing exhibitievordering 3.7. Een exhibitievordering is slechts toewijsbaar indien aan de drie in het eerste lid van artikel 843a Rv genoemde voorwaarden is voldaan. Dat wil zeggen dat (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.