afdeling strafrecht parketnummer: 23-002562-20 datum uitspraak: 3 mei 2021 TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman) Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 28 oktober 2020 in de strafzaak onder parketnummer 13-124974-20 tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] (Suriname) op [geboortedag 1] 1979, (verblijf)adres: [adres 1]. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 19 april 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht. Omvang van het hoger beroep De rechtbank heeft de verdachte bij voormeld vonnis veroordeeld voor hetgeen onder 1 en 2 subsidiair en onder 3 en 4 ten laste is gelegd. Op 11 november 2020 is namens de verdachte onbeperkt hoger beroep ingesteld. Ingevolge de akte partieel intrekken rechtsmiddel van 15 december 2020 is namens de verdachte het ingestelde hoger beroep partieel ingetrokken en wel voor zover het betreft de beslissingen ten aanzien van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde. Met betrekking tot de straf en de maatregelen ten aanzien van het door de rechtbank onder 1 en 2 bewezenverklaarde zal het hof toepassing geven aan artikel 423 lid 4 van het Wetboek van Strafvordering. Tenlastelegging Aan de verdachte is - voor zover in hoger beroep aan de orde - tenlastegelegd dat: 3.hij op één of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 12 maart 2020 tot en met 7 mei 2020 te Amstelveen, in elk geval in Nederland, geld, te weten een totaalbedrag van € 52.043,93, in elk geval enig geldbedrag, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [benadeelde], (telkens) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf (telkens) heeft verschaft en/of dat weg te nemen geld (telkens) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, door (telkens) met het bankpasje van [benadeelde] (meer) geld op te nemen (dan waarvoor [benadeelde] zijn toestemming had gegeven); 4.hij op of omstreeks 7 mei 2020 te Amstelveen, in elk geval in Nederland, een goed te weten veertien, althans één of meer, fiets(en) en/of een accu oplader heeft verworven, voorhanden gehad, en/of overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit/deze goed(eren) wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof(fen). Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep - voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen - zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank. Bespreking van gevoerde verweren De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 3 tenlastegelegde. Hij heeft daartoe primair aangevoerd dat op basis van het dossier niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat het de verdachte was die de bedragen heeft weggenomen. Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat er geen sprake kan zijn van een oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening, omdat de verdachte gerechtigd was tot het gebruik van de pinpas van [benadeelde]. Meer subsidiair heeft hij betoogd dat de verdachte partieel dient te worden vrijgesproken, omdat de verdachte bij slechts vier pintransacties op de camerabeelden te zien zou zijn. Ook heeft de raadsman ten aanzien van het onder 4 tenlastegelegde vrijspraak bepleit. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen van de fietsen niet wist dan wel redelijkerwijs had moeten vermoeden dat deze van misdrijf afkomstig waren. Het hof overweegt hieromtrent als volgt. Het hof overweegt dat de door de raadsman gevoerde verweren, inhoudende dat de verdachte (partieel) vrijgesproken dient te worden van het onder 3 tenlastegelegde, hun weerlegging vinden in de door het hof gebezigde bewijsmiddelen en verwerpt deze gevoerde verweren. Ten aanzien van hetgeen de raadsman ten aanzien van het onder 4 tenlastegelegde heeft aangevoerd, merkt het hof op dat in de woning waar de verdachte verbleef in totaal veertien fietsen zijn aangetroffen. Vier van deze zijn als gestolen opgegeven. Bijna alle fietsen waren niet voorzien van een hoefijzerslot en bij een aantal fietsen was het framenummer weggekrast. De verdachte heeft wisselend verklaard ten aanzien van het voorhanden krijgen van de fietsen. Bij de politie heeft hij verklaard dat hij als autohandelaar mensen gelegenheid gaf om hun schuld met fietsen in plaats van geld af te betalen, zonder dat hij wist te verklaren wie die mensen waren. Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft hij verklaard dat hij de fietsen bij het grofvuil heeft aangetroffen én dat hij de fietsen in bewaring had voor een ander. Hij heeft niet willen zeggen voor wie hij de fietsen in bewaring had. Gelet op de buitengewoon verdachte omstandigheden waaronder de fietsen onder de verdachte werden aangetroffen en in aanmerking genomen dat de verdachte vervolgens geen aannemelijke, consistente, verklaring heeft gegeven met betrekking tot het voorhanden krijgen en hebben daarvan, kan het naar het oordeel van het hof niet anders zijn dan dat verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen van de vier gestolen fietsen wist dat deze van misdrijf afkomstig waren. Het hof acht dan ook bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan opzetheling. Het verweer wordt derhalve verworpen. Bewijsmiddelen Omwille van de leesbaarheid van het arrest zijn de door het hof gebezigde bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een bijlage bij dit arrest. Deze bijlage is aan het arrest gehecht. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 en 4 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: 3.hij in de periode van 12 maart 2020 tot en met 7 mei 2020 te Amstelveen, een geldbedrag, dat aan een ander toebehoorde, te weten aan [benadeelde], heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl de verdachte dat weg te nemen geld telkens onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, door telkens met het bankpasje van [benadeelde] meer geld op te nemen, dan waarvoor [benadeelde] zijn toestemming had gegeven; 4.hij omstreeks 7 mei 2020 te Amstelveen vier fietsen voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist dat het door misdrijf verkregen goederen betroffen. Hetgeen onder 3 en 4 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 3 en 4 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het onder 3 bewezenverklaarde levert op: diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels. Het onder 4 bewezenverklaarde levert op: opzetheling. Strafbaarheid van de verdachte Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 3 en 4 bewezenverklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is. Oplegging van straf De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 subsidiair en 2 subsidiair en onder 3 en 4 bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden, met aftrek van voorarrest. Ook heeft de rechtbank een locatie- en contactverbod op grond van artikel 38v Sr aan de verdachte opgelegd, met dadelijke uitvoerbaarheid. Bepaling van de straf en maatregel op de voet van artikel 423, vierde lid, Sv De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de straf ten aanzien van de feiten 1 subsidiair en 2 subsidiair zal bepalen op een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden met aftrek van voorarrest. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof, voor het onder 2 subsidiair bewezenverklaarde, de vrijheidsbeperkende maatregel, inhoudende een locatie- en contactverbod, bepaalt met dadelijke uitvoerbaarheid. De raadsman heeft verzocht geen vrijheidsbeperkende maatregel op te leggen. Nu het hoger beroep is gericht tegen het onder 3 en 4 tenlastegelegde zal het hof overeenkomstig het bepaalde in het vierde lid van artikel 423 van het Wetboek van Strafvordering eerst de straf en maatregel bepalen ten aanzien van de onder 1 subsidiair en 2 subsidiair bewezenverklaarde misdrijven. Het hof bepaalt de straf voor deze feiten op een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden. Voorts bepaalt het hof dat ten aanzien van het onder 2 subsidiair tenlastegelegde aan de verdachte een vrijheidsbeperkende maatregel is opgelegd, inhoudende een locatieverbod voor de woning van de heer [benadeelde] en een contactverbod met de heer [benadeelde], met vervangende hechtenis van één week (met een maximum van zes maanden), voor iedere keer dat verdachte het verbod overtreedt. Het hof merkt op dat de duur van twee jaren van de vrijheidsbeperkende maatregel moet worden geacht te zijn aangevangen op de datum van het vonnis, te weten 28 oktober
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.