afdeling strafrecht parketnummer: 23-000066-18 datum uitspraak: 25 maart 2020 TEGENSPRAAK Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 28 december 2017 in de strafzaak onder parketnummer 15-221829-16 tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1990, adres: [adres]. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 11 maart 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht. Tenlastelegging Aan de verdachte is tenlastegelegd dat primair: hij op of omstreeks 17 september 2016 te Zaandam, gemeente Zaanstad aan [benadeelde] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (te weten meerdere sneeën in zijn gezicht, oor en nek), heeft toegebracht, door die [benadeelde] opzettelijk met een glas in het gezicht, althans tegen het hoofd te slaan; subsidiair:hij op of omstreeks 17 september 2016 te Zaandam, gemeente Zaanstad ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met dat opzet een glas in het gezicht, althans tegen het hoofd van die [benadeelde] heeft geslagen terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof komt tot een andere strafoplegging dan de rechtbank. Vrijspraak van het primair tenlastegelegde De op 17 september 2016 bij aangever [benadeelde] met een glas veroorzaakte verwondingen waren aanzienlijk, bloedden hevig en bevonden zich vlakbij het linkeroog en aan het linkeroor. Dat oor moest op verschillende plekken gehecht worden. De sneeën bij het oog zijn gelijmd. Aan de hand van recente foto’s van de aangever heeft het hof kunnen vaststellen dat zich op die plaatsen weliswaar nog altijd enig littekenweefstel bevindt, maar ook dat de resterende littekens relatief klein zijn en qua kleur nauwelijks afwijken van het verdere huidoppervlak van het gezicht resp. het oor. Het betreft derhalve niet dusdanig prominente littekens dat kan worden gesproken van zwaar lichamelijk letsel in de zin van artikel 302 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Anders de advocaat-generaal, maar met de rechtbank en de raadsman, is het hof daarom van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen de verdachte primair is tenlastegelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: hij op 17 september 2016 te Zaandam, gemeente Zaanstad, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met dat opzet een glas tegen het hoofd van [benadeelde] heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid. Hetgeen subsidiair meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde De verdachte heeft verklaard dat hij op 17 september 2016 in het café in Zaandam was waar de onderhavige gebeurtenis zich heeft afgespeeld en daar twee drankjes had gehaald, waarmee hij langs de aangever wilde lopen. Die liet hem niet passeren, waarop een discussie ontstond en de aangever de verdachte een klap in zijn gezicht gaf ter hoogte van zijn nek. Daarop heeft de verdachte naar eigen zeggen gereageerd door de aangever te slaan met het glas dat hij in zijn hand had. Daarbij raakt hij de aangever in het gezicht. De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep in het verlengde van die verklaring betoogd dat de verdachte heeft gehandeld in noodweer, als bedoeld in artikel 41, eerste lid, Sr, omdat hij zich geconfronteerd zag met een (dreigend gevaar voor een) ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding. Het hof acht de lezing van de verdachte die aan het verweer ten grondslag is gelegd, niet aannemelijk, omdat daarvoor in het dossier geen enkele steun is te vinden. In het bijzonder de verklaringen van andere aanwezigen in het café bieden geen aanknopingspunt voor de veronderstelling dat de aangever de verdachte de doorgang belette en/of hem als eerste een klap gaf. De kanttekeningen die de raadsman bij verschillende van die verklaringen heeft geplaatst, maken dit niet anders. Dit brengt mee dat het verweer feitelijke grondslag mist, zodat het wordt verworpen. Ook overigens is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het subsidiair bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het subsidiair bewezenverklaarde levert op: poging tot zware mishandeling. Strafbaarheid van de verdachte De raadsman heeft op basis van de door de verdachte gepresenteerde lezing (subsidiair) een beroep gedaan op noodweerexces. Dat verweer wordt verworpen, omdat de feitelijke gang van zaken die daaraan ten grondslag is gelegd niet aannemelijk is geworden, zoals hiervoor is overwogen ten aanzien van het beroep op noodweer. Ook overigens is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het subsidiair bewezenverklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is. Oplegging van straffen De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg subsidiair bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf van zeven maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot taakstraf van 200 uren en tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft zich in het uitgaansleven schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling. Na de nodige consumptie van alcohol heeft hij in een café een andere bezoeker met een glas in het gezicht geslagen. Deze heeft hierbij flinke snijwonden in zijn gezicht en het oor opgelopen. Aldus heeft de verdachte ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. De verwondingen van het slachtoffer hebben geruime tijd een nare aanblik gegeven. De (relatief beperkte) littekens die daarvan zijn achtergebleven, zullen het slachtoffer zijn leven lang aan de mishandeling herinneren. De verdachte mag van geluk spreken dat de gevolgen van zijn handelen niet nog ernstiger zijn, nu de kans op zwaarder letsel, zoals blijvende, in het oog springende en ontsierende littekens, oogletsel of zelfs blindheid, groot was. Bovendien brengt een dergelijk incident gevoelens van ontzetting, angst en onveiligheid teweeg bij het slachtoffer en bij personen die daarvan getuige zijn geweest. Het hof heeft gelet op de straffen die ter zake van uitgaansgeweld in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd. Bij first offenders gaat het daarbij niet zelden om een forse taakstraf, vaak aangevuld met een voorwaardelijke gevangenisstraf. Die combinatie van straffen acht het hof, alles afwegende, ook in deze zaak passend. Het hof zal de verdachte daarom een taakstraf van 200 uren opleggen. Om de ernst van het bewezenverklaarde te benadrukken en de verdachte ervan te weerhouden nogmaals een soortgelijk misdrijf te begaan, zal hem daarnaast een voorwaardelijke gevangenisstraf worden opgelegd. Deze is van enigszins kortere duur dan gevorderd door de advocaat-generaal, vanwege de tijd die sinds het incident is verstreken en omdat de verdachte spijt heeft betuigd over zijn handelen op een wijze die op het hof oprecht overkwam. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde] De benadeelde partij [benadeelde] heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 3.333,45, te vermeerderen met wettelijke rente. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 1.833,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.